|
||
|
D.H. Frieling, hoogleraar Stedenbouwkundig Ontwerpen TU Delft (1997)
Meervoudig grondgebruik voor een integratie van functiesHoge kantoortorens boven autowegen, treinrails in tunnels onder steden, wolkenkrabbers bovenop diepe parkeergarages en winkelcentra onder woonwijken. Intensief, meervoudig grondgebruik lijkt voor stedenbouwkundigen een belangrijke opgave in de nabije toekomst. Toch zet prof. ir. D.H. Frieling, hoogleraar stedenbouwkundig ontwerpen aan de Technische Universiteit Delft, daar een vraagteken bij. "Je kunt vanuit stedelijke functies eigenlijk niet beredeneren dat we steeds compacter zouden moeten gaan bouwen," zo zegt hij. Grofweg bestaat Nederland uit 10.000 km2 water, 20.000 km2 agrarisch gebied, 5.000 km2 natuur en recreatiegebied en 5.000 km2 bebouwde oppervlakte, dus steden, dorpen en infrastructuur. "Er is in Nederland nog ruimte genoeg," zegt professor Frieling. "Natuurlijk zouden die steden en dorpen zich nog kunnen uitbreiden, vanwege de bevolkingsgroei, maar dat zal niet opzienbarend zijn. Ook zouden steden zich kunnen uitbreiden omdat we aldoor rijker worden en per saldo meer oppervlakte per persoon gebruiken. Maar ook dat zou tot slechts een marginale verschuiving in de totale verdeling van de oppervlakte leiden. Hetzelfde geldt ten aanzien van de werkgelegenheid. Op een landbouwbedrijf heb je per arbeidsplaats tien tot twintig hectare grond nodig, in de industrie misschien een halve hectare en in een kantoor nog maar een paar vierkante meter. De transformatie die Nederland doormaakt van landbouw via industrie naar meer dienstverlening, leidt er dus toe dat arbeidsplaatsen in het algemeen minder ruimte vragen dan vroeger. Je kunt dus eigenlijk vanuit stedelijke functies niet beredeneren dat we steeds compacter zouden moeten gaan bouwen. Nogal wat mensen zeggen dan ook: onzin, dat moeten we vooral níet gaan doen." Agglomererende processenHet thema is echter met deze constatering niet van de baan. Meervoudig grondgebruik lijkt in de huidige bouwpraktijk en in de stedenbouwkundige plannen voor de toekomst alleen maar in intensiteit toe te nemen. Professor Frieling schrijft deze tendens toe aan diverse agglomererende processen in de economie en de maatschappij. Samenklontering vindt bijvoorbeeld plaats van bedrijven die functionele relaties met elkaar hebben, van horecabedrijven die gevestigd willen zijn op plaatsen waar voor vijf uur en na acht uur iets te doen is, van winkels die een gezamenlijk 'winkelamusement' willen bieden en van culturele instellingen die elkaars cliëntèle willen delen. Frieling: "In deze agglomererende werking van de economie en in brede zin de cultuur, zit volgens mij een belangrijk deel van de sleutel dat we compact willen bouwen, terwijl we toch genoeg grond hebben. Dit geldt in mindere mate voor het wonen, want er zijn niet zo veel mensen die stedelijk willen wonen. Nu is er nog een grote behoefte om juist landelijk te wonen, zeker gezien de korte afstanden waar wij in Nederland aan gewend zijn. Maar als al die verschillende agglomererende processen goed samenvallen, dan krijgt het stedelijk leven ook weer wat. Dan kun je even goed in de stad gaan wonen en een huisje in de Ardennen hebben, als elke avond naar het plaatsje op het platteland gaan. Want wat heb je daar te zoeken?! In die zin denk ik dat compact bouwen nog een hoge vlucht zal nemen." Integratie van functiesWaar de vraag groter dan het aanbod is, stijgt de prijs. De grondkosten gaan omhoog, terwijl de bouwkosten per vierkante meter toenemen naarmate gebouwen hoger worden. Het kan dan aantrekkelijk zijn om in samenhang met een stuk infrastructuur te bouwen, bijvoorbeeld boven autowegen of spoorlijnen, dus op grond die in feite 'niets waard' is. Professor Frieling vindt het in dit verband opmerkelijk dat meervoudig grondgebruik in Nederland grotendeels vanuit de civieltechnische hoek wordt ingevuld. Hij benadrukt het belang van gestapelde wegen en ondergrondse verkeerstunnels en opslagruimten, "maar de grap zit natuurlijk niet in de stapeling als technische opgave," zo zegt hij. "Die zit meer in de integratie van functies. We moeten als het ware ons die stapeling gunnen om tot een betere integratie van functies te komen." Frieling schetst bij wijze van voorbeeld de verkeerssituatie rond steden als Amsterdam en Rotterdam. Op de kruispunten van de stedelijke openbaar-vervoersystemen en de ringwegen rond de stad zou intensieve bebouwing kunnen ontstaan, met op elk kruispunt onder meer een transferium of wegstation. Tussen de verschillende wegstations, ook van de verschillende steden, zouden vervolgens taxisystemen kunnen worden gerealiseerd. Frieling: "Als de gemiddelde autobezetting van 1,2 naar 2,4 stijgt, wat we met taxi's van zes of acht plaatsen gemakkelijk bereiken, dan halveert dus het aantal auto's. Dan hoeven wij geen cent meer in de uitbreiding van het wegennet te steken. Ik chargeer, maar ik wil ermee aangeven dat zo'n maatregel heel wat meer zoden aan de dijk zet, dan op een bepaalde toevallige plek de weg niet boven het maaiveld maar in een tunnel aan te leggen. Als dat praktisch is moet je het niet laten, maar het zijn allemaal tamelijk lokale technische oplossingen van plaatselijke problemen. Ze zeggen eigenlijk niets over de werkelijke potentie van het meervoudig grondgebruik." Compact bouwen moet kortom een functionele bedoeling hebben en niet gestoeld zijn op een verondersteld tekort aan ruimte. "We moeten Nederland niet benaderen als een dichtbevolkt land, maar als een dunbevolkte stad," zo zegt Frieling tot slot. Verschenen in: Special Magazine van Revue Arts, 1997 Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl |