H. Grunstra, vice-voorzitter van de Bond van Nederlandse Architecten BNA (1997)

Een klassieke spanning voor het beste resultaat

In de bouwomzet zit gemiddeld 25% aan verlies in uren en materiaal. Dit komt voor rekening van de bouwer, maar de helft ervan moet op conto van de architect worden geschreven - zo bleek althans uit een onlangs gepubliceerd onderzoek. "Al is er maar de helft van waar, dan is het nog te veel. Het signaal dat ervan uitgaat en dat nu in de markt wordt gehoord, zal hoe dan ook invloed hebben op de relatie tussen architect en aannemer." Aldus ir. H. Grunstra, voorzitter van de sectie bureauzaken en vice-voorzitter van de Bond van Nederlandse Architecten BNA. Een gesprek met hem over de positie van de architect.

Afstemmingsverliezen, niet goed voorbereide stukken, onvoldoende informatie op de tekeningen: fouten van de architect die pas tijdens het werk worden ontdekt en die de aannemer vervolgens moet corrigeren om het product te kunnen leveren. Kleine bureaus maken fouten, soms doordat een specialisme of ervaring ontbreekt, en grote bureaus maken ook fouten, veelal door een gebrekkige communicatie en het niet correct overdragen van informatie. Neem een kwart van de bouwomzet en daar de helft van: dat is de schade volgens het onderzoek. "Deze onderzoeksuitkomst trekt een zware wissel op de positie van de architect," zegt Grunstra. "Voor het bouwbedrijf zal het een stimulans zijn om het ontwerp in eigen hand te nemen. Nu al zie je de trend, zeker in de woningbouw, dat het bouwbedrijf meer grip op de markt krijgt. De architect werkt ten dienste van de aannemer/ontwikkelaar en heeft geen relatie meer met de gebruiker, de woonconsument. Voor de woonconsument houdt dat het risico in dat het product nadrukkelijk wordt bepaald door het rendement dat gemaakt moet worden. Het zou weleens kunnen zijn dat daarmee een grote afstand ontstaat tussen wat de woonconsument wenst en wat de markt biedt. We hebben nu te maken met een overspannen onroerend-goedmarkt, de woonconsument accepteert bijna kritiekloos elk product dat op de markt moet worden gezet. Ik denk dat we die ontwikkeling moeten beheersen, omdat die zich anders straks tegen ons zal keren."

Hoogste relatieve kwaliteit

"De onafhankelijkheid van de architect is een groot goed, maar wordt vaak onderschat," vervolgt Grunstra. "Het is de bouwtraditie in Nederland dat de architect de vertrouwenspersoon is voor de opdrachtgever. Dit klassieke patroon wordt nu vaak doorbroken en ook voor de architect is het wel eens moeilijk om daarmee om te gaan. Toch hecht ik zelf heel sterk aan de klassieke spanning tussen de ontwerpende partij en de uitvoerende partij. Ik verwacht dat daardoor de hoogst mogelijke relatieve kwaliteit gewaarborgd is: het beste product voor het laagste budget. Omdat de ontwerpende partij de belangen van de opdrachtgever behartigt, probeert hij de gewenste kwaliteit voor de laagst mogelijke prijs in de markt te veroveren. Ik ben er daarom van overtuigd dat die klassieke spanning de hoogste uitkomst van de relatieve kwaliteit oplevert. Een architect in dienst van een bouwonderneming zal wellicht zijn onafhankelijkheid mogen behouden als het gaat om de esthetische invulling binnen zekere marges. Maar hij kan niet voorkomen dat de uitvoerende partij toch een maximalisatie van het rendement zal nastreven."

Professionaliteit

Ondertussen wordt het natuurlijk wel zaak dat de eerder genoemde afstemverliezen, in hoeverre die ook aan de architecten kunnen worden toegeschreven, zo veel mogelijk worden beperkt. Welke koers vaart de BNA daarbij? Grunstra legt uit dat het een oplossing in verschillende richtingen zal moeten zijn, gezien alleen al de pluriforme verschijningsvorm van 'de architect': de individuele estheticus, het kleine architectenbureau om de hoek met vooral ook een maatschappelijke en culturele betekenis, het middelgrote gespecialiseerde bureau en het internationaal opererende architectenbureau met tweehonderd man in dienst. "Als voorzitter van de sectie bureauzaken van de BNA moet ik rekening houden met de belangen van alle bureaus," aldus Grunstra, "van de grote bureaus, de middelgrote en ook de kleinere bureaus. Het is de kunst om van die omstandigheid zodanig afstand te nemen, dat je een koers kunt uitzetten waar alle architecten belang bij hebben. Want als ik bijvoorbeeld zeg dat professionaliteit middels schaalvergroting nodig is, dan doe ik tekort aan met name het grote aantal kleine bureaus. Toch lijkt het mij noodzakelijk dat wij als BNA uitdrukkelijk gaan werken aan de professionaliteit binnen de beroepsgroep. Voor de grote bureaus betekent dat een nadrukkelijk investeren in een proces van kwaliteitszorg en het voorkomen van afstemmingsproblemen binnen de organisatie. Voor de kleinere bureaus betekent het een zoeken naar onderlinge samenwerking en naar mogelijkheden om specialistische deskundigheid in te huren."

Zwaar weer

De architectenbranche kampt al jaren met zwaar weer. Uit bedrijfsvergelijkend onderzoek door de Vrije Universiteit van Amsterdam blijkt dat veertig procent van de bureaus verlies lijdt. "Een schokkende uitkomst," zegt Grunstra tot slot. "We zullen daarom, aan de opbrengstenkant, beter moeten onderhandelen en een hoger honorarium moeten bedingen. Daarnaast zullen we aan de uitgavenkant moeten proberen om tot meer efficiency te komen. Lees ook weer: de professionaliteit vergroten. Want wie professioneel is in zijn vak, doet zijn zaken efficiënter."

Verschenen in: Special Magazine van Revue Arts, 1997

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl