A.P. Buur, directeur van het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (1997)

Nog steeds een uitbreiding van de voorraad gewenst

In Nederland wordt jaarlijks voor zo'n 65 miljard gulden gebouwd. De bouwnijverheid is daardoor goed voor bijna 10% van het nationaal product. De bijdrage aan de werkgelegenheid is eveneens fors. De bouw biedt 340.000 manjaren werk bij bouwbedrijven en bouwinstallatiebedrijven en nog eens zo'n 100.000 tot 135.000 manjaren bij ontwerpers, toeleveranciers en dienstverleners. Hoe zal de economische positie van de bouw zich in de komende jaren ontwikkelen? Prof. drs. A.P. Buur is directeur van het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid in Amsterdam. Hij voorziet dat de bouwproductie ook op termijn groot en belangrijk blijft.

Het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid is een onderzoeksinstituut voor de bouw. Het verricht economisch en sociaal onderzoek op het gebied van arbeidsmarkt, bouwmarkt, arbeidsomstandigheden en prognoses voor de bouwproductie. "Ik verwacht," aldus professor Buur, directeur van het instituut, "dat de bouwproductie in de komende jaren in dezelfde orde van grootte zal zijn of misschien een paar procent meer. Het is geen bedrijfstak die zijn productievolume nog sterk ziet groeien en op termijn zal de positie binnen het totaal van het nationaal product misschien zelfs iets teruglopen. Maar dan nog blijft de bedrijfstak groot en belangrijk."

Demografisch en economisch

Buur legt uit dat vier factoren uiteindelijk bepalend zijn voor de vraag naar bouwproductie. Allereerst is dat natuurlijk de demografische ontwikkeling, de bevolkingsproductie. "En omdat er niet sprake is van een onstuimige groei zal de bouw daardoor niet voorop lopen met groeicijfers," aldus Buur. Vervolgens is de economische ontwikkeling van belang - waar de bouw zelf ook een bijdrage van betekenis aan levert. Professor Buur: "Een positieve ontwikkeling van de koopkracht, zowel bij de burgers als bij de bedrijven, zal met zich meebrengen dat eerder een vergroting van het bouwvolume optreedt. Men gaat dan meer kwaliteit vragen, meer vierkante meters en een betere uitrusting van gebouwen. Ook zal dan eerder sprake zijn van economische veroudering van gebouwen, waardoor op z'n minst herstel en verbouw en misschien wel vervanging gaat plaatsvinden."

Sociaal cultureel en technisch

De vraag naar bouwproductie wordt ten derde beïnvloed door de sociaal culturele ontwikkeling. Meer jongeren willen eerder het ouderlijk huis verlaten en ouderen moeten of willen langer zelfstandig blijven wonen. Daarnaast stijgt het aantal eenpersoonshuishoudens omdat financiële voorzieningen als de bijstandswet het de mensen makkelijker maken om een samenlevingsverband te verbreken. Verder zijn bijvoorbeeld de eisen aan verblijfsruimten zoals verzorgingshuizen en ziekenhuizen enorm opgewaardeerd, waardoor minder mensen meer ruimte vragen. Buur zegt: "Deze tendensen zijn economisch mogelijk, maar zijn ook een uiting van een sociaal culturele ontwikkeling. Het heeft natuurlijk enorme bouwkundige consequenties als daaraan gevolg wordt gegeven." Tot slot is er een beïnvloeding van de bouwbehoefte door de technische ontwikkeling. "Die technische ontwikkeling is eigenlijk een voorwaarde om de productie betaalbaar te houden," aldus Buur. "Het is nodig om met hetzelfde aantal handen meer te kunnen maken of met minder handen hetzelfde - en deze productiviteitsstijging moet door de techniek worden gerealiseerd."

Bestaande voorraad

De vraag naar bouwproductie kan niet simpel worden berekend door de vier bepalende factoren bij elkaar op te tellen. De markt van woondiensten bijvoorbeeld wordt in belangrijke mate bediend door de bestaande voorraad. Aan de ruim 6 miljoen woningen in Nederland worden er elk jaar 80.000 à 90.000 toegevoegd, dus zo'n 1½% per jaar. Deze toevoeging is voor de bouw belangrijk, maar in relatie tot de voorraad marginaal. Wel is er nog steeds een behoefte aan uitbreiding van de voorraad, doordat meer jongeren zelfstandig willen gaan wonen dan dat er mensen overlijden. Maar er komt een moment waarop de bevolkingssamenstelling evenwichtig is en er geen behoefte meer is aan een uitbreiding van het aantal woningen. Professor Buur: "Ditzelfde verhaal geldt voor de werkgelegenheid. Om iedereen in Nederland aan het werk te krijgen, zullen er in de komende jaren zo'n honderdduizend arbeidsplaatsen per jaar bij moeten komen. Om deze mensen een plek in een kantoor of een fabriekshal te geven, is voor veel van deze arbeidsplaatsen bouwproductie nodig. Op het moment dat er een stabiel arbeidsaanbod is, zijn de consequenties voor de bouwnijverheid enorm en zal de productie helemaal verschuiven naar vervanging en verbetering van de kwaliteit van gebouwen."

Trends

Professor Buur verwacht dat de marktverdeling tussen het groot-, midden- en kleinbedrijf in de bouw over een langere periode stabiel zal blijven. Wel zijn er nu aanzienlijk minder bouwbedrijven dan vijftien jaar geleden, maar nog steeds wordt zo'n 60% van de bouwproductie door het midden- en kleinbedrijf gerealiseerd. Belangrijke trends blijven volgens Buur, dat hoofdaannemers steeds meer werk uitbesteden aan gespecialiseerde onderaannemers en dat in toenemende mate bouwmaterialen zullen worden ingekocht. Een voorspelling van de vraag naar bouwproductie op langere termijn, zegt Buur niet te kunnen geven. Hij zegt tot slot: "Na de Tweede Wereldoorlog is er nog nooit zoveel gebouwd als in 1996. Steeds is er - met een paar conjuncturele inzinkingen - sprake geweest van een stijging van de bouwproductie. Hoe groot de vraag zal zijn over tien of twintig jaar, is niet te zeggen. Het enige dat ik zeker weet, is dat er dan ook nog veel gebouwd zal worden!"

Verschenen in: Special Magazine van Revue Arts, 1997

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl