L.C. Brinkman, voorzitter van het Algemeen Verbond Bouwbedrijf (1997)

Samenwerking en schaalvergroting, individualisering en investering

Bouwen aan de toekomst is de opdracht van Nederland. Bij de uitvoering daarvan zal een groot aantal ontwikkelingen bepalend zijn voor het uiteindelijke resultaat. Vier daarvan, benoemd met de trefwoorden samenwerking, schaalvergroting, individualisering en investering, werden voorgelegd aan mr. drs. L.C. Brinkman, voorzitter van het Algemeen Verbond Bouwbedrijf (AVBB) en J. Ravesloot, voorzitter van het Nederlands Verbond van Ondernemers in de Bouwnijverheid (NVOB). Een bijdrage over de visies van een bestuurder en een bouwer in een kort bestek.

Als het gaat om samenwerking met de partners in de bedrijfskolom, het eerste onderwerp, dan wordt er volgens Ravesloot "harder geroepen dan dat er pijn wordt geleden". Naar zijn mening wordt in de bouwwereld al heel redelijk samengewerkt - niet zelden daartoe gedwongen door de complexiteit van de huidige bouwprocessen. Brinkman wijst in dit kader op het frequente overleg tussen de diverse branche-organisaties, maar zegt er wel bij dat er nog een betere samenwerking mogelijk is, bijvoorbeeld op het gebied van opleidingen en het gebruik van informatietechnologie. Beiden constateren echter ook dat door te filosoferen over samenwerking, de praktijk op de bouwplaats niet mag worden verbloemd. Uiteindelijk wordt nog steeds de hoofdaannemer als eindverantwoordelijk beschouwd en is het nog steeds de bouwer die ervoor zorgt dat er een tastbaar product wordt gerealiseerd.

Steigers in plaats van dikke nota's

Over die eindverantwoordelijkheid zegt Ravesloot: "In Nederland is men gewend dat één partij, de hoofdaannemer, de verantwoording voor het hele bouwproces draagt. Op die structuur worden wel voortdurend aanvallen gedaan, met name door de toeleveranciers, maar eerlijk gezegd zijn wij daar niet bang voor. De opdrachtgevers willen gewoon niet anders, zeker niet wanneer ze naar de gang van zaken in het buitenland kijken. Iemand die daar een kantoorgebouw laat neerzetten, is daarna gelijk tien jaar ouder omdat hij zich echt tot in de details met het hele werk moet bemoeien." Brinkman benadrukt de tweede realiteit: het is de bouwer en niemand anders die zorgt dat er een werkelijk product komt. Hij zegt: "In een alsmaar complexer gebeuren is het op zichzelf begrijpelijk dat steeds meer partijen zich roeren in de fase van voorbereiding en ook bij de begeleiding van de uitvoering. Juist in die complexiteit is een goede regisseur extra nodig. Maar daarnaast moet in onze samenleving van praten, papier en procedures uiteindelijk ook iemand die brug, die woning of dat kantoor werkelijk neerzetten. Naar mijn gevoel krijgt dat uitvoerende een zekere herwaardering in de samenleving - de samenleving heeft behoefte aan mensen die op de steigers gaan staan in plaats van dikke nota's produceren."

Beloning voor verantwoordelijkheid

"Natuurlijk hebben we ook best een aantal zorgen - we moeten niet alleen de zonzijde tonen," vervolgt Brinkman. "Bouwen is ook een economisch proces, waar steeds meer mensen een boterham aan willen verdienen. Dat mag ook, maar we moeten opletten dat naarmate er meer spelers op dat terrein komen, er voor de bouwers per saldo aan het einde van de rit niet steeds minder overblijft. Bij verantwoordelijkheid hoort een redelijke beloning en de mensen in onze bedrijven, die het uitvoerende werk doen, moeten ook redelijk worden beloond!" En Ravesloot zegt: "Bedenk daarbij dat de andere partijen in de bouw bijvoorbeeld niets aan bouwkundige scholing doen. Het handhaven of verbeteren van het vaktechnische niveau in de bedrijfstak, of het aanpassen daarvan aan de gigantische technische vooruitgang in de bouwnijverheid in de afgelopen decennia, dat doet alleen de uitvoerende bouw."

Schaalvergroting versus individualisering

De schaalvergroting, het tweede onderwerp, is volgens Ravesloot een ingrijpende ontwikkeling bij uitstek - en hij heeft er bedenkingen bij. Hij zegt: "In VINEX-lokaties en bij grote infrastructurele werken springen een paar grote bedrijven bovenop de projecten. Die ontwikkelen de know-how en de rest staat na drie jaar 'in de lucht te kijken'. Want als die andere bedrijven dan nog eens bij zo'n opdrachtgever aankloppen, dan wordt gevraagd naar hun kennis van het gebied en wanneer ze daar voor het laatst iets hebben gebouwd. Voor de samenleving betekent het dat die beperkte groep het prijspeil gaat bepalen, dat het concurrentie-element minder wordt en dat de diversiteit in de bouw afneemt. Dat vind ik jammer." Brinkman laakt vooral deze afnemende diversiteit, omdat die niet strookt met de algemene maatschappelijke trend van individualisering. Hij zegt: "De individuele klant in dat grootschalige woningproject heeft wel degelijk behoefte aan een stukje individualiteit. Dat is de geest van deze tijd. Bij de stadsreconstructie geldt precies hetzelfde. Waar het om gaat is dat de één een net iets andere woning kan krijgen dan de ander. Daar komt bij dat tegenwoordig veel minder op de bouwplaats en veel meer in de beschutte werkplaats wordt geproduceerd. Ook daardoor heeft de individuele aannemer minder mogelijkheden om diversiteit in zijn producten te brengen. Door het grootschalige aanbod wordt hij in een bepaalde richting gedwongen en ook dat is in strijd met de individualisering. Onmiskenbaar zit daar een dreiging in waarop we een antwoord moeten formuleren. Ik denk dat we daar wel uitkomen, als tenminste degene die het dichtst bij de klant staat, dus de bouwer die het werk uiteindelijk levert, bestaansrecht houdt en de ruimte krijgt om een eigen invulling aan het werk te geven."

Goedkoop is duurkoop

Het trefwoord investeren verwijst naar de ontwikkeling om alsmaar goedkoper te willen bouwen in Nederland. Goedkoop is duurkoop, zo waarschuwt Brinkman, en hij wijst op de geweldige investeringen die nu nodig zijn om de na-oorlogse woningvoorraad aan de huidige kwaliteitseisen aan te passen. De neerwaartse spiraal van minder kwaliteit voor minder geld moet worden omgebogen, bijvoorbeeld door het eigen-woning-bezit te stimuleren. Hij zegt: "De mensen hebben voor hun eigen woning naar verhouding veel over en daarom is het verstandig om het eigen-woning-bezit te bevorderen. Natuurlijk moet de politiek er wel voor zorgen dat het interessant blijft om een eigen huis te hebben en moet er niet telkens opnieuw worden gediscussieerd over onroerende-zaak-belasting, aftrek van hypotheekrente en dergelijke. De politiek moet juist uitstralen, en daar maatregelen voor treffen, dat een eigen huis een veilige belegging is en dat het interessant is om daar wat extra geld in te stoppen. Een tweede punt is, dat ook voor de sociale woningbouw enorme kapitalen nodig blijven. De gemeenschap moet daarom toch kunnen verwachten dat er in ieder geval casco's worden gebouwd die de jaren kunnen doorstaan. Daarbinnen kan dan met de tijdsgeest of met de individuele opvattingen worden gewisseld, en daar kan dus ook een verschuiving plaatsvinden van collectieve naar individuele financiering, maar ga in ieder geval niet bezuinigen op de degelijkheid van het casco." Ravesloot onderschrijft deze stellingname van harte. Hij zegt tot slot: "Het is een onderhuids gevaar in de Nederlandse samenleving dat men snel de modetrends wil kunnen volgen en daarom maar goedkoper gaat bouwen. Daar komt bij dat tegenwoordig iedereen zo nodig een universitaire opleiding wil volgen en we dus bijna geen bouwvakkers meer hebben. Als we dit gevaar niet onderkennen en vroegtijdig ondervangen, dan komen er over een jaar of wat duwbakken de Rijn af met plaatstalen geperste huisjes bij Krupp vandaan, stapelbaar en schakelbaar. Neem maar van mij aan dat de samenleving daar echt niet op zit te wachten!"

Verschenen in: Special Magazine van Revue Arts, 1997

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl