G.H.M. Vaalt, voorzitter van het LSUW en van de FKB (1992)

Bundeling van krachten om voortbestaan te verzekeren

In januari 1991 is er een nieuw samenwerkingsverband in het uitvaartwezen tot stand gebracht: het Landelijk Samenwerkingsverband van Uitvaartinstellingen zonder Winstoogmerk (LSUW). In het LSUW zijn drie overkoepelende federaties verenigd, met behoud van hun eigen identiteit: de landelijk opererende Federatie van Katholieke Begrafenisinstellingen, de Federatie van Uitvaartverenigingen in Friesland en de Drentse Bond van Uitvaartverenigingen. Het LSUW vertegenwoordigt hierdoor ruim 360 uitvaartinstellingen met in totaal meer dan 600.000 leden. "We hopen dat in Den Haag ook voor ons de macht van het getal zal gelden!" Aldus de voorzitter van het LSUW de heer G.H.M. Vaalt, tevens voorzitter van de FKB, en het LSUW-bestuurslid de heer J. Plat, tevens secretaris van de Federatie van Uitvaartverenigingen in Friesland. Voor Partners hadden we een gesprek met hen over de doelstellingen en de werkwijze van het LSUW.

Het LSUW is in beginsel eenzelfde organisatie als het Nederlands Verbond van Uitvaartverenigingen (NVU). Binnen de twee organisaties wordt echter verschillend gedacht over enkele zaken ten aanzien van de praktische bestuurlijke invulling. Daarom is ervoor gekozen om voorlopig los van elkaar te werken. Niettemin zijn de vertrekpunten gelijkluidend: het gaat erom de belangen te behartigen van de uitvaartinstellingen in Nederland die hun werk doen vanuit ideële in plaats van commerciële motieven.

Macht van het getal

Een verdergaande bundeling van krachten was voor die belangenbehartiging meer dan noodzakelijk. De heer Vaalt: "De ontwikkelingen in het uitvaartgebeuren hebben ons natuurlijk aan het denken gezet. Vandaaruit hebben we besloten om met gelijkgerichte partners iets op tafel te krijgen wat zekerheid kan verschaffen omtrent het voortbestaan van de ideële uitvaartinstellingen. Dit is het vertrekpunt geweest van het LSUW. We willen de belangen behartigen van de drie aangesloten organisaties en dus ook van de daarbij aangesloten verenigingen. De plaatselijke verenigingen zijn vaak niet goed in staat om dat zelf te doen. Vandaar ook dat ze al verenigd waren in een federatieverband. De drie federaties hebben nu gezegd: samen kunnen we nog meer betekenen voor onze verenigingen." De heer Plat: "De plaatselijke verenigingen en de afzonderlijke federaties maken in Den Haag geen indruk. Daar spreekt namelijk de macht van het getal. Daarom hebben we onze krachten gebundeld, om in Den Haag met de hand op het hart te kunnen zeggen dat we een hele brede maatschappelijke basis vertegenwoordigen."

Ideële en culturele motieven

Indruk maken in Den Haag betekent in dit kader vooral een krachtig ander geluid laten horen, dan vanuit de wereld van de uitvaartondernemers klinkt. De heer Plat betoogt dat overheden en ook regelgevende instellingen als de Verzekeringskamer, te weinig openstaan voor de ideële en culturele motieven van de plaatselijke uitvaartverenigingen. "In Den Haag denkt men vooral aan de ondernemerswereld," zo zegt hij. "Natuurlijk heeft de ondernemerswereld binnen ons maatschappelijk leven ook bestaansrecht. Wij zullen de laatsten zijn die een poging zullen ondernemen om de ondernemerswereld dat bestaansrecht te ontnemen. Wij respecteren de uitvaartondernemingen - wij zeggen alleen: respecteer ons ook! Wij geven de ondernemingen de ruimte, maar wij willen die ruimte ook van hen. Laat ieder vanuit zijn eigen optiek te werk gaan. Wij vinden dat het verzorgen van uitvaarten niet in de concurrentiesfeer hoort, daar is dat werk te piëteitvol en te stijlvol voor. Onze verenigingen werken op kostenbasis en wij menen dat wij niet mogen verdienen aan het verzorgen van uitvaarten. Dat is ons standpunt en het LSUW probeert daar voldoende aandacht voor te krijgen."

Noabers

De verenigingen gunnen de ondernemers de ruimte, maar die ruimte mag volgens het LSUW natuurlijk niet te groot en daardoor verstikkend voor de verenigingen worden. De heren Vaalt en Plat vinden wat dat betreft de huidige, enorme concentraties in de ondernemerswereld bedreigend voor de plaatselijke verenigingen. De heer Vaalt: "Neem bijvoorbeeld de gemeente Hengelo, een grote gemeente die niet één begrafenisvereniging meer kent. Vroeger waren die er wel, maar ze zijn allemaal weggedrukt door de commercie, in rook opgegaan. Wie geeft nu nog tegengas bij tariefsverhogingen door overheid en instellingen? Wel zijn er in Twente nog veel 'lijkwagenverenigingen', die na een overlijden hun diensten aanbieden. Het dragen van de kist en allerlei zaken rondom de begrafenis of de crematie worden daarbij zoveel mogelijk gedaan door de 'noabers', de mensen die in de buurt wonen. Dat gebeurt vanuit medemenselijkheid en dat is een aspect wat voor ons heel hoog in het vaandel staat. Daar wordt nooit met zoveel woorden in de krant over geschreven. En onze verenigingen kunnen natuurlijk niet op tegen de grote dure reclames van de commerciële instellingen op televisie en in de dagbladen. Juist daarom ook ligt er voor ons een uitdaging om die culturele normen en waarden die men op het platteland en in de kleinere plaatsen nog kent, zo sterk mogelijk te profileren en om daarvoor begrip te vragen bij de overheid. En dat is heel erg moeilijk!"

Toezicht Verzekeringskamer

Zoals gezegd valt het de ideële uitvaartinstellingen vooral moeilijk om hun belangen effectief onder de aandacht van de regelgevers te brengen, omdat bij het opstellen van regels, voorschriften en bepalingen met name vanuit het perspectief van de ondernemer wordt gedacht. Een sprekend voorbeeld in dit verband is de Wet Toezicht Verzekeringskamer, waarvoor momenteel wijzigingen worden voorbereid. In dat kader is de minister van financiën geadviseerd om alle uitvaartinstellingen onder toezicht te stellen van de Verzekeringskamer. Natuurlijk zijn er grote vraagtekens te plaatsen bij dit voornemen. De ideële uitvaartinstellingen, die hun diensten zonder winstoogmerk bekostigen uit de contributie van de leden, zouden daardoor immers een etiket opgeplakt krijgen als behorend tot het verzekeringswezen.

Vestigingswet

Een ander voorbeeld betreft het voorgenomen besluit op de Vestigingswet en de in dat verband verplicht gestelde opleiding tot uitvaartverzorger. De heer Plat: "Deze opleiding kost op dit moment 1300 gulden. Er zijn verenigingen die per jaar maar één uitvaart verzorgen. Moet je nu de uitvaartleider van zo'n vereniging belasten met een opleiding die 1300 gulden kost, terwijl de man het al jaren in de praktijk prima doet? Ons bezwaar is bovendien dat deze opleiding van de STIVU (Stichting Vakexamen Uitvaartverzorging - red.) ook weer zeer sterk gericht is op het ondernemer zijn. Je moet een boekhouding kunnen voeren, je moet correspondentie kunnen voeren, je moet verstand hebben van de sociale wetten, enzovoort. Wat ons betreft zijn dat zaken die het bestuur van een vereniging moet beheersen, terwijl de uitvaartleider ervoor moet zorgen dat de uitvaarten in de praktijk goed worden uitgevoerd. Natuurlijk onderschrijven wij de vakbekwaamheidseisen - alleen hebben wij geen boodschap aan het ondernemersgedeelte van de opleiding. Daarom willen wij dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen de uitvaartverzorgers die voor eigen rekening en verantwoording werken, de ondernemers dus, en de uitvaartleiders die in opdracht van een vereniging werken en niet financieel maar alleen praktisch aansprakelijk zijn. Het is één van onze opdrachten om dit onderscheid bij de overheid met verve te verdedigen."

Interne activiteiten

Het LSUW grijpt niet alleen deze externe belangenbehartiging aan, maar onderneemt ook interne activiteiten die het belang van de aangesloten verenigingen moeten dienen. Een voorbeeld daarvan is het voorstel -een voorstel dat in de diverse algemene ledenvergaderingen in het voorjaar zijn beslag moet krijgen- om voor elkaar uitvaarten te gaan verzorgen. Het kan dan voorkomen dat de uitvaart van een in Maastricht overleden lid van een Drentse uitvaartvereniging, door een Maastrichtse instelling van de FKB wordt verzorgd, waarna de Drentse vereniging de nota bij de nabestaanden indient. Nu nog komt zo'n regeling zelden voor en wordt de uitvaart uitbesteed aan de eerste de beste uitvaartonderneming in de telefoongids. Een voorwaarde voor de uitvoerbaarheid van het voorstel is, dat de uitvaartinstellingen over een goed adressenbestand beschikken en daarom wordt daar op dit moment hard aan gewerkt. Een vraag in dit verband is, of een katholieke begrafenisinstelling niet geheel anders te werk gaat dan een Drentse, bijvoorbeeld hervormde uitvaartvereniging? De heer Plat: "Qua uitvoering van de uitvaart wel, maar voor al onze organisaties staat voorop dat de familie van de overledene het hoe en het wat rondom de uitvaart bepaalt. Alle organisaties passen zich daarbij aan en gaan te werk conform het wensenpakket van de familie."

Mensen uit de praktijk

Het LSUW bestaat nu ruim een jaar. Het eerste jaar, 1991, is vooral een jaar geweest van voorbereiding, inventarisatie en probleemanalyse. Het bestuur van het LSUW bestaat uit zes personen: twee afgevaardigden per aangesloten organisatie. Op dit moment wordt door deze bestuursleden in werkgroepjes van twee leden gewerkt aan drie onderwerpen: de Wet Toezicht Verzekeringskamer, het voorgenomen besluit op de Vestigingswet (inclusief de STIVU-opleiding) en de Wet op de Lijkbezorging, "die voor geen meter werkt," aldus de heer Plat. Ook wordt nog gewerkt aan de officiële status van het samenwerkingsverband. Het is de opzet om er een vereniging van te maken, omdat daarmee in onderhandelingssituaties een betere uitgangspositie wordt ingenomen. De heer Vaalt: "We willen er geen zware bestuurlijke organisatie bovenop plaatsen. We vinden dat de contacten rechtstreeks moeten blijven. Aan de andere kant moeten we een goede basis leggen voor degenen die na ons komen, want wij hebben ook niet het eeuwige leven. Maar omdat de organisatie nog in de kinderschoenen staat, hebben we wat tijd nodig om te beoordelen hoe we praktisch het beste kunnen werken. We vinden het in ieder geval van heel groot belang, dat de bestuursleden van het LSUW ook deel uitmaken van een plaatselijke vereniging. Omdat je dan met mensen uit de praktijk werkt, die voeling hebben met de achterban."

Virus

Het LSUW werkt zonder beroepskrachten en de bestuursleden zien hun taak als een vrijetijdsbesteding. Toch vormt hun werk geen geringe opgave! In 1991 bijvoorbeeld was de heer Vaalt alleen al voor het LSUW eenendertig dagen van huis. Natuurlijk komt daar nog eens de nodige voorbereidingstijd bij voor het bestuderen van stukken en het analyseren van problemen. De heer Plat tot slot: "Je doet het als hobby, maar het begint steeds meer een professionalisme te worden. Dat komt doordat je dit virus nooit meer kwijtraakt als je er eenmaal mee besmet bent!"

Verschenen in: Partners, 1992

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl