H.H.F. Wijffels, voorzitter van de Sociaal Economische Raad (2002)

Over de zegeningen van de vergrijzing en de robuustheid van het pensioenstelsel

Dr. H.H.F. Wijffels, voorzitter van de Sociaal Economische Raad, verzorgde een inleiding tijdens het ABP Rendez-vous, de jaarlijkse ontmoetingsdag met opdrachtgevers en overige relaties van ABP. Aanvullend hadden we een gesprek met Herman Wijffels voor ABP Wereld. Zijn onderwerp was de vergrijzing van de Nederlandse samenleving en de robuustheid van het Nederlandse pensioenstelsel. Hieronder zijn de opvattingen en aanbevelingen van Wijffels samengevat, in vier parten en met aanvullende notities in kaders.

Vergrijzing: prikkel tot duurzaam beleggingsbeleid

Momenteel zijn in Nederland ongeveer 2 miljoen mensen ouder dan 65 jaar. Dat is 13,5 procent van de bevolking. De demografische verwachting is dat in 2040 dit aantal tot zo'n 4 miljoen mensen zal zijn opgelopen. Dat is dan bijna een kwart van de bevolking. Dit betekent dus een hele andere samenstelling van de bevolking in 2040. Dit is overigens niet een puur Nederlands fenomeen. Vrijwel alle EU-landen komen uit op circa 20 procent ouderen in 2020. Amerika blijft daar iets bij achter, Japan komt er beduidend boven en Afrika, Azië, Zuid-Amerika en eigenlijk alle ontwikkelingslanden komen onder de 10 procent uit.

Het is dus duidelijk wie er straks voor onze pensioenen zullen moeten werken. Onze pensioenbesparingen kunnen we immers het beste investeren in de landen met een laag percentage vergrijzing. Voor de wereldgemeenschap ligt er in die zin een opgave om de omstandigheden in de wereld zodanig te veranderen, dat we deze landen rijp maken voor de mogelijkheid om er onze pensioenbesparingen op een betrouwbare en progressieve manier te investeren. Een duurzame economische, sociale en ecologische ontwikkeling betekent immers, hoe je het ook wendt of keert, dat er meer moet worden geïnvesteerd in de 'jonge' landen en dat wil vooral ook zeggen de landen met de grootste bevolkingsaantallen en de grootste bevolkingsgroei. Voor wie de zorg heeft voor de inkomens van mensen die straks zelf geen inkomen meer verwerven, zoals ABP, is het een belangrijke uitdaging om daar beleggingen en investeringen te vinden waardoor die toekomstige inkomens veilig worden gesteld.

Het is voor de wereld een van de grootste uitdagingen om de voorwaarden te creëren waaronder economische en sociale ontwikkeling in de ontwikkelingslanden kan plaatsvinden. Dat is ook de grote opdracht van het project duurzame ontwikkeling dat recentelijk nog eens uitvoerig in Johannesburg is besproken. Armoedebestrijding en ecologische duurzaamheid zijn de twee grote doelstellingen die daar zijn geformuleerd. Simpelweg komt het er toch op neer, dat we de enorme bevolkingsmassa in de derde wereld via investeringen in staat moeten stellen om het welvaartspeil te verbeteren. Het geld daarvoor is in de ontwikkelde wereld in grote hoeveelheden voorhanden. In het ontwikkelde deel van de wereld is er zelfs een relatieve kapitaalovervloed, waardoor het geld moeite heeft om zinvolle en goed renderende bestemmingen te vinden. Natuurlijk trekt de conjunctuur wel weer aan, maar iedere keer weer wordt er opnieuw kapitaal gevormd en het is niet waarschijnlijk dat er voor al dat kapitaal in de ontwikkelde landen nog emplooi zal zijn te vinden. Vanuit die optiek gezien is er al volop aanleiding om voor dat geld ook elders in de wereld een bestemming te vinden. En vanuit de andere kant geredeneerd: juist in die ontwikkelingslanden is dat geld natuurlijk ook het hardste nodig. Er is daarom een gecoördineerde inspanning nodig om ervoor te zorgen dat in de ontwikkelingslanden de voorwaarden waaronder veilig kan worden geïnvesteerd, gaandeweg verbeteren. In veel opzichten laat dat nu nog te wensen over. Je hebt vaak te maken met slechte 'governance', dus met regeringen die hun werk slecht doen, met corruptie, een gebrekkige infrastructuur, onvoldoende distributie van geld via het bankwezen enzovoort. Er moet daarom eerst heel breed en heel hard worden gewerkt aan het verbeteren van het bestuur en aan het verbeteren van de basisvoorzieningen die economische ontwikkeling mogelijk maken. Dat is de weg die we te gaan hebben.

Ik vind dat een instelling als ABP hierin ook een verantwoordelijkheid heeft. Wie zijn beleggingsbeleid in het perspectief van duurzame ontwikkeling wil plaatsen - en het is mijn opvatting dat men dat moet doen - moet ook met sociale en ecologische overwegingen rekening houden. Wel zeg ik erbij, dat het de primaire verantwoordelijkheid van ABP is om te zorgen dat er een goed pensioen komt. Als de voorwaarden in de derde wereld er niet naar zijn om dat te kunnen veiligstellen, dan mag je van een pensioenfonds niet verwachten dat het daar toch die verantwoordelijkheid waarmaakt, als het ware tegen beter weten in en ten koste van de pensioenen. Op zichzelf echter past het in de verantwoordelijkheid van een groot pensioenfonds om zich ook op dat terrein in te spannen en om zich niet alleen met de kwaliteit van het bestuur van grote ondernemingen te bemoeien, maar om ook te kijken hoe het op een goede manier kan bijdragen aan de ontwikkelingen en de verbeteringen van het bestuur in opkomende landen.

Vergrijzing: positief en uitdagend

Nederland keert in de komende decennia naar een situatie terug die in de jaren vijftig en zestig ook al bestond, namelijk dat zo'n 85 à 90 procent van onze totale bevolking tot het niet potentieel actieve deel van de bevolking behoort. Een verschil is wel, dat in de jaren vijftig en zestig het overgrote deel daarvan uit jeugdigen bestond en dat in de loop van de eerste helft van deze eeuw de niet potentieel actieven slechts voor de helft uit jongeren zal bestaan en de andere helft uit ouderen. Ook in dat opzicht zal de samenstelling van onze bevolking dus zeer veranderen.

Bovendien blijkt uit berekeningen van het ministerie van Financiën, waarbij de inkomens van boven-de-65-jarigen werden vergeleken met de inkomens van onder-de-65-jarigen, dat de inkomenspositie van de ouderen aanzienlijk verbetert. Volgens deze berekeningen zullen boven-de-65-jarigen in 2020 een inkomen hebben dat met 93 procent nauwelijks achterblijft bij het gemiddelde inkomen van de hele bevolking. Dat inkomen zal dan gemiddeld 2,3 maal het sociaal minimum zijn en zo'n 80 procent van het inkomensniveau van de dan werkenden. Als dat waar is, gaat er definitief een streep door het nog steeds bestaande 'is gelijk'-teken tussen 'oud' en 'arm'. Een aantal van de voorzieningen in onze samenleving is echt gebaseerd op 'oud is arm'. Sommigen denken er ook nog bij: 'zielig', maar ook dat is niet het geval. Ouderen moeten bepaald niet als probleemgevallen worden gezien. In zijn algemeenheid praten we over vergrijzing als een probleem. Ik vind dat onterecht. Ik vind dat we de maatschappelijke optiek van waaruit we naar de vergrijzing kijken, positiever zouden mogen invullen.

Vergrijzing moeten we als een positieve ontwikkeling zien. Het feit dat we langer in goede gezondheid kunnen leven, moet op zichzelf als vooruitgang worden beschouwd. Dat aspect moeten we vooropstellen. Het is niet evenwichtig om vergrijzing alleen als een probleem - en dan primair als een financieel probleem - te behandelen. Laten we in ieder geval onze zegeningen op dat punt tellen. Maar ook overigens zijn er positieve kanttekeningen bij het fenomeen vergrijzing te plaatsen. Een sterk groeiende bevolking duidt op een geboorteoverschot en dus heb je dan een jonge bevolking. Een stabiliserende bevolking duidt erop dat de reproductiegraad niet meer wordt gehaald en dus heb je dan een vergrijzende bevolking. In sommige West-Europese landen wordt de reproductiegraad nu al niet meer gehaald. In Duitsland en Italië bijvoorbeeld ligt het geboortecijfer onder het reproductieniveau. Vanuit ecologische optiek zijn daar positieve elementen in te ontdekken. Want hoe je het ook wendt of keert, er is een spanning tussen de bevolkingsomvang en de levensstijl aan de ene kant en het draagvermogen van de aarde aan de andere kant. Een van de manieren om dat in evenwicht te krijgen, is om de bevolkingsomvang op termijn te stabiliseren. In Europa zijn we daar nu aan toe en op zich is dat een positieve kanttekening bij de vergrijzing.

Een groeiende beroepsbevolking is een van de bepalende factoren voor economische groei. Als je vindt dat economische groei de zin van het bestaan is, zul je vergrijzing daarom als iets negatiefs zien. Ik behoor echter niet tot degenen die de toename van het bruto nationaal product als een centraal doel van het leven stelt. Het gaat toch in de eerste plaats om een menswaardig en een zinvol bestaan. Vanuit die optiek moeten we dus niet over de vergrijzing klagen, maar moeten we zorgen dat mensen in die evoluerende omstandigheden menswaardig en zinvol kunnen blijven leven. Dat is waar het over gaat.

Vergrijzing heeft dan ook een aantal consequenties voor de inrichting van onze samenleving - dat staat buiten kijf. Doorgaans wordt hier vanuit een financiële optiek over gediscussieerd. En natuurlijk ontstaat er door de vergrijzing een zekere druk op de publieke financiën, maar als we daar verstandig mee omspringen, dan moet dat te 'handlen' zijn. Ik denk dat het vooral heel belangrijk is, dat we goed kijken naar wat vergrijzing betekent voor de culturele en institutionele inrichting van onze samenleving. Allerlei voorzieningen en arrangementen die we in onze samenleving hebben, zullen we moeten veranderen, om ze te passen in een samenleving waarin een fors deel van de bevolking ouder is. Het onderwijs is daar een voorbeeld van. Vergrijzing betekent minder onderwijs aan jeugdigen, want daar zijn er verhoudingsgewijs veel minder van dan vroeger, en meer onderwijs aan een gemiddeld ouder wordende beroepsbevolking, om die te helpen bij te blijven in allerlei nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de kennissamenleving en de kenniseconomie. 'Een levenlang leren' is het thema daarbij. Ook het zorgstelsel zal zich naar die nieuwe samenstelling van de bevolking moeten voegen. We zullen daarnaast moeten kunnen inspelen op veranderingen in woonbehoeften. Er zit een enorme discrepantie tussen de huidige woningvoorraad en de toekomstige woonbehoeften. Veel van de huizen die we zelfs nu nog bouwen, zijn typische gezinswoningen, terwijl we straks een enorme toename krijgen van de behoefte aan woningen waarin ouderen op een comfortabele manier kunnen wonen. Nog een punt is het inkomensbeleid. We moeten toe naar een stelsel van inkomensvoorzieningen waarin de middelen echt terechtkomen waar een tekort is. In dit land gaat nog veel te veel geld naar adressen waar het eigenlijk niet nodig is. Een van de instrumenten waarmee we dat kunnen bereiken, is de manier waarop we in het huidige belastingstelsel heffingen en kortingen toepassen. Degenen die deze vroeger hebben ingevoerd, zo begrijp ik, hebben daar grote moeite mee, maar ik vind dat we daar echt gebruik van moeten maken.

Het pensioenstelsel: relatief robuust

Ons pensioenstelsel bestaat uit drie pijlers, met de AOW als basis en daarbovenop de aanvullende pensioenen via fondsen zoals het ABP en ook nog de individuele mogelijkheden om aanvullend te sparen. In ons stelsel ligt meer dan in de meeste andere landen het accent op sparen. De meeste andere landen hebben een omslagstelsel. In Europa wordt daar veel over gesproken, ook op een ideologische manier, of zo'n omslagstelsel wel houdbaar is en of het in de komende periode al of niet met meer spaarelementen moet worden aangevuld. In zuidelijke landen hoor je daarentegen vaak de stelling, dat de toekomstige pensioenen in ons stelsel afhankelijk van het spel op de beurzen en de financiële markten zouden zijn. Het zou daardoor een 'casino-element' in zich krijgen. Ik denk echter, dat dit met enige aanpassingen bepaald goed is te ondervangen. Bovendien zou ons stelsel, waarvan wij denken dat het superieur is aan het omslagstelsel, niet solidair zijn. De solidariteit zou in ons pensioenstelsel onvoldoende tot haar recht komen.

Het Nederlandse pensioenstelsel noem ik relatief robuust. Het is robuust omdat het overgrote deel van onze pensioenfondsen, ondanks de geweldige neergang van de financiële markten, toch nog behoorlijk stevig is gefinancierd. Maar het is ook kwetsbaar en daar zullen we dus ook naar moeten kijken. In de eerste plaats wordt, hoe je het ook wendt of keert, in de financieringswijze van onze pensioenen een behoorlijk stevig beroep op de collectieve middelen gedaan. Niet alleen financieren we de AOW uit de collectieve middelen, maar ook de voorfinanciering van de besparingen in de tweede en de derde pijler vindt in feite met een belangrijke bijdrage vanuit de schatkist plaats. Pensioenpremies zijn immers aftrekbaar, hetgeen betekent dat de staat ruwweg gesproken vijftig procent van de totaal verschuldigde pensioenpremie voorfinanciert. Een tweede element is dat we, zoals we de zaken nu hebben gedefinieerd, te maken hebben met een vrij snelle stijging van het aantal jaren dat mensen na hun actieve periode inactief zijn. Dat mes snijdt in zekere zin aan twee kanten, want onze effectieve pensioenleeftijd is in de afgelopen jaren steeds lager komen te liggen en het aantal jaren dat mensen daarna nog leven, is fors omhooggegaan. Er zijn dus steeds meer mensen gekomen die gedurende vijfentwintig of zelfs dertig jaar van hun pensioen genieten. Ook dat is een relatieve kwetsbaarheid van ons pensioenstelsel. Een derde punt betreft de wisselende beleggingsopbrengsten in deze tijd versus de grotendeels vaste verplichtingen. De beleggingsopbrengsten zijn in niet geringe mate van sentiment afhankelijk - zoveel is in de afgelopen tien à vijftien jaar wel gebleken. Koersen konden tot zeventig of tachtig maal de winst oplopen, waarbij men de illusie had dat daardoor ook echte waarden werden vertegenwoordigd. Nu wordt dat flink gecorrigeerd en staat de wereld weer met beide voeten op de grond. Tegenover die beweging staan de vaste verplichtingen die bij het eindloonsysteem horen en dat alles leidt dus tot fluctuerende premies. En fluctuerend nog wel in die zin, dat ze procyclisch werken. Want werden de premies in de jaren negentig, toen de bomen tot in de hemel leken te groeien, verlaagd, nu moeten ze weer omhoog, terwijl we in de omgekeerde situatie terecht zijn gekomen en sommige fondsen met tekorten zijn komen te zitten. Premieverhoging legt een beslag op de loonruimte en daarmee op de koopkracht, maar ook op de budgettaire ruimte, omdat hogere premies via een achterdeur weer vanuit de collectieve middelen mede worden voorgefinancierd.

De vraag is nu of we niet zouden moeten kijken naar, wat ik noem, opties voor verdere versteviging van ons pensioenstelsel. Een punt waar al vaker over is gediscussieerd, is dat we in plaats van het fictieve AOW-fonds dat we nu hebben, een echt AOW-fonds moeten maken, waarin we dus geld storten en dat gaan beleggen, zodat we uit die middelen straks een deel van de AOW-verplichtingen kunnen oppakken. Ik denk overigens dat deze optie, in het licht van de huidige situatie op de financiële markten, inmiddels misschien iets minder aantrekkelijk is geworden. Een tweede optie die mijns inziens serieus in beschouwing moet worden genomen, is de verhoging van de effectieve pensioenleeftijd. Deze lijn is op zekere hoogte al ingezet. Door het afschaffen van VUT-regelingen of het omzetten daarvan in prepensioneringsregelingen zijn we al een beweging aan het maken waardoor de tendens van vroeger uittreden tot stilstand is gekomen. De opmaat voor de komende periode is om die beweging echt om te keren en om uiteindelijk, als de sterftetafeltabellen verder naar boven moeten worden bijgesteld, misschien toch te overwegen of ook de effectieve pensioenleeftijd gaandeweg nog iets naar boven kan worden bijgesteld. Het lijkt me geen populair onderwerp, maar in het licht van wat zich voordoet, is het misschien toch een beweging die we in de toekomst zouden moeten maken. Een derde optie ter overweging - en mij lijkt dat deze optie nadrukkelijk zal moeten worden overwogen om ons stelsel werkelijk robuust te maken - is om in Nederland van het eindloonstelsel af te stappen en om dat door het middelloonstelsel te vervangen. Afhankelijk van de verschijningsvorm ervan - onder meer of er wel of geen indexering wordt toegepast - is een voordeel daarvan dat de premies veel stabieler zijn. Want in feite spreek je als basisgedragslijn af, dat een bepaald percentage van het loon elk jaar in het pensioenfonds wordt gestopt, waarna je met de opbrengsten van de besparingen de opbouw van de toekomstige pensioenen gaat veiligstellen. Een van de consequenties daarvan is dan, dat je geen 'back service'-verplichtingen meer hebt zoals het in het huidige stelsel het geval is. Nog een andere consequentie is dat daarmee de 'omgekeerde solidariteit' uit het pensioenstelsel wordt gehaald.

Naar mijn idee zit in ons pensioenstelsel meer solidariteit dan in de huidige maatschappelijke context nog passend is. De mate van solidariteit die er nu in zit, kan op termijn tot een gebrek aan draagvlak leiden. Ik heb het dan vooral over het element van de 'omgekeerde solidariteit' in het eindloonstelsel, dus de solidariteit van laag- en modaalbetaalden met hogerbetaalden. Dat element versterkt het draagvlak van het pensioenstelsel natuurlijk niet. Wat mij voor ogen staat, laat daar geen misverstand over bestaan, is een pensioenstelsel met een omvangrijke tweede pijler waarin solidariteit, dus het gezamenlijk risico's lopen, een belangrijke rol moet spelen. Maar vervolgens moet daarbinnen ook een beweging zichtbaar zijn, waarbij datgene wat mensen aan premie hebben betaald, gewoon in hun pensioenrechten is terug te vinden. De omgekeerde solidariteit in het eindloonstelsel vind ik bedreigend en daarom pleit ik voor het middelloonsysteem. Dit middelloonsysteem moet vanzelfsprekend in belangrijke mate blijven voldoen aan de eis dat het een behoorlijk inkomen oplevert voor wie met pensioen gaat. Via het middelloon zal dat inkomen dus net als de meeste pensioenen nu, voor wie een vol leven heeft gewerkt, ook op zestig à zeventig procent van het eindloon moeten uitkomen. Nog een voorwaarde aan het middelloonsysteem moet zijn, dat het zodanig zal moeten worden vormgegeven dat het in staat is om de inflatie bij te lopen.

Geen paniek!

Hoe nu op de huidige situatie, met sterk dalende aandelenkoersen en al of niet aanwezige technische tekorten bij pensioenfondsen, te reageren? Ons pensioenstelsel bewijst in de huidige omstandigheden dat het behoorlijk robuust is, maar toch niet zo robuust dat we rustig achterover kunnen leunen. Zeker voor de langere termijn, maar ook voor de kortere termijn, zijn er echt wel maatregelen nodig. Voor de kortere termijn sluit ik me aan bij degenen die in de afgelopen tijd hebben geroepen: geen paniek. Paniek is nergens goed voor - ook niet om eventuele tekorten in de pensioenfondsen op te lossen. Op dit moment is er sprake van een tekort van ongeveer 23 miljard euro. Mocht men dat binnen een jaar zouden moeten wegwerken, wat toch eigenlijk de suggestie van de Pensioen- & Verzekeringskamer is, dan zou dat een enorme premieverhoging en wellicht ook een inbreuk op de indexering betekenen. Ik denk dat zowel het een als het ander ongewenst is. Inbreuk op de indexering creëert grote onzekerheid bij degenen die zo lang op een zekere mate van waardevastheid van het pensioen hebben vertrouwd. Dat vertrouwen zou worden geschaad en dat blijft daarom heel lastig. Al te forse premieverhoging zou een enorme knauw betekenen in de koopkrachtontwikkeling van de lonen en zou daardoor ook flinke consequenties hebben voor de openbare financiën, waarmee een en ander wordt verrekend. Premieverhoging zou daardoor een sterke procyclische impuls zijn, in negatieve zin, in de toch al kwakkelende economie. Ik zou daar heel voorzichtig mee zijn.

Misschien is het goed om in dit verband ook nog eens de positie van het SER-advies over pensioenen helder te maken. Daarin is gesteld dat voor de pensioenen een dekkingsgraad van honderd procent structureel gesproken een absolute 'must' is. Daarnaast is gesteld dat dit niet hoeft te betekenen, dat op elk moment van de week en van het jaar aan die honderd procent moet worden voldaan. Als duidelijk is dat dit structureel wel het geval is, dan moet er toch ruimte zijn, bijvoorbeeld in omstandigheden die we toen nog niet kenden maar thans wel bestaan, om met verstand van zaken op de moeilijk situatie te reageren. Een volledige dekking is dus het uitgangspunt, maar pas dat met verstand van zaken toe. Een derde element tot slot, wat ik eerder heb behandeld, is de overweging om nu een aantal verstevigingen van het pensioenstelsel voor de langere termijn aan te brengen en dan met name de discussie te voeren over het middelloonsysteem, dat houdbaarder, hanteerbaarder en ook rechtvaardiger is dan het huidige eindloonsysteem.

Voor de korte termijn is het dus een kwestie van verantwoord iets doen aan de premies en verantwoord iets doen met indexering. Dat zijn eigenlijk de twee knoppen waar je op korte termijn aan kunt draaien. Ik pleit ervoor om dat niet zo abrupt te doen, dat je daarmee sterk procyclische macro-economische effecten genereert. Op middellange en lange termijn zie ik twee aanpassingen: verhoging van de effectieve pensioenleeftijd en de invoering van het middelloonsysteem. Wat de dekkingsgraad betreft, zegt het SER-advies dat er een dekkingsgraad met een behoorlijke buffer moet zijn, maar dat er in 'crashy' omstandigheden zoals we die op dit moment beleven, niet spastisch moet worden gereageerd en dat de tijd moet worden genomen om weer boven de honderd uit te komen. Ik vind dat de Pensioen- & Verzekeringskamer daar met de individuele pensioenfondsen afspraken over moet kunnen maken.

Verschenen in: ABP Wereld, 2003

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl