J. van Laarhoven, directeur van het Noordbrabants Museum (2002)

Een andere cultuur in het Noordbrabants Museum

Jan van Laarhoven is sinds twee jaar directeur van het Noordbrabants Museum in 's-Hertogenbosch. De cultuur is er veranderd. Meer aandacht voor Jeroen Bosch, meer aandacht voor hedendaagse kunst en bovenal meer aandacht voor het publiek: dat zijn enkele strategische keuzes van Van Laarhoven.

De geschiedenis van het Noordbrabants Museum is in feite de historie van het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant. De oprichting van dit genootschap in 1836-1837 paste helemaal in het Brabant van die tijd. De provincie had een achterstand in welvaart en geestelijke ontwikkeling ten opzichte van andere provincies weg te werken. Zij had deze in de eeuwen daarvoor als achtergesteld generaliteitsland Staats-Brabant opgelopen. De oprichters van het Genootschap wilden daar met activiteiten op verschillende terreinen aan bijdragen, bijvoorbeeld door de instelling van een provinciale bibliotheek, door onderzoek naar de geschiedenis en aardrijkskunde van Noord-Brabant en door de bevordering van de handel, de nijverheid en vooral de landbouw in de provincie. Onder de oprichters, veelal zeer vooraanstaande en bemiddelde heren, bevonden zich ook verzamelaars, die niet alleen in staat waren om aanzienlijke privé-verzamelingen van uiteenlopende aard aan te leggen, maar die bovendien deze verzamelingen aan het einde van hun leven aan het Genootschap nalieten. Zo ontstond een bonte collectie van schelpen, mineralen, vlinders, beelden, schilderijen, bouwfragmenten, bodemvondsten, munten, penningen, oudheden en talloze rariteiten. In totaal bevat de collectie nu ruim 20.000 objecten, die alle een link met Noord-Brabant hebben. Veel daarvan is in de loop der jaren aan andere musea in bruikleen afgestaan. In de huidige opstelling in het museum is een duidelijk accent op de schilderkunst gelegd.

Passend gehuisvest

Aan het einde van de eeuw werd voor de alsmaar groeiende collectie, die tot dan op de bovenverdieping van de Latijnse school werd bewaard, door de gemeente 's-Hertogenbosch een ruimte beschikbaar gesteld op de bovenverdieping van de Boterhal op de Pensmarkt. In 1923 kon het Genootschap dankzij een legaat van maar liefst 111.000 gulden een eigen ruimte aankopen, namelijk de voormalige Sint-Jacobskerk, een eind-vijftiende-eeuwse bedevaartskerk, aan de Bethaniëstraat in 's-Hertogenbosch. In dit gebouw is het 'Centraal Noordbrabants Museum', zoals het toen is gaan heten, bijna zestig jaar gehuisvest geweest. In 1975 werd het museum van het Genootschap losgemaakt en in een zelfstandige stichting ondergebracht, die door het Genootschap, de provincie Noord-Brabant en de gemeente 's-Hertogenbosch in het leven was geroepen. In 1981, nadat was gebleken dat er geen goede plannen voor een uitbreiding en verbouwing van de Sint-Jacobskerk konden worden gemaakt, werd een nieuw onderkomen gevonden in het voormalige Gouvernementscomplex aan de Verwersstraat in 's-Hertogenbosch. Dit voormalige provinciehuis en woonhuis van de commissaris van de koningin werd in 1768 door de Bredase architect Pieter de Swart ontworpen en in 1981 verbouwd, met het oog op het gebruik ervan door het Noordbrabants Museum, volgens een ontwerp van de Rotterdamse architect Wim Quist. "Het gebouw heeft gigantische voordelen," zegt directeur Jan van Laarhoven, "en een paar hele vervelende nadelen. Een groot voordeel is natuurlijk dat het een historisch gebouw is, midden in het sfeervolle centrum van Den Bosch, met cafeetjes en terrasjes vlak in de buurt. Het is een paleisgebouw, maar met een hele plezierige menselijke maat. Bezoekers worden niet overdonderd door de ruimte, maar bevinden zich in wat kleinere zalen waar ze heel prettig in kunnen rondlopen. Een nadeel is dat het, vooral door de nieuwbouw, erg langgerekt is en dat is nadelig voor de routing. Het is heel uitgestrekt, het complex neemt bijna een complete stadswijk in beslag, maar als je het hele museum door bent, moet je weer langs dezelfde weg terug. We hebben plannen om te gaan verbouwen, waardoor dat probleem kan worden verholpen. De gebouwen achter het museum, van Rijkswaterstaat, zijn vrijgekomen en worden bij het museum gevoegd. Door een doorsteek te maken, kunnen bezoekers rondlopen en dat maakt het bezoek aangenamer. We krijgen dan ook meer expositieruimte en de publieksruimten worden groter."

Conflict bijgelegd

Het Noordbrabants Museum heeft een bijzonder moeilijke tijd achter de rug, waarin vooral de verhoudingen met de provincie Noord-Brabant, de belangrijkste subsidieverstrekker, ernstig werden beschadigd. Gedurende een periode van tien jaar kon men het niet eens worden over de begroting van het museum, die daarom alleen maar werd geïndexeerd en nooit werd bijgesteld, terwijl de taken van het museum in die tien jaar alleen maar toenamen. Jan van Laarhoven - eerder was hij directeur van onder meer het Gemeentemuseum Helmond en het Bijbels Openluchtmuseum in Groesbeek en in 2000 de opvolger van Margriet van Boven, die toen 25 jaar directeur van het Noordbrabants Museum was geweest - zegt: "De provincie had destijds de indruk dat het museum vooral weinig wilde doen aan meer publieksgerichte en educatieve taken. Het trok daar heel sterk een eigen lijn in. In de praktijk viel dat allemaal nog wel mee, het museum deed het op dat gebied helemaal niet zo slecht, maar het werd door alle partijen nogal hard gespeeld. Dit conflict escaleerde in 1996, toen het museum een nieuwe beleidsnota uitbracht, die de provincie niet eens in behandeling nam. Dat was natuurlijk allemaal heel treurig. Inmiddels is er een nieuwe beleidsnota en die is wel in behandeling genomen. Daarin wordt nadrukkelijk om meer geld gevraagd en dat stoot onmiddellijk weer op blokkades, maar ik denk dat dat wel goed komt." Voor de komende jaren heeft het Noordbrabants Museum begrotingen van zo'n 3 miljoen euro opgesteld, waarop het museum dan, mocht de provinciale subsidie niet worden aangepast, jaarlijks een verlies van circa 250.000 euro lijdt. Momenteel ontvangt het museum circa 1,5 miljoen euro subsidie van de provincie Noord-Brabant en ongeveer 350.000 euro subsidie van de gemeente 's-Hertogenbosch. In de begroting wordt ervan uitgegaan dat jaarlijks zo'n 750.000 euro binnenkomt aan entreegelden (van 75.000 à 100.000 bezoekers per jaar), sponsorgelden en opbrengsten van de winkel, het tuincafé en de zaalverhuur. Van de begrote subsidies en inkomsten is ongeveer de helft, dus 1,5 miljoen euro, bestemd voor personeel (24 fte's) en beveiliging (door externen) en de andere helft voor huisvesting, bedrijfskosten, collectie, educatie, marketing, promotie en exposities.

Strategische keuzes

"De kern van het nieuwe beleid," aldus Jan van Laarhoven, "is dat we een aantal strategische keuzes hebben gemaakt. De eerste keuze is dat we ons, met name in de vaste presentatie, concentreren op de geschiedenis van Brabant en 's-Hertogenbosch. Zo sluit het beleid van het museum beter aan bij het overheidsbeleid op het gebied van cultuur en bij wat de provincie wenst dat over Brabant en het verleden van Brabant wordt verteld. Natuurlijk kunnen we dat nooit helemaal alleen doen en natuurlijk is het ook niet de bedoeling dat het museum een spreekbuis van de politiek is. De tweede strategische keuze is, dat het museum nu de opvatting van de subsidiegevers onderschrijft, dat het museum actiever moet zijn in de dienstverlening naar het publiek. We moeten proberen om de groep van 45-plussers voor het museum vast te houden en om daarnaast drie groepen meer naar het museum te halen: jongeren in schoolverband, gezinnen met kinderen en met name ook de cultuurtoeristen."

Liefde op het eerste gezicht

De strategische keuzes in het nieuwe beleid hebben inmiddels al tot nieuwe projecten en plannen geleid, waarvan de omstreden tentoonstelling 'Liefde op het eerste gezicht', een expositie van veertig vrouwenportretten, een goed voorbeeld van de veranderde publieksbenadering was. Van Laarhoven: "De manier waarop over kunst en cultuur wordt gecommuniceerd, is verouderd. Wij moeten daarom een andere manier vinden om de mensen te benaderen. Daar heeft eigenlijk nog niemand de oplossing voor gevonden, maar er zijn wel een paar aanwijzingen waar je die moet gaan zoeken. Musea zullen bijvoorbeeld toch iets meer op beleving moeten aansturen. Onze nieuwe bezoekers zijn in de eerste plaats in alles actief en houden er niet van om langs een aantal schilderijen te sukkelen en 'oh' en 'ah' te roepen. Zij willen daar op een of andere manier actief bij betrokken worden. In onze tentoonstelling 'Liefde op het eerste gezicht' hebben we geprobeerd om niet de overdracht van een kunsthistorisch verhaal primair te stellen, maar wel de communicatie met het publiek. We vroegen de bezoekers wat zij van de schilderijen vonden en verwerkten dat meteen interactief in de tentoonstelling. Zo waren de bezoekers veel actiever bij de tentoonstelling betrokken. Opmerkelijk is dat musea het momenteel wel hun belangrijkste taak vinden om een platform te zijn waar mensen elkaar ontmoeten en met elkaar in gesprek raken, maar dat je dat feitelijk nog nergens ziet gebeuren. Bij deze tentoonstelling gebeurde dat wel." De NRC echter publiceerde een vernietigend oordeel over de expositie en betoogde dat het aan het museum is om de bezoeker een (kunsthistorisch verantwoord) verhaal te vertellen en niet andersom. "Daar ben ik het helemaal niet mee eens," zegt Van Laarhoven. "De samenstellers van de tentoonstelling hebben een verantwoorde keuze moeten maken, op basis van kunsthistorische criteria, maar het is niet altijd en in alle gevallen belangrijk om die criteria naar de bezoekers toe te communiceren. Kunst is er om ervaren te worden, om er emoties bij te hebben, maar niet om er een kunstgeschiedenisboek over te schrijven."

Jeroen Bosch

Een ander project van het Noordbrabants Museum, dat eveneens met de nieuwe strategische keuzes strookt, betreft de realisatie van een aparte afdeling, zo mogelijk in een nieuw te bouwen ruimte met hoogwaardige educatieve mogelijkheden, waarin schilderwerken, beeldhouwkunst en historische voorwerpen bij elkaar zijn gebracht die aan (de tijd van) Jeroen Bosch zijn gerelateerd. Het is de opzet om van deze Bosch-afdeling een echte publiekstrekker te maken. Voor het laatst in 1967 trok het museum veel belangstelling met een expositie over Jeroen Bosch, maar sindsdien heeft het deze schilder helemaal links laten liggen. "Ik vind dat een volledig gemiste kans," zegt Jan van Laarhoven. "Het Noordbrabants Museum zal, denk ik, nooit een echte Jeroen Bosch kunnen verwerven. Ik zou er zelfs nu niet een durven kopen, omdat de toeschrijvingen zo verschrikkelijk omstreden zijn, dat je niet weet of je dan over drie jaar nog een Jeroen Bosch hebt. Wel kunnen wij werk verzamelen uit de directe omgeving en de directe invloedssfeer van Jeroen Bosch. We zijn daar nu anderhalf jaar mee bezig en hebben daar van de Nederlandse museumwereld heel veel medewerking bij gekregen. Nu al hangen er bij ons zeven schilderijen, maar vanaf medio volgend jaar zullen wij langdurig kunnen beschikken over een hele interessante cluster van dertien vroeg-zestiende-eeuwse werken uit de invloedssfeer van Jeroen Bosch." Een van die werken is een topstuk van het Noordbrabants Museum zelf, 'de Lakenmarkt te 's-Hertogenbosch', een schilderij van omstreeks 1530 waarvan de maker onbekend is. Het is een van de best bewaarde stadsgezichten in West-Europa uit de late Middeleeuwen en wordt alleen al daarom een belangrijk schilderij gevonden. Bovendien heeft de schilder een positie ingenomen op de plaats waar zich vijf jaar eerder nog het atelier van Jeroen Bosch bevond. Het werk is dus zeer wel mogelijk in dat atelier geschilderd. "Jeroen Bosch was als schilder niet zo ontzettend van betekenis," zo stelt Jan van Laarhoven, "maar wel was hij iconografisch van groot belang. Zijn beeldtaal is interessant, juist ook omdat die beeldtaal door zo veel anderen is overgenomen. Als je nu dat werk kunt laten zien, bijvoorbeeld ook met behulp van onze eigen omvangrijke verzameling zestiende-eeuwse grafiek, dan kunnen we Jeroen Bosch heel dicht benaderen. Ik denk dat we daarmee richting toeristen die naar Den Bosch komen, heel goed zullen kunnen scoren."

Minder hedendaags

Het Noordbrabants Museum beschikt over nog een aantal andere belangwekkende schilderwerken, waaronder drie Van Goghs, diverse werken van de zeventiende-eeuwse barokschilder Van Thulden en een hele zaal schilderijen van de in 1881 in Den Bosch geboren kunstenaar Jan Sluijters. Het Noordbrabants Museum is echter minder goed voorzien van belangrijke hedendaagse kunst - "en over het beleid op dat gebied maak ik me wel wat zorgen," aldus Jan van Laarhoven. "Ik vind dat het museum in de afgelopen twintig jaar erg veel hele actuele kunst heeft verzameld en ik zie nog wel gaten in de eerste zes, zeven decennia van de twintigste eeuw. Dat vind ik jammer, omdat we als Noordbrabants Museum erop gericht zijn om een totaalbeeld te geven van wat hier in Brabant is gebeurd. In de jaren kort voor en na de oorlog is er in Brabant heel veel gebeurd. In de jaren vijftig en zestig was Brabant cultureel heel sterk in opkomst en een aantal beeldende kunstenaars speelde daar een hele grote rol in. Die ontwikkelingen gingen vergezeld van activiteiten op cultureel gebied, er verschenen culturele tijdschriften en er waren tentoonstellingen. Maar de daarmee verbonden kunsthistorische ontwikkelingen zijn in het Noordbrabants Museum niet goed vertegenwoordigd. Van kunstenaars die best belangrijk zijn geweest, hebben we misschien één schilderij en soms niet eens één. Dat gat wil ik stoppen. We moeten met terugwerkende kracht ervoor zorgen dat we van die kunstenaars, althans van de betere, gewoon wat werk hebben. We zijn nu bezig om daar een inventarisatie van te maken." Hedendaags werk wordt in het Noordbrabants Museum met name ook getoond in de vorm van jaarlijks acht kleine eenmanstentoonstellingen van jonge kunstenaars. Van Laarhoven: "Jonge kunstenaars van wie wij denken dat het best eens iets zou kunnen worden, laten we een aantal weken hier exposeren. Dat kan dan af en toe natuurlijk tegenvallen. Ik denk dat het in misschien wel de helft van de gevallen uiteindelijk toch niets blijkt te zijn - maar dat is niet erg."

Zwaar weer

De collectie hedendaagse kunst is niet de enige zorg van Jan van Laarhoven. Die zorg is vanzelfsprekend veelomvattender, want hij heeft de verantwoordelijkheid voor een bedrijf waar meer dan dertig mensen hun inkomen verdienen. Veel Nederlandse musea verkeren in economisch opzicht al enkele jaren in zwaar weer. Het is niet alleen erg lastig voor de musea om nog sponsors voor belangrijke exposities te werven, maar, veel ingrijpender nog, de groep trouwe bezoekers, de 45-plussers, brokkelt aan twee kanten af: aan de bovenkant doordat mensen te oud worden voor museumbezoek en aan de onderkant doordat de nieuwe 45-plussers te veel blijven vasthouden aan de cultuur van hun jeugd, te weinig tijd hebben voor museumbezoek of genoeg geld hebben om, bijvoorbeeld, even het Prado in Madrid te gaan bezoeken. Evenzeer echter ducht Jan van Laarhoven de concurrentie om de hoek. Daarover zegt hij tot slot: "De overdaad aan museale attracties in een relatief kleine stad als 's-Hertogenbosch is een bedreiging voor het Noordbrabants Museum. Daar maak ik me zorgen om. Een toerist die naar de stad komt, bezoekt zelden meer dan één museum. Als je het museale aanbod gaat versnipperen, wordt de spoeling steeds dunner. Een overheid die van musea verlangt dat zij meer bezoekers genereren, maar die tegelijkertijd museale initiatieven toestaat of zelfs opstart die dat alleen maar moeilijker maken, is natuurlijk niet verstandig bezig. Musea worden daardoor ook steeds pietepeuteriger. Ze hebben onvoldoende bezoekers om een goed restaurant te hebben of om een behoorlijke museumwinkel in stand te houden. We zien daarom in diverse steden in Nederland een clustering van musea ontstaan, of van musea met andere instellingen zoals een biobliotheek of een winkelcentrum, waardoor die flankerende bezigheden ook zakelijk gezien veel beter uit de verf kunnen komen. Ik denk dat we op dat gebied in de toekomst nog een hele slag kunnen maken."

Verschenen in: ABP Wereld, 2002

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl