|
||
|
H. Poot en P. Swart, voorzitters van het Pensioenfonds voor het Beroepsvervoer (2001)
Zorg om de oude dag van de beroepschauffeurVoor de ruim honderdvijftigduizend werknemers in het beroepsvervoer in Nederland zijn er collectieve prepensioen- en pensioenregelingen. Een gesprek over de totstandkoming en het beheer daarvan met Hubert Poot, namens de werkgevers voorzitter, en Piet Swart, namens de werknemers voorzitter van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg. De Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg beheert de ouderdomspensioenen, nabestaandenpensioenen en invaliditeitspensioenen (voor het WAO-gat) voor alle werknemers in het wegvervoer (beroepsgoederen-vervoer en personenvervoer), het binnenbeurtvaartbedrijf en het kraanverhuurbedrijf. De verplichte pensioenregeling in deze branches bestaat sinds 1964. Tot dan moesten gepensioneerde werknemers in het beroepsvervoer 'van Drees' zien rond te komen, tenzij ze bij een bedrijf hadden gewerkt waar een ondernemingspensioenfonds was ingesteld. Het bestuur van de stichting is paritair samengesteld, dus met evenveel vertegenwoordigers van werkgevers- en van werknemerszijde. Drie werkgeversorganisaties uit de verschillende branches, waarvan Transport & Logistiek Nederland de grootste is, hebben samen zeven vertegenwoordigers in het bestuur. Daarom zitten er namens de werknemersorganisaties FNV en CNV ook zeven vertegenwoordigers in het bestuur. Hubert Poot, die namens Transport & Logistiek Nederland optreedt, en Piet Swart, die namens het CNV optreedt, zijn om de beurt voor de periode van een jaar voorzitter van de stichting. De administratie van het fonds vindt plaats in Amsterdam, door PVF Achmea. Riante positieHet Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg telt in totaal 152.000 premiebetalende deelnemers bij 7.700 aangesloten ondernemingen. Deze werknemers hebben pensioentegoeden opgebouwd, verplichtingen voor het fonds, ter waarde van 5,8 miljard gulden, terwijl het fonds een totaal belegd vermogen van 7,6 miljard gulden heeft. Dit vermogen is voor 45 procent in zakelijke waarden belegd (33,3 procent in aandelen) en voor 55 procent in vastrentend. Eind 2000 kregen 13.500 gepensioneerden een ouderdomspensioen uit het fonds en circa 13.000 mensen een nabestaanden- of invaliditeitspensioen. "Het fonds is financieel uitermate gezond," zegt Piet Swart. "Met die 7,6 miljard gulden belegd vermogen hadden we vorig jaar een dekkingsgraad ten opzichte van de verplichtingen, inclusief een aantal risicofactoren die daarbij horen, van 132 procent. Dus dat is royaal en het geeft ons financieel een riante positie." Swart ligt dan ook niet wakker van het momenteel zo magere rendement van de beleggingen. Bedroeg dit over de jaren 1996 tot en met 1999 telkens nog 11 à 13 procent, vorig jaar stopte de teller op 3,5 procent. Piet Swart: "Bij het vaststellen van de beleggingsmix hou je rekening met economische scenario's waarin dit soort golfbewegingen voorkomen. Zolang deze golfbeweging als een onderdeel van het voorziene economische scenario kan worden geïnterpreteerd, doen we daar niets aan. Zodra echter die neerwaartse spiraal als een structuurbreuk moet worden gekenmerkt, dan is er niet alleen voor ons, maar voor de hele wereld aanleiding om het beleggingsbeleid opnieuw te bezien." Premie versus indexeringToch wil ook Piet Swart niet ontkennen dat een gering rendement op het belegd vermogen ten langen leste de betaalbaarheid van de pensioenen zal aantasten. Voor hem is het dan echter nog de vraag of een verhoging van de premie, die vorig jaar nog met 2 procent naar 13,7 procent van de pensioengrondslag is verlaagd, in dat stadium uitkomst zal kunnen bieden. Hij zegt: "Het premie-instrument is geen sterk sturingsinstrument. Met bijvoorbeeld een premieverhoging van twee procent heb je het jaar daarop nog geen gezonde positie. Als je echt structureel in de problemen bent geraakt en de situatie door een premieverhoging weer gezond zou willen maken, dan zou je bij wijze van spreken de premie moeten verdubbelen. Maar daarnaast hebben we natuurlijk ook nog het indexeringsinstrument. Onze pensioenregeling is geen eindloonregeling - een eindloonregeling geeft de garantie dat altijd de 'backservice' over de achterliggende jaren wordt gefinancierd - maar een middelloonregeling, waarbij dus de opgebouwde rechten en de ingegane pensioenen jaarlijks worden geïndexeerd. Elk jaar neemt het bestuur daar een besluit over. Als je financieel in de problemen komt, zul je dus de afweging moeten maken tussen het indexeringsinstrument en het premie-instrument of een combinatie daarvan, waarbij het een sterker van invloed is dan het ander. Ik ben ervan overtuigd dat het indexeringsinstrument veel sterker is dan het premie-instrument. Maar het is natuurlijk ook een heel gevoelig instrument. Je moet dan immers tegen de deelnemers en de gepensioneerden zeggen dat je dat jaar niet genoeg hebt. De doelstelling is om altijd te indexeren en als je die doelstelling niet kunt halen, dan schiet je dus tekort. Vervolgens moet je, zodra de positie weer gezond is, op grond van de doelstelling van het fonds nog nadenken over de middelen en mogelijkheden om iets aan inhaalindexatie te doen." PrepensioenregelingHubert Poot, voorzitter namens de werkgevers, maakt zich duidelijk wel zorgen over de financiering van de verplichtingen en dan met name van de verplichtingen die uit de collectieve prepensioenregeling voortvloeien. Enkele jaren geleden hebben de CAO-partijen in het beroepsgoederenvervoer besloten om de VUT-regeling uit de jaren zeventig naar een prepensioenregeling om te bouwen. Deze regeling is onlangs tot stand gekomen en gaat per 1 januari 2002 in. De regeling zal de komende jaren, voor de werknemers die geen prepensioen hebben kunnen opbouwen, nog in combinatie met de oude VUT-regeling worden uitgevoerd. De prepensioenregeling geldt voor werknemers van 60 tot 65 jaar en voorziet in een flexibele uittredingsregeling naar keuze van de werknemer. De regeling wordt in een aparte stichting ondergebracht, opdat de bestaande ouderdomspensioenregeling er in geen enkel opzicht door kan worden belast. Bovendien hebben de CAO-partijen in het personenvervoer en het binnenbeurtvaartbedrijf de prepensioenregeling nog niet kunnen bekrachtigen. Ook om die reden was een volledige integratie met het bestaande bedrijfstakpensioenfonds nog niet mogelijk. Wel is er in de vorm van een module pensioensparen een samenhang tussen de twee fondsen geconstrueerd. Werknemers kunnen daar geld in storten, individueel of volgens afspraken op ondernemingsniveau, en dit een bestemming naar eigen keuze geven zodra zij de (pre)pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. De prepensioenregeling wordt door middel van bedrijfstakheffingen van 2,79 procent van de loonsom, per 1 januari 2002 en per 1 april 2002, door de werkgevers betaald. De werknemers hebben daar tegenovergesteld dat zij ATV-dagen inleveren en genoegen nemen met een salarisverhoging van slechts 1,5 procent per 1 april 2001 en 2 procent per 1 april 2002. Niet goedkoopHubert Poot, tevens bestuurslid van de stichting in oprichting voor de prepensioenregeling, zegt: "Het is een zeer sociale regeling en financieel ook aanvaardbaar, maar niet echt goedkoop. Het is een regeling op zestigjarige leeftijd, 85 procent uitkeringsniveau, modulair met overuren en dergelijke. Met dat alles zitten we heel dicht tegen de oude VUT-regeling aan, die op negenenvijftig jaar zat, op 90 procent, inclusief tien overuren. Dat zijn op zich riante uittredingsvoorwaarden en daar zijn we voor wat betreft de prepensioenregeling heel dicht tegenaan gekropen. We hebben in dat proces ook constant voor de keuze gestaan of het onze prioriteit was om een regeling op 60, 61 of 62 jaar te hebben of om zo dicht mogelijk tegen die 90 procent aan te gaan zitten. En natuurlijk: hoe krijgen we het gefinancierd?! Op het punt van de financiering worden steeds zwaardere eisen gesteld. Bovendien is het natuurlijk de vraag wat er nog allemaal aan de regeling zal worden toegevoegd. De ploegentoeslag en de zaterdag- en zondagtoeslagen bijvoorbeeld zitten er nu niet in. Er zijn veel aan onze bedrijfstak gelieerde bedrijven, zeg maar logistieke dienstverleners, die graag op vrijwillige basis van onze prepensioenregeling gebruik zouden willen maken. Maar als we de regeling voor deze bedrijven interessant willen maken, om zo het fonds meer volume te kunnen geven, dan moeten we de regeling natuurlijk wel bij het loongebouw in die bedrijven aan laten sluiten. Maar dat kost weer geld en hoe ga je dat weer financieren? Daar maak ik me wel zorgen over." Goede verhoudingenVolgens Hubert Poot zijn de verhoudingen tussen de werkgevers en de werknemers in het beroepsgoederenvervoer door de jaren heen altijd goed geweest. Natuurlijk moest er over en weer weleens worden geknokt - wat de pensioenregeling betreft waren onder meer de invoering van de collectief verplichte nabestaandenpensioenregeling en het meenemen van tien overuren in de prepensioenregeling heikele onderhandelingspunten in het CAO-overleg - "maar," aldus Poot, "op het moment dat we hebben afgesproken hoe we het gaan doen, dan zijn we het daar over eens en doen we het ook zo." Wat dat betreft zijn er verschillen met het personenvervoer, een branche die uit taxi-, ambulance- en touring-carbedrijven bestaat. Juist omdat ook de VUT-regelingen in deze sectoren summier zijn, kon de overgang naar de prepensioenregeling niet gelijk al met het beroepsgoederenvervoer worden gemaakt. De goede verhoudingen in het beroepsgoederenvervoer komen ook tot uiting in veelal een grote trouw aan het bedrijf waar men werkt en een lager dan gemiddeld ziekteverzuim. Zouden werkgeversvoorzitter Hubert Poot en werknemersvoorzitter Piet Swart, beiden ook beroepsbestuurders en -onderhandelaars, gelet op de harmonie in de branche gemakkelijk van achterban kunnen wisselen? "Ik wel," zegt Poot. "Volstrekt onmogelijk," zegt Swart. Begrip voor elkaarHubert Poot: "Ruim twee jaar geleden heb ik me verzelfstandigd. Vanuit Transport & Logistiek Nederland ben ik toen gevraagd of ik, tegen betaling, toch weer CAO-onderhandelaar wilde worden en werkgeversvoorzitter van het bedrijfstakpensioenfonds, maar bijvoorbeeld ook van het O&O-fonds, het VUT-fonds en noem maar op. Het is mijn ervaring dat ondanks alle stoeipartijen - want die zijn er best wel geweest, we hebben zelfs stakingen meegemaakt - de belangen van werkgevers en werknemers niet ver uit elkaar liggen. Juist omdat je al die jaren hebt geprobeerd om oog te krijgen voor de belangen van de ander, kun je ook wat gemakkelijker op de stoel van die ander gaan zitten." Piet Swart tot slot nuanceert zijn aanvankelijke opstelling. Hij zegt: "Het karakter van de arbeidsverhoudingen in Nederland zijn zodanig, dat we veel zaken met elkaar uitwisselen en veel begrip voor elkaars situatie tonen. Op basis daarvan breng je dit soort afspraken en regelingen tot stand. Daarom denk ik ook, dat onze rollen niet zo fundamenteel anders zijn dan het weleens lijkt." Verschenen in: ABP Wereld, 2001 Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl |