F. Fox, directeur van het Nederlands Vestingmuseum (2000)

Naarden: een vesting tegen wil en dank

De vesting Naarden is een van de weinige vestingen in Nederland die helemaal intact is gebleven. In Europa is het de enige vesting met een dubbele gordel van wallen en grachten. In de afgelopen decennia zijn miljoenen geïnvesteerd in de renovatie en restauratie ervan. Naarden vierde in september 2000 het 650-jarig bestaan van de stad. De geschiedenis van Naarden, als vestingstad, is vanzelfsprekend zeer bewogen geweest. Wellicht zou zónder vesting minder schade zijn opgelopen.

'An naruthi thiu kirica ende kiricland fan almeri te tafelbergon', ofwel: bij Naarden de kerk en het kerkeland van Almere tot de Tafelberg. De zinsnede dateert van begin 900 en komt uit een document waarin de bezittingen van een abdij in Duitsland worden opgesomd. Het is de oudst bekende vermelding van Naarden. De bedoelde kerk in het citaat zal in de eerste helft van de achtste eeuw zijn gebouwd, rond 720, toen de Angelsaksische missionarissen Willibrord en Bonifacius in de Vechtstreek het christendom begonnen te prediken. Naarden lag in die tijd aan een nauwe inham van het Flevomeer, een grote binnenzee in een gebied van klei, zand en veen, afgewisseld door moerassen en plassen. Rond 800 kwam deze binnenzee, als gevolg van een zeespiegelstijging en tal van stormen, in open verbinding met de Noordzee te staan en kreeg toen de naam Almere (later Zuiderzee). Dit maakte Naarden nogal kwetsbaar, want aan de noordkant ervan hadden de wind en de zee vrij spel. Zo zou althans in de veertiende eeuw blijken. Het was de tijd van de twisten tussen de Hoeken en de Kabeljauwen (partijen van adellijke geslachten) die, na het sneuvelen van graaf Willem IV in 1345, in Holland en Zeeland werden uitgevochten. In het voorjaar van 1350 wist een bende Hoeken de stad Naarden te overrompelen en volledig te verwoesten. Graaf Willem V van Holland wilde een snelle herbouw van de stad, echter niet meer op de oorspronkelijke plaats, maar ongeveer twee kilometer ten zuidwesten ervan. Dit bleek een wijs besluit. Ruim vijftig jaar later immers waren de ruïnes van het oude Naarden al bijna door de golven verzwolgen.

Vestingstad

De nieuwe ligging van Naarden was voor graaf Willem V van grote strategische waarde. De stad was gelegen op een noordelijke uitloper van de Gooise heuvelrug, ingeklemd tussen de oevers van de Zuiderzee en het Naardermeer, aan de enige behoorlijke toegangsweg vanuit het oosten naar Holland. Naarden kreeg daarom de functie van een vestingstad, ter bescherming van het achterland Holland en van het economisch centrum Amsterdam in het bijzonder. Rondom de stad werd een gracht gegraven en met de vrijgekomen aarde werd aan de binnenkant ervan een wal opgeworpen die met palissaden werd versterkt. Deze wal werd in fasen door een stenen muur vervangen, later zelfs met torens en halfronde bolwerken. Dit was een kostbare zaak en daarom moest iedereen die zich in Naarden wilde vestigen, of er in tijden van nood beschutting wilde zoeken, als tegenprestatie bakstenen leveren en meewerken aan de bouw en het onderhoud van de verdedigingswerken. Als toegangspoort naar Holland was het nieuwe, middeleeuwse Naarden een aantrekkelijk doelwit voor vijanden. In de vijftiende eeuw werd de stad diverse keren door Utrechters overrompeld en in de as gelegd en in het begin van de zestiende eeuw was het vooral de hertog van Gelre die het met zijn mannen op Naarden had gemunt. Later die eeuw leek het erop dat keizer Karel V wat rust in de Nederlanden had gebracht, maar onder het bewind van diens zoon en opvolger de Spaanse koning Philips II laaiden de onrusten weer op. Opnieuw moest Naarden het ontgelden. Enkele honderden Spanjaarden wisten de stad binnen te dringen en richtten een afschuwelijk bloedbad aan, waarbij achthonderd inwoners van de stad het leven lieten. De Spaanse bevelhebber Don Frederik, een zoon van Alva, gaf vervolgens opdracht de stadsmuren met hun torens en poorten volledig te slopen en om met het puin de gracht te dempen. Opnieuw lag Naarden er weerloos bij.

Op slag waardeloos

De middeleeuwse geschiedenis van de vesting Naarden laat zien dat het trotse verdedigingswerk meestal toch vrij eenvoudig door de vijand was in te nemen. Ook in de eeuwen daarna zou dit het geval zijn. Na de sloop door de Spanjaarden liet Willem van Oranje een nieuw fortificatieplan voor Naarden ontwikkelen, op basis van een methode van vestingbouw die bekend werd als het Oud-Nederlands vestingstelsel. Daarbij werd niet meer met baksteen gewerkt - sinds de uitvinding van het buskruit had dat immers geen zin meer - maar met een aarden wal, die in het geval van Naarden met zes bolwerken werd uitgerust. De aanleg ervan was een langdurig karwei, want hoe verder de vijand van Naarden was verwijderd, hoe minder Amsterdam zich geroepen voelde om de Naardense omwalling te financieren. Na de Vrede van Munster in 1648 werden de bouwwerken zelfs gestopt. Toen de Fransen in april 1672 aan Holland de oorlog verklaarden en al in juni voor de vesting Naarden stonden, bleek deze dan ook volstrekt niet op haar taak berekend. Zonder slag of stoot trok het Franse leger de stad in. De nieuwe gebruikers van de vesting bemerkten dat hun aanwinst in militair opzicht weinig waard was en brachten daarom belangrijke versterkingen aan, maar konden daarmee niet voorkomen dat stadhouder Willem III in september 1673 de stad al weer kon heroveren. Ook Willem III nam zich op zijn beurt voor om van Naarden een onbenaderbare en onneembare vesting te maken. Hij liet ingrijpende werkzaamheden uitvoeren, onder meer op grond van het Nieuw-Nederlands vestingstelsel, zoals de ideeën daarvoor door Menno van Coehoorn waren aangedragen. Zijn aanpak, die rond 1730 werd voltooid, gaf Naarden de huidige vorm van een vrij regelmatige zeshoek, met bastions en kazematten op de zes punten, een tweede gracht en diverse buitendijkse fronten. Bij gebrek aan een vijand echter liet men het totale verdedigingswerk opnieuw sterk verwaarlozen en in 1795, toen de republiek nog eens in oorlog met de Fransen raakte, kon Naarden alweer zonder dat er een schot werd gelost, worden ingenomen. Helaas werden de vestingswerken en ook 227 van de 391 woningen binnen de wallen bij de bevrijding ervan door de Nederlandse troepen in 1814 wel ernstig beschadigd. De vesting werd nog wel hersteld, maar toen in 1885 de brisantgranaat werd uitgevonden, een projectiel waartegen geen bomvrije ruimte bestand is, werden alle fortificaties en dus ook die van Naarden op slag volledig waardeloos.

Gevangen in de stad

De burgers van Naarden hadden inmiddels schoon genoeg van de vestingwerken. Behalve dat zij eeuwenlang het doelwit van de vijand waren geweest, voelden ze zich ook tussen de vestingwallen gevangen zitten. Uitbreiding van het woningbestand of het bouwen van nieuwe bedrijven was door gebrek aan ruimte binnen de grachten onmogelijk geworden. Ook buiten de grachten kon men nauwelijks uit de voeten vanwege de strenge voorschriften waaraan het bouwen in de schootsvelden van een vesting was onderworpen. Bovendien kon men de vesting slechts via twee poorten binnenkomen en verlaten, de Amsterdamse poort en de Utrechtse poort, waardoor ook de ontwikkeling van een adequate verkeersinfrastructuur in en rond de stad bijna onmogelijk was. Bij dit alles moest men vanachter de grachten afgunstig toezien hoe spectaculair het naburige dorp Bussum zich ontwikkelde, terwijl Naarden, vanouds de hoofdstad van het Gooi, in een alle opzichten kwijnend bestaan moest blijven leiden. De bevolking van Naarden was dan ook zeer verheugd toen de Nederlandse legerleiding na de Eerste Wereldoorlog inzag dat de wallen, de bastions en de grachten geen enkel nut meer hadden en zij daarom de vesting Naarden met alle versterkingen daaromheen in 1926 als militair object uit de boeken schrapte. Eindelijk zou ook Naarden in de vaart der volkeren kunnen meegroeien! Dit bleek echter een misvatting. Al in 1921 was Naarden op de voorlopige lijst van de Rijkscommissie voor Monumentenzorg gezet, als een vesting die ongeschonden behouden moest blijven. Daarnaast werd in 1932 de Stichting Menno van Coehoorn opgericht, die zich tot doel stelde oude en historische vestingwerken te behouden en te beschermen, waaronder met name die van Naarden. Opnieuw zat de Naardense burgerij in haar eigen stad gevangen.

Bevrijd

Het is uiteindelijk allemaal goed gekomen met Naarden, de vesting en de bevolking. Op aandringen van de Stichting Menno van Coehoorn en onder auspiciën van de Rijksgebouwendienst werd begin jaren zestig een ingrijpende restauratie en renovatie van de vesting in gang gezet (onder meer met de bakstenen vanuit de destijds voor de metro gesloopte Nieuwmarktbuurt in Amsterdam). In 1987 moest de aanpak wegens geldgebrek worden onderbroken, waardoor een groot deel van de buitendijkse fronten nog op herstel wacht, maar de resultaten van de restauratie tot nu toe zijn zeer de moeite waard om te bezichtigen. Ook de fraaie monumenten en andere bezienswaardigheden binnen de vesting zijn waar nodig gerestaureerd. De bevolking van Naarden, met name dat deel van de inwoners dat het binnen de vesting voor gezien hield, heeft de beschikking gekregen over uitbreidingsgebieden buiten de grachten. Momenteel wonen in de gemeente Naarden zo'n 15.000 inwoners, van wie een kleine 2.000 'in de stad' zoals in Naarden de vesting zelf wordt genoemd. De trek uit de vesting zorgde aanvankelijk wel voor enige leegstand van woningen en ook een versobering van de middenstand, maar inmiddels is weer een opwaartse trend ingezet, onder meer door de komst van meubelontwerper Jan des Bouvrie naar Naarden. Zijn intrek in het Arsenaal, de oude wapenopslagplaats van de vesting, heeft voor de komst van tal van andere interieurzaken en overige bedrijvigheid binnen de grachten gezorgd. Kortom, de vesting is weliswaar bewaard gebleven, maar Naarden voelt zich er toch van bevrijd.

Nederlands Vestingmuseum

De geschiedenis van Naarden, met de nadruk op de burgerij en het garnizoensleven, is een van de pijlers van de collectie van het Nederlands Vestingmuseum. Dit museum is in het bastion Turfpoort gevestigd, een van de zes bastions van de vesting. Een andere pijler van de collectie zal in de komende tijd worden uitgebouwd en betreft de Nederlandse vestingbouw, niet alleen in Nederland, maar ook in de (vroegere) overzeese gebiedsdelen en in de gebieden waar handel werd gedreven door de Verenigde Oost-Indische Compagnie (V.O.C.) en de West-Indische Compagnie (W.I.C.). Nog een thema in het museum is de Oude en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Vanaf het begin van de zeventiende eeuw is voor de militaire verdediging van Nederland van waterlinies gebruik gemaakt. Dit waren enkele kilometers brede stukken grond die grotendeels onder water gezet (geïnundeerd) konden worden, om zo een hindernis voor de oprukkende vijand te kunnen vormen. Naarden maakte deel uit van de Oude Hollandse Waterlinie, samen met de vestingsteden Muiden, Weesp, Woerden, Oudewater, Schoonhoven, Nieuwpoort, Gorinchem en Woudrichem. Deze Oude Hollandse Waterlinie werd in het rampjaar 1672 in gebruik genomen, toen Nederland door Frankrijk, Engeland, Münster en Keulen werd aangevallen. De Nieuwe Hollandse Waterlinie werd in de negentiende eeuw aangelegd. Deze linie lag meer naar het oosten, waardoor ook de stad Utrecht erbinnen werd gebracht. In het Nederlands Vestingmuseum zijn van deze linies, evenals van de Stelling van Amsterdam en de Grebbelinie, maquettes, kaarten en afbeeldingen van unieke bouwwerken te zien. De functie van de vesting Naarden in de Oude Hollandse Waterlinie is overigens nooit een succes geweest. Het was onmogelijk om het terrein rondom de vesting effectief onder water te zetten. De inundatie kon door de vijand vrij gemakkelijk ongedaan worden gemaakt en gebeurde dat niet, zo bleek, dan liepen de kanonkelders onder water en werd het geschut onbruikbaar?

[kadertekst]

Vestingmuseum verlegt accenten

Het Nederlands Vestingmuseum werd in 1955 opgericht door de stichting Vrienden van de vesting. Sinds 1994 is drs. Frans Fox, historicus, directeur van het museum. In het museum werken vijf medewerkers in vaste dienst en circa vijftig vrijwilligers die zich inzetten voor de kassadiensten, de winkelverkoop, de rondleidingen door het museum, de rondvaart door de gracht in de zomer etcetera. "Het grootste deel van onze collectie is militair," zegt Frans Fox, "maar we willen niet alleen het militaire van de vesting laten zien, maar ook het maatschappelijke, dus hoe de burgers in zo'n vesting leefden. Daarnaast willen we ons steeds meer richten op de Nederlandse vestingbouw. In de komende jaren zullen we wat dat betreft de accenten verleggen. Om meer expositieruimte te krijgen en om de expositie aan de nieuwe eisen van de tijd aan te kunnen passen, zullen we het museum grondig gaan herinrichten." In 1999 trok het Nederlands Vestingmuseum ruim 28.000 bezoekers, "maar zoals voor de meeste musea geldt, zien we de bezoekersaantallen wat teruglopen," zegt Fox. "Dat heeft met veel verschillende factoren te maken, onder meer met de concurrentie van braderieën, evenementen en ook de winkelzondagen merken we heel sterk. Bovendien is er het een en ander rondom de Museumjaarkaart in verandering, dat wil zeggen wat het gebruik als zodanig betreft van de NS-jaarkaart en de Europas van de Rabobank. Deze kaarten gaven recht op gratis toegang, maar dat is of wordt gewijzigd in een korting van vijftig procent op de toegangsprijs. Wij zien dit jaar een duidelijke terugloop in het Museumjaarkaartbezoek. Ik ben benieuwd of andere musea daar ook last van hebben en hoe de Stichting Museumjaarkaart en de Nederlandse Museumvereniging daarop zullen reageren." Dalende bezoekersaantallen kunnen het voortbestaan van het museum op den duur bedreigen. De Stichting Nederlands Vestingmuseum krijgt weliswaar een subsidie van de gemeente Naarden - op een begroting van circa 500.000 gulden wordt eenderde door de gemeente bekostigd - maar moet het resterende bedrag zelf financieren uit hoofdzakelijk entreegelden, met daarnaast verkopen in de winkel en sporadisch de verhuur van het gebouw voor bedrijfsbijeenkomsten. "Als het bezoekersaantal terugloopt, merken we dat heel sterk in de inkomsten en dus in de uitgaven," zegt Frans Fox. "Daarom doen we daar van alles aan. In de zomer hebben we bijvoorbeeld alle derde zondagen van de maand garnizoensdagen, met onder meer demonstraties van het laden en vuren van de kanonnen. Ook hebben we kinderactiviteiten in de vakanties en geven we rondleidingen voor scholen. We willen immers niet alleen een collectie goed beheren, maar ons ook op educatie richten en mensen iets meegeven. En dan is het natuurlijk prettig als er veel bezoekers komen!"

Het Nederlands Vestingmuseum, Westwalstraat 6 in Naarden, is in de zomer geopend op dinsdag tot en met vrijdag van 10.30 tot 17.00 uur en in het weekeinde en op feestdagen van 12.00 tot 17.00 uur. In de winter is het museum alle zondagen geopend van 12.00 tot 17.00 uur. Er zijn ook afwijkende openingstijden, bijvoorbeeld op maandagen en in de kerstperiode. Informatie over het museum is verkrijgbaar op 035 694 54 59 en op www.vestingmuseum.nl.

Verschenen in: ABP Wereld, 2000

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl