M.A. van der Woude, directeur van het Instituut Asbestslachtoffers (2000)

Voor ook nog een juridische lijdensweg is er vaak geen tijd van leven meer

In de komende decennia zullen tienduizenden oud-werknemers aan een asbestziekte overlijden. Slachtoffers en hun nabestaanden kunnen werkgevers hiervoor aansprakelijk stellen, maar dat is allemaal niet eenvoudig. ABP levert een bijdrage aan de oplossing van dit grote maatschappelijke probleem, doordat dochteronderneming BSA Schaderegeling B.V. in Den Haag het operationele draagvlak biedt voor het Instituut Asbestslachtoffers. Dit instituut werd op 26 januari 2000 officieel geopend door staatssecretaris Hans Hoogervorst van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Directeur van het Instituut Asbestslachtoffers Machiel van der Woude, directeur van BSA Schaderegeling Rob Peters en BSA-medewerkers Rob Kroezen, Barbara van der Kuil en Eline Ruiter vertellen over hun rol in deze opmerkelijke en efficiënte vorm van geschillenbeslechting bij letselschade.

Wie maalde in de jaren vijftig en zestig om het gebruik van asbest? Het materiaal werd in de woon- en werkomgeving op grote schaal en voor allerlei doeleinden toegepast. Pas veel later bleek dat asbest grote schade aan de gezondheid kan toebrengen. De onzichtbare en reukloze, microscopisch kleine asbestvezels kunnen ernstige longziekten veroorzaken. Het gaat daarbij om verschillende vormen van kanker: asbestose (stoflongen, 1% van de gevallen), asbestgerelateerde longkanker (49%) en mesothelioom, een verwoestende gezwelvorming in het long- of buikvlies (50%). Hoewel bijna iedereen in Nederland weleens met asbest in aanraking is gekomen, blijken asbestziekten voornamelijk na blootstelling in een werkomgeving op te treden. De meeste mensen met asbestziekten hebben veel met asbest gewerkt, bijvoorbeeld op scheepswerven of in isolatie- en bouwbedrijven, asbestcement-fabrieken en garages. Sinds 1 juli 1993 is het verboden om asbesthoudende materialen in voorraad te hebben, toe te passen of opnieuw te gebruiken. Dit algemeen asbestverbod kwam echter voor heel veel slachtoffers te laat.

Tienduizenden

Tienduizenden werknemers, volgens onderzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zullen in de komende decennia aan een asbestziekte overlijden. Pas na 2030 verwachten de onderzoekers een daling van het aantal sterfgevallen. Vaak immers openbaren asbestziekten zich pas vele jaren na de blootstelling aan asbest. Bij mesothelioom bijvoorbeeld kan het gaan om een periode van tien tot zestig jaar. Komt deze ziekte aan het licht, dan overlijdt de patiënt in het algemeen binnen een jaar, na een zeer akelig ziekbed. Geschat wordt dat van elke tien werknemers die met asbest hebben gewerkt, er één aan mesothelioom zal overlijden. De diagnose van mesothelioom is in het algemeen eenduidiger dan van asbestose of - zeker wat de oorzaak betreft - longkanker. Aangenomen wordt bovendien dat mesothelioom altijd door blootstelling aan asbest wordt veroorzaakt. Bij aansprakelijkheid, en daar gaat het hier om, zijn dit natuurlijk belangrijke gegevens.

Juridische lijdensweg

Al sinds jaren voeren werknemers of hun nabestaanden via hun belangenbehartigers juridische procedures tegen bedrijven waar met asbest werd gewerkt. In de regel zijn dit zeer langdurige, kostbare en ingewikkelde procedures, waarbij het slachtoffer meestal overlijdt voordat de rechter tot een uitspraak komt. Deze problematiek werd in 1995 door het Comité Asbestslachtoffers aan het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voorgelegd. Ook in dat jaar bood de Tweede-Kamerfractie van de Socialistische Partij het rapport 'Juridische Lijdensweg' aan de toenmalige staats-secretaris Robin Linschoten aan. Linschoten, en zijn opvolger Frank de Grave, zagen in dat het hier om een maatschappelijk onacceptabel probleem ging. De zaak werd daarom in handen gegeven van oud-minister en oud-Ombudsman Levensverzekering prof. mr. Job de Ruiter, die in maart 1997 het rapport 'Asbestslachtoffers' uitbracht. De Ruiter adviseerde in dit rapport om een instituut op te richten dat zich met de afhandeling van de vorderingen van asbestslachtoffers zou gaan bezighouden. De 'kwartiermakers' waren Enneüs Heerma, onder meer oud-fractievoorzitter van het CDA, en Ben Asscher, oud-rechtbankpresident in Amsterdam. Zij gingen overleggen met het Comité Asbestslachtoffers, de werknemerscentrales, de werkgeverscentrales in bedrijfsleven en overheid en het Verbond van Verzekeraars, om tot een uitwerking te komen. Zij die erbij aanwezig waren, herinneren zich dat dit hele pittige en vaak zeer moeizame gesprekken zijn geweest. Lang werd onder meer gediscussieerd over de hoogte van het smartegeld. De belangen die daarmee zijn gemoeid, zijn ook enorm groot (miljarden guldens in geld uitgedrukt).

Convenant

Toch kon onder leiding van Ben Asscher, en in de geest van het poldermodel, een consensus worden bereikt. In november 1998 werd door alle betrokken partijen het Convenant Instituut Asbestslachtoffers overeengekomen. In dit convenant werd tot de oprichting van het Instituut Asbestslachtoffers besloten, een instituut dat bemiddelt tussen werknemers die aan de ziekte mesothelioom lijden en de werkgevers die zij daarvoor aansprakelijk stellen, met als doel een financiële regeling met betrekking tot de gezondheidsschade tot stand te brengen. Het Instituut Asbestslachtoffers kan alleen actie ondernemen wanneer zowel de werkgever als de werknemer voor bemiddeling kiezen. Bovendien werden in het convenant afspraken gemaakt over onder meer de wijze van aansprakelijkstelling, de hoogte van de schadevergoeding (tenminste 100.000 gulden voor smartengeld en materiële schade) en over het te verrichten onderzoek naar de medische situatie en naar het arbeidsverleden van de desbetreffende mesothelioompatiënten. (Momenteel wordt onderzocht, hetgeen ook in het convenant werd afgesproken, in hoeverre het Instituut Asbestslachtoffers een vergelijkbare rol voor asbestosepatiënten kan vervullen.) Nadat een bestuur en een Raad van Toezicht en Advies waren gevormd, werd het Instituut Asbestslachtoffers feitelijk op 10 maart 1999 opgericht, en nadat de werkorganisatie was voltooid, werd het op 26 januari 2000 door staatssecretaris Hans Hoogervorst van Sociale Zaken en Werkgelegenheid officieel geopend. Tegelijk met het Instituut Asbestslachtoffers werd ook de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers van kracht. Deze regeling is bedoeld voor mesothelioompatiënten waarvan de werkgever onvindbaar is, failliet is verklaard of een beroep op de wettelijke verjaringstermijn heeft gedaan. De regeling voorziet in een genormeerde financiële tegemoetkoming (35.000 gulden) voor de geleden immateriële schade. De regeling wordt uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank, die zich daarbij weer door het Instituut Asbestslachtoffers laat adviseren.

Flexibele opzet

Organisatiesocioloog drs. Machiel A. van der Woude werd op 1 september 1999 tot directeur van het Instituut Asbestslachtoffers benoemd. Tot dan werkte hij bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, onder meer als beleidscoördinator arbeidsomstandigheden. In de aanloop naar het Instituut Asbestslachtoffers assisteerde hij de kwartiermakers Enneüs Heerma en Ben Asscher. "We moesten alles van nul af aan opbouwen," vertelt Van der Woude. "Er was wel een instituut, maar er waren geen protocollen en er was geen organisatie. We hadden ervoor kunnen kiezen om een eigen buitendienst en binnendienst in te richten en alle disciplines zelf in huis te halen, maar dat zou te veel tijd hebben gekost en ook te veel geld. Want het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft wel een eenmalige financiële bijdrage van 2,5 miljoen gulden verleend, maar verder moet het instituut de eigen broek ophouden door bemiddelingskosten bij werkgevers en hun verzekeraars in rekening te brengen. We hebben daarom voor een flexibele opzet gekozen, waarbij we de kennis en de kunde die in de markt aanwezig is, op contractbasis mobiliseren."

Deskundig en degelijk

Het Instituut Asbestslachtoffers zet op drie terreinen externe capaciteit in. Van der Woude: "Wat betreft het onderzoek naar het arbeidsverleden van de werknemer en naar de aansprakelijkheid van de werkgever, doen we een beroep op het Bureau Coördinatie Expertise-organisaties, de koepel van schade-expertisebedrijven in Nederland. Wat het medisch onderzoek betreft, werken we samen met het Nederlands Mesotheliomen Panel van het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis in Amsterdam en, mocht er in uitzonderlijke gevallen nog onduidelijkheid zijn, met een expertgroep van de Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose. Zo willen we elke discussie over de diagnose tijdens het bemiddelingsproces uitsluiten. We hebben wat dat betreft willen leren van het silicosedossier, met de vaak lange discussies tussen de Limburgse specialisten over de juiste diagnose. Die discussies hebben we eruit willen halen. Pas nadat het NMP heeft bevestigd dat de werknemer lijdt aan de ziekte mesothelioom, kunnen wij gaan bemiddelen." Naast onderzoekscapaciteit, voor het personenschade-onderzoek en het medisch onderzoek, moest het Instituut Asbestslachtoffers ook capaciteit op het gebied van dossierbeheer en financieel beheer aantrekken. Machiel van der Woude: "We hebben uitgebreid rondgekeken welke organisatie als organisatorische kern voor het Instituut Asbestslachtoffers zou kunnen fungeren. Na afweging heeft het bestuur voor BSA Schaderegeling gekozen, vanwege de deskundigheid en degelijkheid van dit bureau. BSA heeft veel ervaring met de afhandeling van personenschade, waarvan we ook in de voorbereidingsfase al veel gebruik hadden gemaakt. Het bureau komt uit de 'slachtofferhoek', maar heeft natuurlijk in ons proces een objectieve, neutrale rol te vervullen. Daar zullen we strikt de hand aan moeten houden, want ook voor de betalende kant, de werkgevers en de verzekeraars, moeten we een reële partner zijn en blijven."

Expertisebureau

BSA Schaderegeling B.V. in Den Haag werd in de jaren vijftig als dienst binnen het Ministerie van Financiën opgezet om schade aan het wagenpark van de rijksoverheid te regelen. Later groeide het uit tot een expertisebureau op het gebied van letselschade, met een primaire focus op het verhalen van (loon)schade voor de werkgever en de individuele overheidswerknemer. Bij ongevallen, rampen en medische fouten ondersteunt, begeleidt en adviseert BSA het slachtoffer, zijn gezinsleden en zijn werkgever op juridisch, financieel, medisch en arbeidsdeskundig terrein. Eind 1997 werd BSA door ABP overgenomen, waardoor het bureau zich een zelfstandige positie op de markt van schaderegeling kon verwerven. Voor ABP betekende de overname een uitbreiding van het totale pakket aan employee benefits voor de werkgevers en werknemers bij overheid en onderwijs. De samenwerking vervolgens met het Instituut Asbestslachtoffers betekende voor ABP en BSA een interessante stap naar de particuliere markt van werkgevers- en werknemersservices.

'Mediation'

Volgens Rob Peters, directeur van BSA Schaderegeling B.V., is 'mediation' het kernwoord als het om de toegevoegde waarde gaat van het Instituut Asbestslachtoffers voor BSA en ABP. Hij zegt: "'Mediation', dat wil zeggen bemiddeling op basis van redelijkheid en billijkheid, wordt in de schaderegeling steeds belangrijker. De steeds weer langdurige processen en gevechten met verzekeraars zullen toch vroeg of laat moeten worden verkort. Het Instituut Asbestslachtoffers is primair opgezet om die juridische lijnen voor mesothelioomslachtoffers te verkorten. Juist omdat deze mensen een korte levensduur hebben nadat de ziekte zich heeft geopenbaard, kun je niet nog eens een langdurige procedure gaan voeren. Wij vinden echter dat ook andere slachtoffers dan asbestslachtoffers in het algemeen een onnodig lange juridische lijdensweg hebben te ondergaan. Het is meestal niet eenvoudig om op korte termijn een schaderegeling gerealiseerd te krijgen. Wij denken daarom dat 'mediation' een middel kan zijn om die processen voor alle partijen te verzachten en om zo bovendien verspilling van gelden en imagoverlies te voorkomen. Wij kunnen daar een rol in spelen. Voor ons is het Instituut Asbestslachtoffers daarom een mooi proefproject om het product 'mediation' te toetsen, te ontwikkelen en ook op andere gebieden in te gaan zetten."

Gelijkwaardige positie

Rob Peters benadrukt dat voor een succesvolle 'mediation' een gelijkwaardige positie van partijen, in het algemeen slachtoffers en verzekeraars, noodzakelijk is. Met het Instituut Asbestslachtoffers is zo'n conditie voor mesothelioompatiënten in grote mate vervuld, maar voor veel andere slachtoffers, bijvoorbeeld verkeersslachtoffers, is die gelijkwaardigheid ten opzichte van verzekeraars nog heel ver weg. Peters: "Bij 'mediation' denken wij daarom ook aan een versteviging van de juridische én financiële positie van slachtoffers ten opzichte van verzekeraars. Van de juridische positie krijgen we in het algemeen een goede uitkristallisering door middel van de jurisprudentie. Maar wat de financiële positie betreft, staat het individuele slachtoffer betrekkelijk machteloos tegenover verzekeraars. Wil je in die strijd een betekenisvolle rol spelen, dan heb je veel financiële middelen nodig. Meestal kunnen mensen dat niet aan, nog even los van alle emotionele drama's in dit soort processen. Daar willen wij iets aan doen. Wij willen bevorderen dat de verhouding tussen het machtsblok van de verzekeraars enerzijds en het slachtoffer anderzijds in balans wordt gebracht, zodat het slachtoffer niet in die financiële afhankelijkheidspositie blijft verkeren. Wij hebben daar voor toepassing in de publieke sector concrete ideeën over en we zijn ook al ver met de uitwerking daarvan."

Procedure

Voor het Instituut Asbestslachtoffers heeft BSA vooralsnog vijf medewerkers ingezet. Het is moeilijk in te schatten hoeveel medewerkers op termijn nodig zullen zijn. Uit cijfers van de Gezondheidsraad blijkt dat de ziekte mesothelioom zich nu bij ongeveer 350 mensen per jaar openbaart. De verwachting is dat dit cijfer eerst nog zal oplopen, tot ongeveer 700 slachtoffers per jaar rond 2018, en daarna weer zal afnemen. Het is overigens nog de vraag of al deze mensen zich bij het Instituut Asbestslachtoffers zullen melden. Veel zal afhangen van de publiciteit die het instituut zal weten te vinden, evenals van de medewerking van de longartsen in de Nederlandse ziekenhuizen. De meldingen komen voor het grootste deel bij het callcenter van ABP in Heerlen binnen. De werknemer of diens belangenbehartiger ontvangt vervolgens een aanvraagformulier en een brochure over de wijze van bemiddeling. Het ingevulde aanvraagformulier wordt naar BSA in Den Haag gestuurd. Allereerst wordt dan bij het NMP nagegaan of de betrokkene inderdaad aan mesothelioom lijdt. Vervolgens wordt de werkgever benaderd. Is die onvindbaar, failliet of beroept die zich op verjaring, dan volgt een onderzoek naar het arbeids-verleden van de betrokkene en wordt een aanvraag bij de Sociale Verzekeringsbank ingediend. Is de werkgever bekend maar wenst hij geen bemiddeling, dan kan het instituut de betrokkene alleen nog maar naar andere organisaties doorverwijzen. Wenst de werkgever wel bemiddeling maar aanvaardt hij geen aansprakelijkheid, dan volgt een onderzoek naar het arbeidsverleden van de werknemer en naar de aansprakelijkheid van de werkgever. Wanneer de werkgever en de werknemer uiteindelijk overeenstemming bereiken, kan vrij snel tot schadevergoeding worden overgegaan. Wordt er geen overeenstemming bereikt, dan volgt er een procedure volgens artikel 43 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie. Dit betekent dat de werknemer en de werkgever het geschil aan de kantonrechter voorleggen, die vervolgens een bindende uitspraak zal doen. Hoger beroep is niet mogelijk.

Zo snel mogelijk

BSA-medewerker Rob Kroezen, dossierverantwoordelijke en coördinator van het werk voor het Instituut Asbestslachtoffers, schat dat in de eerste zes weken na de opening van het instituut, ongeveer 140 dossiers werden aangelegd. Een aantal van deze zaken heeft al geleid tot aanvragen richting Sociale Verzekeringsbank en ook zijn inmiddels de eerste contacten met werkgevers gelegd. Voor een volledige indruk van hun reacties, en ook van de mate waarin de werkwijze van het Instituut Asbestslachtoffers bij verzekeraars bekend is, is het nog te vroeg. "Maar wij verwachten toch alle medewerking," zegt Rob Kroezen. "Want het is natuurlijk een doelstelling van het Convenant en van het Instituut Asbestslachtoffers om zo snel mogelijk schadevergoedingen te krijgen, juist omdat deze mensen meestal binnen een jaar overlijden. De werkgevers en de verzekeraars kennen die doelstelling ook en ze weten bovendien dat als ze niet meewerken, er een procedure zal volgen die misschien wel jaren duurt en waarna je uiteindelijk op dezelfde bedragen uitkomt. Onze hoop is er daarom op gevestigd dat iedereen deze zaak goed zal oppakken."

Moeilijk te bewijzen

Voor Barbara van der Kuil, eveneens dossierverantwoordelijke, is het heel bijzonder dat ze dit werk doet. Drie jaar geleden immers sloot zij haar studie rechtsgeleerdheid af met een scriptie over de lange incubatietijd bij beroepsziekten, waaronder asbestziekten. Juist die lange incubatietijd is ook een probleem in de mesotheliomen-dossiers. Zij zegt: "Het gaat natuurlijk om veel zaken die hun oorsprong in de jaren vijftig en zestig vinden. Mensen moeten kunnen aantonen dat ze destijds bij een bepaald bedrijf hebben gewerkt en dat ze daar in een werkomgeving aan asbest zijn blootgesteld. Voor veel mensen is het moeilijk om daar nog bewijsstukken voor te vinden of getuigenverklaringen voor te krijgen. Vaak ontvangen deze mensen nog wel een pensioen, maar destijds werd nog niet geregistreerd bij welke werkgever dat pensioen werd opgebouwd. We merken dat dit probleem zich vaak voordoet en ook dat werkgevers in die gevallen eerst aanvullende bewijsstukken willen ontvangen. En dat is natuurlijk ook weer begrijpelijk." Eline Ruiter tot slot is assistent-dossierverantwoordelijke. Zij legt de dossiers aan, onderhoudt telefonische contacten met alle betrokkenen en bewaakt ook het medische traject van de dossiers. Niet onbelangrijk is natuurlijk het relatiebestand. "Deze week had ik al een aantal overlijdensberichten," zo zegt ze. "Ik probeer me daar niet te veel persoonlijk mee in te laten, maar het hoort wel bij dit werk. Ik richt me er gewoon op de mensen op hun gemak te stellen en hen zo vriendelijk mogelijk, en vooral ook zo snel mogelijk, te helpen."

Verschenen in: ABP Wereld, 2000

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl