J. Panman, voorzitter van de FLTO (1995)

"Zonder privatisering geen gezonde ontwikkeling"

Johannes Panman heeft in Flevoland een akkerbouwbedrijf van zestig hectare. Hij teelt aardappels, suikerbieten, wintertarwe, uien, vlas, sperziebonen en erwten. Bovendien is hij voorzitter van de landbouworganisatie FLTO, de Fries-Flevolandse Land- en tuinbouw-Organisatie. Deze organisatie werkt voor alle boeren en tuinders in de provincies Friesland en Flevoland en heeft ruim tienduizend leden. Dit voorzitterschap vraagt veel van zijn tijd, vaak meer dan vijftig uur per week. Het werk op zijn bedrijf wordt daarom door professionele hulp uitgevoerd. Hoe ziet en beoordeelt Panman de nabije toekomst van agrarisch Flevoland?

"Ik begin bij het mooie van Flevoland," zegt Panman. "Flevoland is op een fantastische manier ingericht, het zijn allemaal mooie lange rechte kavels, prima kleigrond, goed gedraineerd, goed ontsloten, een hele goede infrastructuur, daar valt allemaal niets op aan te merken." Met andere woorden: het is goed boeren in Flevoland, waarbij Panman wel de kanttekening maakt dat sommige bedrijfstakken het moeilijk hebben. Hij zegt: "In de fruitteelt bijvoorbeeld heeft het de laatste vijf jaar verschrikkelijk tegengezeten. Eerst twee vorstjaren, daarna drie jaren een slechte prijs, dus voor de fruitteelt zijn het vijf rampjaren geweest. De vooruitzichten zijn gelukkig iets beter, dus ik hoop dat zij eindelijk weer tegen de berg kunnen opklauteren."

Eigendom

Ten aanzien van de toekomst is Panman bezorgd - niet omdat er slechte jaren zijn te verwachten (die komen altijd wel een keer), maar vanwege een bedenking van meer structurele aard. Het betreft de eigendom van de grond. De grond in Flevoland is in het verleden in pacht uitgegeven en niet in eigendom, want er moest land beschikbaar zijn voor boeren die in die jaren hun bedrijf elders in het land (Walcheren, Maasvlakte en Moerdijk bijvoorbeeld) moesten opgeven. Land in eigendom uitgeven was onbespreekbaar voor de overheid, met Den Uyl als belangrijkste exponent daarvan. Later is ook grond uitgegeven in veertigjarig erfpacht, hetgeen in ieder geval voor banken als een financieringsgrondslag kan dienen, maar deze erfpacht staat ter discussie. Panman: "Men wil dat weer veranderen in pacht of eigendom en daarbij zullen de meeste bedrijven weer hun vlucht moeten zoeken in pacht. We hebben hier in Flevoland dus een verhouding tussen eigendom en pacht die helemaal scheef ligt ten opzichte van het oude land. Op het oude land kun je grond bijkopen al naargelang de financiële situatie en de mogelijkheden die zich voordoen. Dat kan hier niet en dat baart mij voor de toekomst erg veel zorgen. Daar moet drastisch verandering in komen. Flevoland heeft zijn functie vervuld, nu is Flevoland vol, maar is er te weinig ontwikkeling. Daarom moet er een sterke impuls komen, door privatisering van de grond."

Kostprijs

Panman betoogt dat na privatisering van de grond grotere bedrijven kunnen worden gevormd, waardoor de kostprijs van de produkten kan worden verlaagd. En dat laatste is noodzakelijk. Hij zegt: "In de agrarische sector hebben we in Europa te maken met verdringingsmarkten. Er is geen consument die op een nieuw produkt zit te wachten. De voedselmarkt in West-Europa is al overvoerd, er is meer dan genoeg aanbod. Wie dus wil uitbreiden, moet anderen van de markt verdringen en zal dus moeten kijken hoe hij zich van die anderen kan onderscheiden. Dat kan door kwaliteit en prijs: het is 'to be or not to be', puur op basis van de kwaliteit van het produkt en op basis van de kostprijs. Wij kunnen het in Flevoland heel lang volhouden op basis van de kwaliteit, maar de kostprijs komt dusdanig hoog te liggen, dat wij het op dat front gaan verliezen. En dat is te ondervangen door schaalvergroting van de bedrijven." Kostprijsreductie door schaalvergroting zal van extra betekenis kunnen zijn als zich nog een andere ontwikkeling in de nabije toekomst doorzet: de specialisatie. Zo hebben al veel landbouwers in met name de Noordoostpolder zich gespecialiseerd in bollenteelt (de klassieke bollengebieden in Noord- en Zuid-Holland zijn overvol) en zijn er volgens Panman ook grote mogelijkheden voor gespecialiseerde teelt van grove groente (groente van akkerbouwbedrijven in plaats van tuinbouwbedrijven). "Maar ook voor die specialisaties moet je een bepaalde schaal hebben," zegt Panman, "bijvoorbeeld door grond bij te huren en ook dat is door de pachtstructuur onmogelijk. Als een boer zich gespecialiseerd heeft en ook geïnvesteerd heeft, dan moet er flexibel grondgebruik kunnen optreden. Dat flexibele is in Flevoland niet aanwezig."

Dynamiek

Panman hecht veel belang aan nog een heel ander punt als het gaat om de toekomst van agrarisch Flevoland. Hij stelt dat het ondernemerschap in het gebied nog aan kwaliteit zal kunnen winnen, als het onderwijs, het onderzoek en de voorlichting ten behoeve van (jonge) boeren beter gestructureerd en benut gaat worden. Hij wijst erop dat er al veel goede onderzoeksinstituten zijn, bijvoorbeeld de Agrarische Hogeschool, het Proefstation Rundveehouderij en het Proefstation Akkerbouw Vollegrondsgroente, maar dat die nog beter ten behoeve van de boeren in het gebied kunnen worden aangewend. Panman zegt: "Onderwijs, onderzoek en voorlichting moeten beter op elkaar worden afgestemd en moeten dichter naar de boer worden gebracht. Ook moeten er meer bedrijfseconomische studieclubs voor boeren worden gevormd, zeker voor de jongeren. Eigenlijk zou iedere jonge boer in zo'n studieclub moeten participeren, want die leert daar geweldig veel van. Ook het exporteren van kennis behoort zeker tot de mogelijkheden. Nu al lopen er projecten waarin jonge agrarische ondernemers vijf maanden per jaar in Rusland werken en waarbij hun werk hier door buren of op een andere creatieve manier wordt uitgevoerd. Ook ken ik hier een jonge akkerbouwer die een rozenbedrijf in Zambia begint. Die dynamiek, die potentie is hier volop aanwezig, maar komt nog niet volledig tot uiting. Daar zullen we nog meer onze best voor moeten doen."

Waardering

Grotere en meer gespecialiseerde bedrijven en steeds beter opgeleide boeren: dat heeft Flevoland in de toekomst nodig. Johannes Panman heeft dan nog slechts één wens: agrarisch Nederland moet in de maatschappij weer de waardering krijgen die het verdient. Hij zegt tot slot: "Ons image zal fors opgekrikt moeten worden. Als ze het op de televisie over boeren hebben, dan zie je nog steeds een strontkar rijden. Dat is natuurlijk een achterhaalde zaak. Daarom moeten we aan die publieke opinie werken. De burger is onze relatie, hij koopt onze produkten en zal dus een beeld van de landbouw moeten hebben waar de veiligheid, de milieuvriendelijkheid en de duurzaamheid van afstralen. Hij zal nooit een vraagteken moeten zetten bij het eten van welk produkt dan ook. Daar moeten we meer aan werken. De mensen krijgen een zeer gevarieerd voedselpakket, dat perfect in elkaar zit en waarvan de kwaliteit absoluut niet ter discussie staat. Alleen de waardering ervoor is ver te zoeken. In het begin van de jaren vijftig besteedde een gemiddeld Nederlands gezin de helft van zijn inkomen aan voedsel. Welk percentage is het nu nog? Het ligt voor dumpprijzen in de winkels: vergelijk maar eens de eierprijs van net na de oorlog met die van nu! En als het om waardering gaat, dan vergeten de mensen ook nog eens dat Nederland de derde agrarische exporteerder ter wereld is, met een jaarlijkse export ter grootte van bijna zeventig miljard gulden. Daar kunnen we met elkaar best trots op zijn, want er wordt een enorme prestatie geleverd!"

Verschenen in: Special Magazine van Revue Arts, 1995

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl