A. Bronsvoort, architect en directeur van Architektenburo Bronsvoort (1994)

"De kracht is het handhaven van de eigen identiteit!"

INKA en haar leden vormen het intermediair tussen de leveranciers van de installaties en de afnemers ervan - dat wil zeggen de opdrachtgevers die de installaties betalen en gaan gebruiken. Het verhaal draait dus om INKA, maar het gaat uiteindelijk om de afnemers. Het zijn de afnemers die voor het grootste deel de normen en waarden bepalen inzake de levering, de aanleg en het gebruik van de installaties. De klant is koning en een van zijn raadsheren op dit gebied is de architect. Voor dit magazine hadden we daarom een gesprek met ir. A. Bronsvoort, architect en directeur van Architektenburo Bronsvoort in Amsterdam.

De opdrachtenportefeuille van Architektenburo Bronsvoort bestrijkt een breed terrein en omvat een grote diversiteit aan al gerealiseerde bouwwerken en werken die nog in uitvoering zijn. Het bureau heeft in totaal tien medewerkers en staat onder leiding van directeur Anton Bronsvoort. "We vormen een kleine organisatie," zo zegt hij, "maar we maken grote projecten, zonder met onze ogen te knipperen!" Twee opmerkelijke projecten van Bronsvoort worden momenteel of zeer binnenkort in de Amsterdamse binnenstad uitgevoerd. In de eerste plaats gaat het hierbij om de uitbreiding en gedeeltelijke renovatie van Grand Hotel Krasnapolsky, een project waarbij ook Van Keulen Klimaattechniek BV is betrokken.

Crisis is kans

"'Kras' is een stad in een stad," zegt Bronsvoort. Hij laat aan de hand van een gemonteerde luchtfoto de bebouwing zien in de vierhoek Damstraat, Oudezijds Voorburgwal, St. Jansstraat, Warmoesstraat. Dit complex van gebouwen behoort volledig tot Krasnapolsky sinds ook het hoofdkwartier van het Leger des Heils in de Damstraat erbij werd gekocht. Dit gebouw werd daarna gesloopt en in januari 1994 kon met de paalfundering voor de nieuwbouw worden begonnen. Hierdoor en door de renovatie van het ernaast gelegen hoekpand aan de Oudezijds Voorburgwal worden 98 vijf-sterren-hotelkamers en 900 m² winkels gerealiseerd. "Bovendien gaat het om een redelijk spectaculair binnengebied," zegt Bronsvoort. "Tussen de gebouwen door loopt een openbare steeg van de Dam naar de Oudezijds Voorburgwal, de Pijlsteeg. Dit was een soort crisissituatie. Nogal wat mensen gebruikten die steeg voor zaken die het daglicht niet kunnen velen. Maar crisis is kans! We gaan een nieuwe functie aan die steeg geven, door in het hart ervan een soort overkapt pleintje te realiseren. We breken er zelfs een stuk van de in 1975 opgeleverde hotelvleugel weer voor af!"

Méér dan estetica

Het tweede grote project van Bronsvoort in de Amsterdamse binnenstad betreft een complex van gebouwen niet ver van de Munttoren, met een groot winkelcentrum, een parkeergarage, kantoren en woningen, "kortom een heel moeilijk maar uitdagend architectonisch hoogstandje," zegt Bronsvoort. Het werkterrein van zijn bureau ligt echter ook ver buiten de stad Amsterdam en betreft ook andersoortige gebouwen. "Utiliteitsbouw met een eigentijds karakter," zo benoemt Bronsvoort dit deel van de portefeuille en hij benadrukt dat hij met evenveel enthousiasme en creativiteit aan deze projecten werkt als aan de wellicht wat meer prestigieuze werken in de hoofdstad. Hij laat ontwerpen van bedrijfsruimten en kantoorgebouwen zien, die onder andere opvallen door de toepassing van heldere, primaire kleuren en strakke, opmerkelijke gevelconstructies. Een voorbeeld daarvan is de nieuwe fabriek voor Bruynzeel Plastics in Hendrik Ido Ambacht, een fabriek voor kunststofprodukten, met een 'plant' van 10.000 m² en een driehoekig kantoorgebouw op de kop daarvan. De opdracht voor dit ontwerp verwierf Bronsvoort op basis van zijn 'artist impression' van de fabriek, die hij voor een prijsvraag instuurde.

Uitvoeringsbegeleiding

"En daarmee komen we tot het onderwerp van dit gesprek," zo zegt Bronsvoort. "Want zo'n tekening is estetica, maar daar blijft het niet bij. Daarmee begint pas het hele traject, want het ding moet natuurlijk ook worden gebouwd. Wij hebben als architectenbureau een benadering die heel erg op de uitvoering is gericht. Ik geloof in architectuur, maar ik geloof alleen in gebouwen die er daadwerkelijk kómen. Ik ben blij met zo'n opdracht als voor Krasnapolsky, maar ik heb er alleen maar wat aan als ik over een jaar of vier in een hotel kom dat gewoon goed draait. Dat heb ik natuurlijk niet in mijn macht, maar het mag toch niet aan mijn werkwijze te wijten zijn, dat op een of andere manier een hiaat in dat hotel zou leiden tot een niet renderen ervan. Datzelfde geldt voor zo'n winkelcentrum. Mijn ontwerp moet gewoon zodanig zijn dat het een heel goed lopend winkelcentrum is. Dat betekent dat je als architectenbureau naast je ontwerp een stuk uitvoeringsbegeleiding moet hebben. Ik maak geen blanco bestekken die ik na een jaar sleutelen aan de aannemer geef en waarvan ik dan zeg: bouw het maar zo. Ik moet de feedback hebben van degenen die het maken. Dat geldt ook met betrekking tot de installaties: geef mij de know-how!"

Dezelfde taal

"Wie heeft die know-how in huis?" zo vervolgt Bronsvoort. "Niet de architect, dat wil ik niet pretenderen. Maar het is natuurlijk ook niet zo dat ik er helemaal geen verstand van heb. En dat je niet een te-ver-van-je-bed-show mag opvoeren, vind ik wat dat betreft de laatste jaren steeds meer een abstract begrip geworden. Maar je moet heel goed weten welke materialen je nodig hebt, wat er op de markt is, welke varianten er zijn, wat daar de prijs en kwaliteit van is, en hoe je dat allemaal bij elkaar kunt voegen. En dan blijkt dat wij in de bouwwereld steeds opnieuw het wiel uitvinden. Als het ene gebouw klaar is, maak je als architect weer een compleet ander gebouw en dat gaat dan worden gebouwd door een andere aannemer, andere onderaannemers en andere installateurs. Waar ben je dan mee bezig? En hoe voorkom je dan dat telkens het wiel opnieuw wordt uitgevonden? Door toch te proberen om met mensen te werken die je kent en die dezelfde taal spreken. Het betekent dat je op zoek gaat naar mensen met wie je goede ervaringen hebt en die een antwoord op je vragen kunnen geven. Het is belangrijk daarbij een vorm te vinden om al in het voortraject die know-how uit te wisselen, want een goede voorbereiding is bepalend voor wat het eindresultaat, dus de harde realiteit gaat worden. Overigens is dat geen benaderingswijze die 'bon ton' is in de wereld van de Nederlandse architectuur. Maar ik zeg: kom er in het voortraject over praten. Ik wil niet iets bedenken dat architectonisch helemaal klaar is en dat ik vervolgens aan de aannemer geef, waarna die maar moet zien dat het een goed gebouw wordt. Ik wil er vooraf over praten hoe we dat gebouw tot stand gaan brengen - ook wat de installatietechniek betreft."

Prijs en kwaliteit

In die voorbereidingsfase en in dat gesprek met de installateur zijn verschillende factoren van buitengewoon groot belang. Allereerst is dat de prijs-kwaliteit-verhouding van de aan te brengen installatiesystemen. "De tijd waarin de opdrachtgevers niet in de kosten waren geïnteresseerd, zoals misschien het geval was bij de bouw van Franse kastelen of grote patriciërshuizen, is natuurlijk al lang voorbij," zo zegt Bronsvoort. "Je merkt heel duidelijk dat we in Nederland op een stabiel prijsniveau opereren. Een gebouw mag gewoon een bepaald bedrag kosten, met een bepaalde bandbreedte die helemaal niet zo gek groot is. Belangrijk is nu om binnen dat budget een steeds grotere kwaliteit te leveren. De prijs-kwaliteit-verhouding van de installatiesystemen wordt steeds meer een essentiële factor. In de utiliteitsbouw, maar het geldt ook voor de woningbouw, merk je dat eigenaren en gebruikers steeds kritischer worden op de kwaliteit van de systemen. Het onderhoud, de aanleg, het bedieningscomfort, de milieuvriendelijkheid van de toegepaste materialen: de opdrachtgevers zijn daar heel kritisch op, maar koppelen het wel continu aan de prijs. Het is dus een kwestie van zo veel mogelijk goede materialen voor hele scherpe prijzen!"

Logistiek

Een tweede belangrijke factor in de samenwerking tussen de architect en de installateur is de relatie die deze laatste heeft met de leveranciers van de installaties. "Een goede relatie met de leveranciers speelt een belangrijke rol," zegt Bronsvoort. "De bouw in Nederland staat onder hele grote tijdsdruk. Elke keer betrap ik me erop dat we weer een tandje sneller gaan. Het is continu een race tegen de klok en dat moet ook wel, gezien de uurlonen die er zijn. Hele complexen stampen we in een recordtijd uit de grond. Dat betekent dat de logistiek op de bouw heel goed geregeld moet zijn. Je kunt nooit zeggen: de spullen zijn er niet, dus daar gaan we een dag op wachten. Want de man die daar een dag niets staat te doen, heeft een groot probleem: zijn baas is boos, de winst is opgesoupeerd en de volgende dag komt een elektriciën een pijpje aanleggen, maar die kan niet verder want het plafond zit er nog niet in. Die mannen moeten het van elkaar hebben. Vroeger waren dat collega's van hetzelfde bedrijf, maar nu zijn het allemaal losse bedrijven. Dat stelt hele hoge eisen aan de logistiek en het betekent dat de relatie met de leveranciers buitengewoon belangrijk is. En stel dat er armaturen op het werk komen en bij nader inzien wil je die niet. Waar blijf je met die dingen? Kun je die zo teruggeven? Hoe ga je daarmee om? Dat zijn essentiële zaken."

Identiteit

Kennis van zaken, scherpe prijzen, optimale kwaliteit en goede relaties met de leveranciers: het zijn precies de items die ook in de overige artikelen in dit magazine over INKA aan de orde komen. Bronsvoort voegt er nog een factor van belang aan toe: hij werkt graag met bedrijven die hun eigen identiteit hebben behouden en waarin sprake is van korte communicatielijnen. Hij zegt: "Opdrachtgevers hebben vertrouwen in ons bureau omdat het een hele platte organisatie is. Iedereen weet van elkaar wat hij of zij aan het doen is en we hebben over en weer veel uitwisseling van kennis en ervaring. Dat vind ik heel belangrijk. En ik vind het daarom even belangrijk dat de bedrijven met wie wij werken ook compacte organisaties zijn, waarbij de lijnen kort zijn en waarbij je niet met zeven verschillende disciplines te maken hebt. Dat vind ik een groot voordeel van een organisatie als INKA: de bedrijven zijn individueel bezig met een eigen identiteit, maar kunnen wel terugvallen op wat ze gezamenlijk hebben bereikt. Alle grote installatiebedrijven schermen met de kortingen die ze af kunnen dingen, maar dat zijn wel de organisaties met zevenentwintig poppetjes voordat je eindelijk bij de man bent die de schroeven vastdraait. Daar gaan die bedrijven ook op stuk. De kracht zit in het handhaven van de eigen identiteit!"

Optimum

"De installatiewereld moet heel erg gericht zijn op het eindprodukt," zo besluit Bronsvoort. "Dat eindprodukt is niet de omzet van de installatiebedrijven en het is ook niet de optelsom van materiaal en arbeid. Het gaat om het uiteindelijke produkt - niet alleen op het moment van afleveren, maar ook nog na vijf of tien of twintig jaar. Hoe ga je daarmee om, in een tijd waarin het prijsniveau sterk onder druk staat en waarin de consument uiterst kritisch is? We moeten continu proberen om binnen de gangbare normering het optimum te halen. Dat betekent dat je aan de kwaliteit moet sleutelen. Dat is een spanningsveld, omdat het zo snel leidt tot academische rapporten of statements of stempeltjes. Ik heb alle respect voor de kwaliteitscertificering, ik vind dat heel goed, maar het is geen doel op zich. Waar het om gaat is het effect dat we moeten hebben in de realiteit!" En hij voegt er nog aan toe: "Wat ik daarbij heel belangrijk vind, is gewoon de sfeer waarin dit alles gebeurt. Hoe is het op zo'n bouwplaats? Hoe ga je met elkaar om? In hoeverre worden afspraken nagekomen? Dat is allemaal belangrijk, omdat het de enige manier is om plezier in het werk te kunnen houden!"

Verschenen in: Special Magazine van Revue Arts, 1994

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl