|
||
|
E. Luiten, hoofd opleiding landschapsarchitectuur Academie van Bouwkunst (2002)
Scholing om op de toekomst voorbereid te zijnStudenten aan de diverse opleidingen tot tuin- en landschapsarchitect moeten erop worden voorbereid dat zij in de komende decennia aan de slag zullen gaan met het ontwerp en de inrichting van tienduizenden hectare bedrijventerreinen. Deze enorme opgave vraagt van de opleidingsinstellingen in Nederland een bezinning op eventuele aanpassingen van en aanvullingen op de bestaande onderwijscurricula, evenals een bijdrage aan de theorievorming die daaraan ten grondslag moet liggen. Een gesprek hierover met Eric Luiten, landschapsarchitect en tevens hoofd van de opleiding landschapsarchitectuur aan de Academie van Bouwkunst in Amsterdam. Is het werklandschap inmiddels een thema in het curriculum van deze opleiding? "Nee," geeft Eric Luiten toe, "maar het feit dat de NVTL het werklandschap als jaarthema heeft gekozen, heeft me wel aan het denken gezet. Ik zie er ook goede mogelijkheden voor. In het derde jaar van onze opleiding werken de studenten aan twee grote ontwerpprojecten, waarbij in het ene project het fenomeen landschappelijk ensemble centraal staat en in het andere een landschappelijk scenario. Deze thema's zijn in feite zo breed gesteld, dat het heel goed mogelijk is om onder de noemer landschappelijk ensemble bedrijventerreinen of werklandschappen te behandelen en onder de noemer scenario de ontwikkeling van een bedrijventerrein of werklandschap. De opzet van het programma sluit het dus niet uit, maar op dit moment is het werklandschap nog niet expliciet thematisch geprogrammeerd." Een eerste oefening in die richting is overigens onlangs wel in de studie ingebracht. Studenten in het derde jaar kunnen meewerken aan een project waarin voor een gebied in de Peel wordt onderzocht of daar varkenshouderijen en glastuinbouwbedrijven in één werklandschappelijk geheel kunnen worden ondergebracht. Is meer accent op dergelijke opgaven gewenst? "Ik denk het wel," zegt Luiten. "Er is een enorme klus te klaren en de studenten moeten daarop worden voorbereid. En we kunnen dat ook. Het leuke van de Academie van Bouwkunst is, dat daar een architectuur-, een stedenbouw- en een landschapsarchitectuur-curriculum naast elkaar worden aangeboden. Daardoor zijn er goede mogelijkheden om kortsluitingen in die drie richtingen te maken en het fenomeen werklandschappen leent zich uitstekend voor zo'n multidisciplinaire exercitie. Voor onze landschapsarchitecten is het een hele goede aanleiding om met architecten en stedenbouwkundigen samen te werken en om zo nog beter voorbereid ten ijs te komen voor de grote maatschappelijke vraag die er is. Ik denk daarom dat er op verschillende schaalniveaus en op verschillende abstractieniveaus in de opleiding veel uit deze materie is te halen." TheorieVoor een weloverwogen kennisinbreng ten aanzien van het thema werklandschappen in de bestaande opleidingen is enige theorievorming vanzelfsprekend noodzakelijk, maar helaas is daarvan nog nauwelijks sprake. "We hebben slechts een eerste laag van een theorie," zegt Eric Luiten, "in de vorm van de ervaringen die in de laatste dertig jaar met werklandschappen zijn opgedaan. Op basis daarvan zouden we kunnen vaststellen wat voor soort landschapsarchitectuur nodig is om de specifieke vraagstukken op het gebied van werklandschappen op een goede manier tegemoet te treden. Zover ik weet heeft nog niemand een poging in die richting ondernomen. Iedereen doet nog zijn eigen experimenten, buitengewoon ongecoördineerd ten opzichte van elkaar, met vallen en opstaan, en het zou geen kwaad kunnen om eens te kijken wat voor soort lijnen daarin te zien zijn en welke ervaringsfeiten gemeenschappelijk zijn." Luiten betwist overigens dat zo'n exercitie tot een soort van nationale stijl voor nieuwe bedrijventerreinen zou moeten leiden. "Ik denk niet dat dat goed zou zijn," zo zegt hij. "Ik denk dat de diversiteit van het individuele ontwerp meer soelaas biedt en ook een grotere belangstelling geniet dan een eventuele 'revival', in de traditie van de jaren-zestig-stedenbouw, van ontwikkelingen volgens één stramien. Ik denk ook dat het goed is dat op lokaal niveau de verschillende verantwoordelijkheden waarneembaar blijven. De wethouder, de directeur gemeentewerken, de stedenbouwkundige en de landschapsarchitect blijven verantwoordelijk voor hun initiatief en voor hun creatie en moeten daarop ook kunnen worden afgerekend. Dat zou wat mistiger worden als zij zich achter een soort nationale set van regels zouden kunnen verschuilen. Dat kan ook niet de bedoeling zijn geweest van het toevoegen van het thema bedrijventerreinen aan de Grote Projecten. Het gaat volgens mij veel meer om het genereren van beelden die illustreren hoe we kunnen ontsnappen aan eenvormigheid en gemiddeldheid." Auteurschap"Juist in tegenstelling tot zo'n algemene stilistische of esthetische koers," vervolgt Eric Luiten, "is meer dan voorheen het auteurschap van de ontwerper centraal komen te staan. Ik denk dat we nu in een periode zitten waarin de herkenbaarheid van het ontwerp en de relatie tussen de ontwerper en het ontworpene belangrijker is dan bijvoorbeeld twintig jaar geleden. Ook ten aanzien van bedrijventerreinen, voorzover zich daarin iets laat differentiëren, zal dat nu aan de orde zijn. Ik ben zelf betrokken geweest bij de inpassing van bedrijventerrein Het Klooster in het historisch landschap van de Nieuwe Hollandse Waterlinie ten oosten van Nieuwegein. Dat is zo'n project waar je niet op de automatische piloot een bedrijvenpark kunt draaien. Dat is een ongelooflijk lastig karwei." Luiten betwijfelt overigens of een herkenbaar auteurschap zich in alle gevallen als een duidelijk persoonlijk stempel moet manifesteren. Hij zegt: "De landschapsarchitect die met de ensemblekwaliteit van het collectieve deel van het werklandschap bezig is, zal zich minder kunnen permitteren dan de ontwerper van een particulier perceel. Op elk schaalniveau van het werklandschap heb je dus een rol die daarbij past en de intelligente ontwerper weet die rollen op tijd van elkaar te onderscheiden." Volgens Eric Luiten is het uiteindelijk toch vooral de opdrachtgever die een bedrijventerrein een onderscheidend aanzien kan bezorgen. "De opdrachtgever neemt de feitelijke beslissingen over de inrichting, de uitgifte en het kwaliteitsniveau. In feite zijn die beslissingen bepalend en ik vind dat correct, want het is ook de opdrachtgever die het risico neemt van het in ontwikkeling brengen van zo'n bedrijventerrein. De ontwerpers zijn vervolgens dienstbaar aan dat ontwikkelingsproces." Mag dan met het oog op een weloverwogen landschapsinrichting niet een meer dominante positie van de landschapsarchitect worden verlangd? "Ik denk dat er op dit moment genoeg eigenwijzigheid in de vakbeoefening aanwezig is," aldus Eric Luiten. "Sommige ontwerpers gedragen zich wat autonomer en wat vrijzinniger dan andere en dat maakt dat het ene gebied er weer net wat anders uitziet dan het andere. Tot nu toe vind ik dat een prettige differentiatie." Het onderwerp werklandschappen kent tal van aspecten die het verdienen om, bijvoorbeeld in onderwijssituaties, verder te worden uitgewerkt. De NVTL wil daarom een ontwerp-workshop organiseren voor studenten aan de diverse opleidingen op het gebied van tuin- en landschapsarchitectuur in Nederland. De Academie van Bouwkunst in Amsterdam heeft de NVTL inmiddels aangeboden om voor zo'n workshop de nodige faciliteiten te verlenen. Het is de opzet om de ontwerp-workshop in de zomer of kort daarna te laten plaatsvinden. Meer informatie hierover zal op de website van de NVTL te vinden zijn. Verschenen in: Het Landelijk Dagblad, 2002 Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl |