M.J. de Haas, architect (2002)

"Een verhaal, maar geen sprookje, dus beeldend, maar geen kitsch"

Het nieuwe gebouw van het Aluminium Centrum in Houten is eerder een landschap in een gebouw, dan een gebouw in een landschap. In de naam ervan, het Aluminium Bos, is dit concept beeldend verwoord. Het gebouw, dat interieur en exterieur volledig van aluminium is gemaakt, rust als het ware op een woud van in totaal 368 palen, die voor een deel in het water staan en, net als echte bomen, in dikte verschillen. Het gebouw is door ir. M.J. de Haas ontworpen. In een gesprek met hem over conceptvorming en de invloed van het landschap daarbij pleit Micha de Haas voor meer improvisatie in de relatie tussen architecten, stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten.

Micha de Haas werd in 1964 in Haifa geboren. In Jerusalem studeerde hij architectuur aan de Bezalel Academy of Arts & Design en vervolgens volgde hij in Nederland zijn opleiding architectuur aan de Technische Universiteit Delft. Aan deze universiteit is hij nu nog als docent verbonden en daarnaast is De Haas in Amsterdam als architect gevestigd. Hij zegt: "Met mijn achtergrond van kunstacademie en technische universiteit is het bijna vanzelfsprekend dat ik een sterk conceptvormende benadering van opgaven heb. In die conceptvorming is de relatie van het gebouw met het landschap heel belangrijk, omdat het een heel diepgaand, betekenisvol contact is. Toen ik nog in Israel woonde, ging ik, als ik tijd had, de woestijn in, omdat het landschap mijn belangrijkste inspiratiebron was. Nu nog beïnvloedt het landschap mij op een hele directe manier."

Emancipatie van werken

De actuele belangstelling voor werklandschappen vindt Micha de Haas begrijpelijk. Hij vergelijkt deze tendens met eenzelfde, maar dan een eeuw geleden, op het gebied van wonen. De Haas: "Er vond toen een emancipatie van het wonen plaats. Mensen vonden dat wonen een volwaardige activiteit was, waarbij ruimte, lucht en licht nodig was. Sinds kort is dat nog belangrijker. In bijvoorbeeld een wijk als Kattenbroek in Amersfoort is niet alleen sprake meer van geëmancipeerd wonen, maar kreeg de woonomgeving ook een eigen, weliswaar oppervlakkige, identiteit. Die tendens naar emancipatie en naar identiteit zie je nu ook bij het werken." Volgens Micha de Haas spelen hier verschillende factoren een rol bij. Bedrijven moeten om te beginnen werknemers aan zich zien te binden, door niet alleen een goed salaris, maar ook een aantrekkelijke werkomgeving te bieden. Daarnaast is er meer accent op de beeldvorming ten aanzien van bedrijven komen te liggen, met name bij investeerders en aandeelhouders als het beursgenoteerde bedrijven zijn. Ook daarom wordt meer belang aan een goede presentatie gehecht. Bij dit alles speelt geld, in relatie tot het gewenste effect, een veel kleinere rol dan vroeger. Het financiële effect van een goede beeldvorming is zo groot, dat de bouwkosten en de kosten voor de landschapsinrichting daarbij in het niet vallen. "Er is dus gewoon, zelfs in een periode van minder economische groei, geld beschikbaar om meer te doen," zegt De Haas. "Maar daar zit ook een gevaar in, namelijk dat je een soort 'snelle' identiteit aan die gebouwen wilt geven. Daardoor kun je bedrijventerreinen krijgen die een soort Kattenbroek zijn, met veel vrij oppervlakkig vormgegeven gebouwen en omgevingen, waarmee wel heel snel een effect wordt bereikt, maar waarvan ik denk dat het op de lange termijn dat effect niet heeft."

Narratief concept

"Kattenbroek is het voorbeeld voor de meeste Vinex-locaties en de kritiek daarop deel ik grotendeels," zegt Micha de Haas. "Het is een soort kleurrijke anonimiteit die daar is te zien. Doordat alles zo anders is, maar uiteindelijk inhoudelijk niet verschillend van elkaar, is er niets dat zich van iets anders onderscheidt. Als ik naar het Aluminium Bos kijk, dan zit er een duidelijk verhaal in het ontwerp. Het is een narratief concept, in de zin van een boswandeling, met een spiegeling in het water. Het is een romantisch beeld, maar niet sprookjesachtig - het is dus beeldend, maar niet kitscherig. Natuurlijk heeft iedere architect en ontwerper daar zijn eigen ideeën over en is het moeilijk om een of ander apparaat in te zetten dat ervoor zorgt dat het geen kitsch wordt. Uiteindelijk is dat de ethische verantwoordelijkheid van de architect en van de landschapsarchitect. Hoe meer goede ontwerpers er zijn, hoe minder kitsch er zal zijn. Het is ook daarom, dat ik voor het onderwijs heb gekozen? Belangrijk is daarnaast dat het concept diep genoeg verankerd is in bijvoorbeeld ideeën over het materiaal, de aard van het bedrijf en de functionele aspecten van het gebouw. Als er zo voldoende gelaagdheid in het concept zit, zullen mensen over vijftig jaar het gebouw nog kunnen herkennen als een gebouw volgens dat bepaalde concept, met een tijdloze betekenis. Terwijl zij dan van de meeste Vinex-locaties zullen vinden dat het een anekdote in de bouwgeschiedenis was."

Improvisatie

Juist omdat het landschap, in de opvatting van Micha de Haas, in belangrijke mate aan de identiteit van een gebouw kan bijdragen, pleit hij ervoor om anders dan nu bij de ontwikkeling van een gebied gebruikelijk is, eerst architecten hun werk te laten doen en vervolgens stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten daar één geheel van te laten maken. "Dat zou een interessant experiment zijn," zegt hij. "Mij lijkt het in ieder geval belangrijk dat de grenzen tussen het stedenbouwkundig en landschappelijk ontwerp van de openbare ruimte en het ontwerp van de afzonderlijke kavels wat zouden worden vervaagd. Organisatorisch is dat natuurlijk moeilijk, want je hebt verschillende bestemmingen, verschillende grondeigenaren en wie bepaalt wat openbare ruimte is en wat niet? Maar als architecten een deel van de openbare ruimte zouden mogen ontwerpen en landschapsarchitecten 'in ruil daarvoor' ook een deel van de privéterreinen, dan zou dat, denk ik, heel interessant zijn." In deze werkwijze ligt volgens Micha de Haas besloten dat de strakke regulering die ontwerpers in Nederland nu doorgaans voorgeschoteld krijgen, en ook elkaar voorschotelen, flink wordt versoepeld. Hij zegt: "Het zou bijvoorbeeld mooi zijn als in de relatie tussen een stedenbouwkundige opzet en de invulling daarvan meer ruimte zou zijn voor ad-hoc-beslissingen en improvisatie. In Nederland wordt altijd en bij alles volgens een regiemodel gewerkt, waarbij dus voor een bepaalde zekerheid wordt gekozen. Op zich zijn op die manier hele grote prestaties op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling bereikt, maar de kansen voor iets totaal anders zijn klein. Misschien zouden we bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen de bestemming van bepaalde kavels volledig open moeten laten, zodat je zones creëert waar experimenteel kan worden geïmproviseerd. Misschien ook, dat zo binnen het Nederlandse model ruimte ontstaat voor extra complexiteit van gecombineerde woon- en werkgebieden. Want dat is waar ik heel erg in geloof: hoe complexer je de dingen maakt, hoe groter de kans op een hoge en duurzame kwaliteit wordt."

Verschenen in: Het Landelijk Dagblad, 2002

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl