|
||
|
M. van Heck, adviseur architectuur van het Ontwerpatelier Rijksbouwmeester (2002)
Ontwerpatelier Rijksbouwmeester omarmt het jaarthema werklandschappen van de NVTLTijdens een brainstormsessie van drie medewerkers van het Ontwerpatelier Rijksbouwmeester en vier landschapsarchitecten, op woensdag 27 februari 2002 in het kantoor van de NVTL in de Beurs van Berlage, werd een fundament gelegd onder de vervolgactiviteiten in het kader van het project Architectuur en Bedrijventerreinen, een van de tien 'Grote Projecten' uit de Architectuurnota, en in het kader van het NVTL-jaarthema Werklandschappen. "Het atelier van de Rijksbouwmeester schaart zich achter de plannen van de NVTL," zegt Marcel van Heck, adviseur architectuur van het Ontwerpatelier Rijksbouwmeester van de Rijksgebouwendienst. "Wij willen graag samen met het ministerie van Economische Zaken, waarmee we in het kader van de Grote Projecten een samenwerkingsverband hebben, en met de NVTL vervolgstappen zetten en de plannen verder uitwerken." "Het probleem is," zo vat Marcel van Heck de heersende gevoelens samen, "dat die bedrijventerreinen maar gewoon als een lint vanuit Maastricht tot en met Den Haag ergens worden 'neergestort', waarbij het lijkt of er geen enkel plan aan ten grondslag ligt. Wat we daarentegen zouden willen, is dat het type aandacht zoals we dat voor bijvoorbeeld goede woningbouw en voor goede scholenbouw hebben, er nu ook voor de bedrijventerreinen gaat komen. Dan volstaat het niet dat die terreinen er opgeruimd uitzien of dat de gebouwen erop een goede architectuur hebben. Natuurlijk is dat ook belangrijk, maar bij bedrijventerreinen is er veel meer aan de hand. Er is meer voor nodig om bedrijventerreinen echt als een 'go area' te laten functioneren, terwijl ze vaak een 'no go area' zijn. Het moet er prettig toeven zijn, ze moeten een deel van het stedelijk gebied zijn en aan het stedelijk gevoel bijdragen." Nieuwe criteria"Onze belangrijkste insteek is," vervolgt Van Heck, "dat bedrijventerreinen gaan voldoen aan een aantal nieuwe criteria rond thema's als verdichting, multifunctionaliteit, transformatie en kwaliteit van het ontwerp. De gedachte is om te proberen een aantal goede, inspirerende voorbeelden in Nederland gerealiseerd te krijgen, van bedrijventerreinen die een antwoord geven op die nieuwe ontwerpuitgangspunten. Vervolgens moeten we dan natuurlijk kijken, over twee jaar, wat we dan met betrekking tot de problematiek van de bedrijventerreinen hebben bereikt." De overheid zal volgens Van Heck niet alleen een aantal goede voorbeelden moeten stellen, maar ook de navolging daarvan enigszins moeten faciliteren. "We zouden wel degelijk vanuit een stimulerende bijdrage een zet in de goede richting kunnen gaan geven. Economische zaken overweegt ook een subsidieregeling op het gebied van architectuur en bedrijventerreinen open te stellen en we hebben natuurlijk Architectuur Lokaal en het Stimuleringsfonds voor Architectuur. Die zouden allemaal in het busje moeten blazen." Blijft op die manier de ambitie van het project niet beperkt tot goede ideeën en goede bedoelingen vanuit de rijksoverheid? Van Heck: "Een kernprobleem is natuurlijk dat het de gemeenten zijn die met bedrijventerreinen van doen hebben en dat het rijk daar ver vanaf staat, behalve dan via bijvoorbeeld bestemmingsplannen en veiligheidsoverwegingen. We kunnen vanuit het rijk criteria opstellen, bijdragen leveren en goede voorbeelden aan de orde stellen die als inspiratie voor gemeenten kunnen dienen. Maar je kunt natuurlijk niet de ambitie hebben om daar vanuit het rijk een totaalvisie en een blauwdruk op los te laten. Dat red je gewoon niet." Samen met EZAan alle projecten uit de Architectuurnota heeft het rijk een specifieke beleidsinspanning verbonden. Elk project is als het ware door een van de bewindslieden 'geadopteerd'. Het project Architectuur en Bedrijventerreinen is door het ministerie van Economische Zaken geadopteerd. De tien projecten worden ambtelijk door de werkgroep Rijksontwerpen onder leiding van Rijksbouwmeester Jo Coenen aangestuurd, terwijl het adopterende departement voor het project en de projectorganisatie verantwoordelijk is. "We gaan uitdrukkelijk samen met het ministerie van Economische Zaken aan de slag om voor de problemen met bedrijventerreinen oplossingen te bieden - àls we al oplossingen kunnen bieden, want het is natuurlijk een geweldig omvangrijke problematiek. We moeten kijken over welke gebieden we het hebben, over welke bedrijventerreinen, we moeten dat allemaal specifiek maken en vervolgens kijken of we er überhaupt iets kunnen doen. Economische Zaken heeft veel tentakels naar alle intermediaire organisaties in de sfeer van werkgevers en Kamers van Koophandel en dat is natuurlijk erg belangrijk wat dit onderwerp betreft. Via die weg zullen we wel het een en ander kunnen bereiken." Is echter de inrichting van bedrijventerreinen niet in de eerste plaats een zaak van economisch belang en ligt daarom een botsing tussen economische standpunten aan de ene kant en standpunten van ontwerperszijde aan de andere kant niet voor de hand? "Dat kan zeker het geval zijn," zegt Van Heck. "We zullen zeker van doen gaan krijgen met eisen die ten aanzien van bijvoorbeeld bereikbaarheid en veiligheid worden gesteld en natuurlijk moeten we daar ook goed rekening mee houden. Maar we moeten wel kijken wat de mogelijkheden en de onmogelijkheden zijn. Het debat daarover moet in ieder geval worden gevoerd. Nu hangt er nog een te grote mate van gemakzucht rondom het ontstaan van bedrijventerreinen." Ambitieniveau"Het heeft ons verrast dat de NVTL ineens met dit thema kwam," zegt Marcel van Heck, "op een prettige manier overigens. Wij functioneren nog niet zo lang als Ontwerpatelier, pas anderhalf jaar. We zijn eerst met de andere negen projecten gestart, omdat het project Architectuur en Bedrijventerreinen er pas op het laatste moment als tiende aan werd toegevoegd. We hadden er al wel een start mee gemaakt, maar dat was nog niet echt uit de verf gekomen. Daarom vond ik het gesprek met de NVTL heel nuttig. We hebben niet alleen over de esthetische kwaliteiten van bedrijventerreinen gesproken, maar ook over het functioneen ervan in het stedelijk gebied, de monofunctionaliteit en de multifunctionaliteit, de manier van verdichting om intensiever met de beperkte ruimte om te gaan enzovoort. Dat zijn natuurlijk accenten van waaruit je heel interessant over bedrijventerreinen kunt redeneren. Wel zullen ongetwijfeld binnenkort nog intensievere gesprekken met elkaar hebben, en met name ook met het ministerie van Economische Zaken, om het project op een zo hoog mogelijk ambitieniveau te krijgen." Verschenen in: Het Landelijk Dagblad, 2002 Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl |