S. Thijsen, lid van de Raad van Bestuur van Grontmij NV (2001)

Nederland verdient een werklandschap nieuwe stijl

Voor Grontmij NV, oorspronkelijk de 'Grondverbeterings- en ontginningsmaatschappij' (opgericht in 1915), was de omvorming en inrichting van het landelijk gebied de eerste vijftig jaar van haar bestaan de kernactiviteit. In de jaren zestig werd daar de natuur- en landschapsverzorging aan toegevoegd. Op die fundamenten werken nu zo'n vijfentwintig tuin- en landschapsarchitecten BNT in dienst van Grontmij. Ook ir. S. Thijsen, lid van de Raad van Bestuur van Grontmij, is van origine landschapsarchitect, "maar de laatste jaren tot het management 'gedeformeerd'," zo zegt hij. In een vraaggesprek met hem richt hij zich tot ondernemers - 'aandacht voor de omgeving zou een onderdeel van maatschappelijk ondernemen moeten zijn' - en tot landschapsarchitecten - 'er kan en moet nog veel gebeuren in de binnen-buiten-opvatting en de vormgeving van open- en beslotenheid'.

Vanuit het verleden heeft Grontmij in de tuin- en landschapsarchitectuur een sterke discipline ontwikkeld, "die we koesteren," zegt Sylvo Thijsen, "en die we steeds meer in het geheel van gebiedsontwikkeling integreren. Ook op bedrijventerreinen werken onze landschapsarchitecten samen, in multidisciplinaire teams, met stedenbouwkundigen, verkeerskundigen, bodemkundigen en grondexploitatie-financiële deskundigen. Juist de landschapsarchitecten in die teams kunnen integrerend denken en kunnen net wat meer glans geven aan een op zich functioneel goed in elkaar zittend ontwerp. En dat past bij de missie van Grontmij, om een bijdrage te leveren aan de verbetering van het woon-, werk- en leefklimaat van de mensen in Nederland."

Waarde toevoegen

Volgens Thijsen kan aan de landschapsinrichting van de Nederlandse werklandschappen nog veel worden verbeterd. "De ontwikkeling van de economie in de laatste tien jaar leidde tot een enorm tekort aan bedrijventerreinen. Er moest snel en veel worden gebouwd. In die snelheid, en deels ook in de onderlinge competitie bij de uitgifte van terreinen door gemeenten, werd meer de nadruk gelegd op het binnenhalen en ontwikkelen van de afzonderlijke bedrijven, dan dat er volgens een samenhangend, coherent stedenbouwkundig en landschappelijk ontwerp werd gewerkt. Er is, denk ik, veel meer aandacht nodig zowel voor de hoofdopzet van bedrijventerreinen, dat wil zeggen de esthetische en functionele afstemming en situering van de verschillende gebouwen ten opzichte van elkaar, als voor de vormgeving van de groene ruimten binnen en buiten de afzonderlijke bedrijven. Op beide schaalniveaus kan nog veel waarde worden toegvoegd. Daarbij is het de uitdaging om de vormgeving van zo'n bedrijventerrein meer aan te laten sluiten bij het type gebied waarin het is gelegen. Kun je nog wat van dat landschap zien? Haal dat landschap naar het bedrijventerrein toe! Laat er wat van terugkomen! En ga niet, zoals nu gebeurt, twintig of honderd hectare met één of twee meter zand opspuiten, waardoor in feite het hele oorspronkelijke landschap verdwijnt. Ik vind dat wij als landschapsarchitecten, samen met stedenbouwers en architecten, daar hoognodig wat aan moeten doen!"

Forse dialoog

De nood is dus hoog, zeker gelet op de enorme ruimtebehoefte voor bedrijventerreinen zoals die in de Vijfde nota over de ruimtelijke ordening is geformuleerd. Volgens Thijsen zal er op de grens van de zogenoemde rode contouren, met name in de balansgebieden, nog heel goed moeten worden gepuzzeld om de extra ruimtebehoefte in een goede functie-afstemming te kunnen plaatsen en om vervolgens op een lager schaalniveau ook nog een goede en samenhangende vormgeving tot stand te kunnen brengen. "Dat zal nog een hele slag kosten," aldus Thijsen, "want bij veel ondernemers, zeker in het midden- en kleinbedrijf, houdt de aandacht voor de buitenruimte op bij de gevel, de oprit of de parkeerplaats. De beroepsgroep zal wat dat betreft nog een aantal jaren een forse dialoog met ondernemend Nederland moeten voeren. Juist omdat bedrijventerreinen en kantorenlocaties voor dertig jaar of langer worden vastgelegd, hecht de samenleving er belang aan, gezien de steeds schaarser wordende groene ruimte, dat dat goed een zorgvuldig gebeurt. Het zou een onderdeel kunnen zijn van wat 'maatschappelijk verantwoord ondernemen' wordt genoemd, dat je als bedrijf laat zien dat je de situering, de vormgeving en de materialen in je gebouw met oog voor de omgeving kiest. Landschapsarchitectuur en landschapsplanning kunnen daar een belangrijke bijdrage aan leveren." In de gewenste dialoog met ondernemers over de landschappelijke inrichting van bedrijventerreinen zal volgens Thijsen in toenemende mate een belangrijke economische troef kunnen worden uitgespeeld. Hij zegt: "Grote vastgoedbeheerders zien de kwaliteit van de buitenruimte steeds meer als een element waarmee de waarde van de investering kan worden vergroot. Nu al zie je dat bij grotere en duurdere beleggingsobjecten heel nadrukkelijk over de vormgeving wordt nagedacht en dat met prachtige vijverpartijen en hoogteverschillen op het terrein behoorlijk in de buitenruimte wordt geïnvesteerd. De landschapsinrichting is in die projecten een integraal onderdeel van het beleggingsobject." Toch zal het volgens Thijsen nog een zaak van lange adem zijn voordat het Nederlandse bedrijven- en kantorenlandschap echt een ander aanzien heeft gekregen. "Het is sterk afhankelijk van de economische ontwikkeling en dus de financiële speelruimte van de bedrijven. Met name voor het midden- en kleinbedrijf zal dat best nog een hele lange weg zijn," aldus Thijsen.

Werklandschappen?

Als het om de inrichting van werklandschappen gaat, wil Sylvo Thijsen daar graag nog een bijzonder aspect van onder de aandacht brengen. Hij zegt: "Mensen moeten weer een actieve plek in de werklandschappen krijgen. Tachtig jaar geleden had 'het werklandschap' nog een andere inhoud, met veel mensen en veel beesten die in het Nederlandse landschap werkten. Tussen de mens en het landschap bestond nog een fysieke relatie. De laatste jaren echter zijn die werkende mensen en werkende beesten zwaar uit het landschap teruggedrongen. Steeds meer nemen we vanuit een omhulling - onze woning, ons bedrijf of ons voertuig - kennis van het landschap. We zoeken het wel op, in de vorm van toerisme en recreatie, maar we zijn niet meer direct fysiek aan dat landschap gebonden. Het zou daarom aardig zijn om juist vanuit die woning, dat bedrijf of de auto, weer die fysieke relatie met het landschap te leggen. In mijn ogen zou wat dat betreft nog heel wat kunnen en moeten gebeuren in de binnen-buiten-opvatting en de vormgeving van open- en beslotenheid. Het zou aardig zijn om in die bedrijfslandschappen of werklandschappen nog eens naar de interactie te kijken tussen de mens die achter zijn bureau werkt en het stukje groen dat in de verkaveling aan het bedrijf is toegewezen. Zou dat niet, in de vormgeving van het gebouw en de tuin samen, in een nieuwe verhouding, tot een werklandschap nieuwe stijl kunnen leiden?"

Verschenen in: Het Landelijk Dagblad, 2001

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl