|
||
|
P. van Beek, landschapsarchitect bij bureau Paul van Beek Landschappen BNT (2001)
Weg met werklandschappen die stad noch landschap zijnBij een thematisering binnen het vakgebied van de tuin- en landschapsarchitect verdient het thema werklandschappen expliciet aandacht. In deze editie van Het Landelijk Dagblad zijn de uitzonderlijke werklandschappen aan de orde van de luchthaven in de polder, van het staalbedrijf in de duinen en van het ICT-bedrijf op het landgoed. Natuurlijk zijn de 'alledaagse' werklandschappen die in de afgelopen jaren zo veelvuldig uit de Nederlandse grond zijn gestampt, net zo interessant. Een gesprek daarover met ir. P. van Beek, van het bureau Paul van Beek Landschappen BNT in Amsterdam. Van Beek ziet binnen het gestelde thema nog een enorme opdracht voor tuin- en landschapsarchitecten in het verschiet liggen. Het begrip werklandschap is zeer breed te begrijpen. Voor een vrachtwagenchauffeur is het hele arrangement van gebouwen, objecten en natuur langs de Europese snelwegen het werklandschap. Zestig tot tachtig procent van de oppervlakte van Nederland is het werklandschap van agrariërs, maar tevens het recreatielandschap van stedelingen. Ook cultuurlanschappen als tuinen, parken en pleinen kunnen vanuit een brede visie op de doelgroep als werklandschappen worden opgevat. In het gesprek met Paul van Beek hebben we het echter vooral over de bedrijventerreinen, kantorenlocaties, 'business resorts' en 'brainparks' in Nederland. "Werklandschappen zijn al die landschappen die het beeld of de ruimte of het gebruik van werkmilieus bepalen," aldus Paul van Beek. InvesteringenEen doordachte inrichting van werklandschappen is tot nu toe in Nederland niet algemeen gebruikelijk geweest. "Om te beginnen natuurlijk doordat de grondslag hier heel slecht is," zegt Paul van Beek. "De soep waarop we bouwen, vooral in het westen, is berucht. Bomen kunnen zich daar nauwelijks in ontwikkelen." De inrichting van landschappen in Nederland vraagt daarom extra investering, onder meer om die grondslag te verbeteren, maar in het verleden is daar weinig animo voor geweest. Paul van Beek: "De Nederlandse landschapsarchitecten genieten veel aanzien in het buitenland, maar als je het investeringsniveau in Nederland vergelijkt met wat er in de publieke ruimten in bijvoorbeeld Duitsland en Frankrijk wordt geïnvesteerd, dan is dat maar zeer bescheiden." Bouwen voor werk"Het is natuurlijk onvermijdelijk geweest," zegt Paul van Beek, "dat de inrichting van bedrijventerreinen en kantorenlocaties met de waan van de dag is meegegaan. In de jaren tachtig en negentig was het allerbelangrijkste politieke item dat er voor zo veel mogelijk mensen werk moest zijn. Daarom mocht elk dorp en elke stad een eigen bedrijvenlocatie ontwikkelen, soms dwars tegen alle spelregels in van het koesteren van bijvoorbeeld het Groene Hart, de Achterhoek, het Geuldal, het dal van de Roer en de leegte van de Zeeuwse eilanden. Nee, werk was goed en het ging om geld en vierkante meters. Daarom was het niet nodig om er landschapsarchitecten bij te betrekken. Aan de landschapsinrichting werd gewerkt door architecten die stedenbouw hadden gedaan en door stedenbouwers die architectuur waren gaan doen. Als ik nu naar die locaties kijk, dan springt de architectuur enorm in het oog, waarbij ik de stijl en smaak ervan heel snel als 'veel' ervaar en als 'veel van hetzelfde'." Stad noch landschapDe ideeën over de inrichting van werklandschappen zijn gelukkig aan het veranderen. Het concept duurzaam bouwen wordt meer en meer ook van toepassing op buitenterreinen verklaard. Volgens Paul van Beek is het daar de hoogste tijd voor. Hij wijst erop dat in de Vijfde nota over de ruimtelijke ordening wordt aangegeven dat nog zo'n 50.000 à 55.000 hectare grondgebied ten behoeve van bedrijvenlocaties op het vrije landschap moet worden veroverd. "Dat is zo verschrikkelijk veel," zegt hij, "dat we ons er nauwelijks iets bij kunnen voorstellen. Je kunt alleen maar bedenken dat het een hele grote operatie is. Wij, als tuin- en landschapsarchitecten, willen laten weten dat we met civiel-ingenieurs, stedenbouwers en architecten klaar staan om die nieuwe bouwronde, volgens duurzame en kwalitatief hoogwaardige uitgangspunten, gezicht te geven. En misschien willen we ook wel laten weten dat we het gewoon helemaal hebben gehad met die conglomeraten van bedrijventerreinen, werklandschappen, die soms stad noch landschap meer zijn. Wij hebben daar andere ideeën over." Verknoping"Het is in de eerste plaats de kunst," zo vervolgt Paul van Beek, "om in de grote gebaren van het bestaande landschap te blijven werken en om op die manier zo'n bedrijventerrein met het landschap te verknopen. Daarnaast is het de kunst om op het bedrijventerrein zelf meer aanraking met de stad te maken. We zijn in Nederland natuurlijk een beetje moe van al die bedrijventerreinen waar iedereen om half zes weg is, behalve wat bewakers met honden en jongeren die met graffity en andere ellende bezig zijn. Als je die gebieden beter met de stad kunt verknopen, bijvoorbeeld met behulp van een station, een hotel en een restaurant, en ze tegelijkertijd met moerassen, waterpartijen en lanen de allure van een groot landschap geeft, dan pak je eigenlijk het beste uit twee werelden. Voor de toekomst ligt daar voor ons de opgave, omdat we niet nog meer van die 'non-places' willen maken." Bij elkaar brengenBij de inrichting van werklandschappen is het nogal eens problematisch dat er wel een stedenbouwkundige visie is ontwikkeld, bijvoorbeeld in de zin van 'parkachtig' of 'hoogstedelijk', maar dat het uiteindelijke resultaat een kakofonie van creaties van individuele architecten is. "De koppeling tussen de drie ontwerpwerelden, van landschapsarchitecten, stedenbouwkundigen en architecten, is vaak heel slecht," aldus Paul van Beek. "Bij woonlandschappen gaat dat soms beter en zitten landschapsarchitecten in één team met stedenbouwkundigen, architecten en civiel-ingenieurs. Op bedrijvenlocaties echter komt de landschapsarchitect er meestal achteraan om nog te redden wat er te redden valt. Maar vaak is dat niet veel meer. Het is dan ook veel beter om op zo'n bedrijventerrein alle budgetten voor de maaiveldinrichting en de aandacht van al die afzonderlijke architecten bij elkaar te brengen, om zo tot één groter landschappelijk gebaar of één groter landschappelijk idee te kunnen komen." Van meer mensen"Bij een landschap denk ik aan dingen die oud kunnen worden," zegt Paul van Beek tot slot, "misschien ook aan dingen waar je ontzag voor kunt hebben en aan een omgeving waar je niet onmiddellijk aan kunt afzien dat ze gemaakt is. Landschapsarchitecten moeten daarom in de initiële fase echt aanwezig zijn en zorgen dat ze hun trekken thuis krijgen, maar moeten daarna ook alle trucs benutten om te zorgen dat de natuur het landschap kan overnemen en dat het vooral ook een proces van meer mensen wordt. Want een landschap is nooit het product van één meneer of één mevrouw!" Verschenen in: Het Landelijk Dagblad, 2001 Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl |