E.J. de Vries, plv. dg Ondernemingsklimaat, ministerie van Economische Zaken (2001)

De werklandschappen in Nederland: een Groot Project

Enigszins naar het voorbeeld van de 'Grandes Projects' in Frankrijk, althans wat de terminologie betreft, heeft ook de Nederlandse regering een aantal Grote Projecten voor de komende jaren aangegeven. Negen ervan zijn in de Architectuurnota beschreven. Bij de behandeling daarvan heeft de Minister van Economische Zaken er een tiende aan toegevoegd: het project Architectuur en Bedrijventerreinen. In het plan voor dit tiende project is expliciet de mogelijkheid van samenwerking met de NVTL opgenomen, gelet op het jaarthema 2002 van de vereniging, de werklandschappen. Het project Architectuur en Bedrijventerreinen heeft net als de overige Grote Projecten een looptijd van vier jaar (2001-2004). Mr. E.J. de Vries, plaatsvervangend directeur-generaal Ondernemingsklimaat van het Ministerie van Economische Zaken, licht voor Het Landelijk Dagblad het project toe.

De tien Grote Projecten zoals die in de Architectuurnota zijn beschreven, vormen een afspiegeling van de toekomstige ontwerp- en bouwopgave in Nederland. Ze staan met andere woorden symbool voor de heroriëntatie op bouwen en ruimtelijke ordening die in de komende jaren wordt verlangd. Op deze wijze wordt via de tien projecten het architectuurbeleid van de rijksoverheid in uitvoering genomen. De geselecteerde projecten hebben betrekking op het nieuwe Rijksmuseum, de nieuwbouw voor de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, de Nieuwe Hollandse waterlinie, de Zuiderzeelijn, de Deltametropool, de reconstructie van de zandgronden, het routeontwerp voor de A12, het particulier opdrachtgeverschap, de openbare ruimte in revisie en tot slot de bedrijventerreinen. Plaatsvervangend directeur-generaal De Vries: "Het voorstel van de Grote Projecten, gedacht vanuit het ontwerp, past in een ontwikkeling die de architectuur zelf doormaakt. Uit de architectenwereld komen steeds meer geluiden dat het niet alleen gaat om het ontwerpen van het gebouw of het stedenbouwkundig en landschappelijk plan. Het gaat ook, en misschien vooral, om het maken van het programma dat aan het ontwerp voorafgaat. 'Ontwerpen aan Nederland' moet zo op de ontwerpkwaliteit van de grote projecten inspelen."

Voorbeeldfunctie

Bij de tien geformuleerde opgaven wordt volgens De Vries naar optimale ontwerpkwaliteit en 'een voorbeeldige samenwerking' tussen de betrokken partijen gestreefd, zodat deze projecten voor heel bouwend en ontwerpend Nederland een voorbeeldfunctie kunnen vervullen. Het rijk verbindt aan alle projecten een specifieke beleidsinspanning. Elk project wordt als het ware 'geadopteerd' door een van de bewindslieden, overeenkomstig de gedragslijn voor projecten zoals die in het Regeerakkoord is geformuleerd. De tien projecten worden ambtelijk door de werkgroep Rijksontwerpen onder leiding van Rijksbouwmeester Jo Coenen aangestuurd. Het adopterende departement, in het geval van het project Architectuur en Bedrijventerreinen het Ministerie van Economische Zaken, is verantwoordelijk voor het project en de projectorganisatie. De Vries: "De tien Grote Projecten worden gekenmerkt door de vroegtijdige inbreng van ontwerpkwaliteit, een grote mate van complexiteit van de opgave en een hoog ambitieniveau. De Grote Projecten zullen door hun uitgekiende verscheidenheid, voor tal van ruimtelijke en architectonische opgaven waar Nederland in de komende jaren voor staat, een voorbeeldfunctie moeten gaan vervullen. Ook in het project Architectuur en Bedrijventerreinen zullen we daar een sprekend antwoord op moeten geven."

Ruimtelijke kwaliteit

Het project Architectuur en Bedrijventerreinen gaat uit van de ruimtelijke opgave zoals die ook in de planologische kernbeslissing in het eerste deel van de Vijfde nota over de ruimtelijke ordening is verwoord. Deze opgave betekent onder meer een enorme slag in de ontwikkeling en herstructurering van bedrijventerreinen. Naast de ruimte die nodig is om in de behoefte aan werkmilieus te voorzien, is ook de ruimtelijke kwaliteit van de werkmilieus een belangrijk aandachtspunt. Bij de uitwerking van de Architectuurnota zal daarom ook specifiek op de ruimtelijke en architectonische kwaliteit van werkmilieus worden ingespeeld. De Vries: "De centrale vraag hierbij is met welk beleid stedenbouwkundigen, landschapsarchitecten en architecten, met het oog op aantrekkelijke omgevingen, effectief aan de inrichting van werkmilieus kunnen bijdragen. De stedelijke uitbreiding in Nederland betekent een enorme opgave in de komende decennia. Een aanzienlijk deel daarvan zal worden bepaald door de bedrijventerreinen die in de komende periode moeten worden ontwikkeld of geherstructureerd. De ruimte om te werken zal in een omgeving moeten worden gerealiseerd waaraan de maatschappij steeds hogere eisen stelt. Dit betekent onder andere aandacht voor inpassing, architectuur en zuinig ruimtegebruik - onderwerpen daarbij zijn optimalisering van functionaliteit, duurzaamheid en cultureel elan. De aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit en voor de openbare aspecten van bedrijventerreinen is dan ook een publiek belang. Tegelijkertijd is er een privaat belang mee gediend. Overzichtelijke en zorgvuldig ingerichte bedrijventerreinen oefenen immers aantrekkingskracht uit en functioneren in economische zin beter. Het vergroten van de belevings- en gebruikswaarde van bedrijventerreinen én het bevorderen van efficiënt ruimtegebruik, zijn daarom belangrijke, samenhangende thema's."

Doelstellingen

Het hoofddoel van het project Architectuur en Bedrijventerreinen is een uitwerking te geven van het Architectuurbeleid van de rijksoverheid. Het project moet concrete aanknopingspunten generen voor de verbetering van de ontwerpkwaliteit en de uitvoering van bedrijventerreinen. Een specifiek aandachtspunt daarbij is het entameren van een maatschappelijk debat over het project. Voor het Ministerie van Economische Zaken heeft het project nog een aantal nevendoelstellingen. Het project moet het imago van bedrijventerreinen verbeteren (en dus de publieke opinie in dat opzicht beïnvloeden) en het moet via concrete voorbeeldprojecten aantonen, dat werkmilieus met een eigen identiteit en kwaliteit aan de ruimtelijke kwaliteit van Nederland bijdragen. Het project moet ook nog een 'stimuleringswijzer' opleveren voor doelgroepen in het veld (provincies, gemeenten, ontwikkelaars en bedrijven) om de architectonische kwaliteit en daarmee de ruimtelijke kwaliteit op bedrijventerreinen te stimuleren. De Vries: "Met het project willen we alle betrokken partijen op het gebied van de ontwikkeling en de herstructurering van bedrijventerreinen stimuleren om de algehele ruimtelijke kwaliteit van bedrijventerreinen te verhogen. Onze rol, dus van het ministerie, is met name op kennisoverdracht gericht door middel van voorbeeldprojecten en ontwerpstudies. Daarnaast hebben de vakorganisaties van stedenbouwkundigen, architecten en tuin- en landschapsarchitecten natuurlijk ook een belangrijke rol in het project. Concreet heeft de Nederlandse Vereniging van Tuin- en Landschaparchitecten als eerste samenwerking aangeboden in het kader van het jaarthema 2002 van de vereniging, de werklandschappen. Wij gaan daar graag op in en overleggen daarom nu al met de NVTL over de inhoud van die samenwerking en ook over een mogelijke rol bij de voorbeeldprojecten en de ontwerpstudies."

Binnen het Ministerie van Economische Zaken wordt het project Architectuur en Bedrijventerreinen uitgevoerd door het cluster Ruimtelijke Ordening en Bedrijventerreinen (ROB) van de directie Ruimtelijk Economisch Beleid (REB) van het directoraat-generaal voor Ondernemingsklimaat. Drs. Karin van den Berg is binnen het ministerie de projectleider.

Verschenen in: Het Landelijk Dagblad, 2001

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl