A.A. van Voorst Vader, voorzitter van de NBVA (2002)

Kritische kwesties nog onbeslist ten aanzien van gedragstoezicht

De Raad van Financiële Toezichthouders heeft begin 2002 in een nota aan de minister van Financiën aangegeven dat verzekeringstussenpersonen een eigen toezichthouder moeten krijgen. Het Verbond van Verzekeraars en ook de organisaties van tussenpersonen hebben inmiddels het belang van toezicht op tussenpersonen onderschreven. Nu gaat het nog om de praktische uitvoering ervan. Een gesprek daarover met mr. A.A. van Voorst Vader, voorzitter van de NBVA.

"Gedragstoezicht, zoals dat in Nederland is voorgesteld, is in Europa een heel nieuw fenomeen," zegt Alexander van Voorst Vader. "In de afgelopen periode, waarin de discussie over gedragstoezicht is ontstaan, zijn politici en de autoriteiten vooral op 'life and investment'-producten gefocust geweest. Als je echter naar de relevantie van gedrag kijkt, dus naar de relevantie van transparantie en van kwaliteit van advisering, dan ligt die voor tachtig procent op het gebied van schadeverzekeringen en niet op het gebied van 'life and investment'. Gedragstoezicht op het gebied van schadeverzekeringen is veel moeilijker te bekaderen, hanteerbaar te maken en met name ook te normeren dan op het gebied van 'life and investment'. Vooral de redelijkheidstoets en de professionaliteitstoets zijn bij schadeverzekeringen heel complex."

Meting van kwaliteit

Van Voorst Vader geeft als voorbeeld de verkoop van een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Om budgettaire redenen en na overleg met zijn assurantieadviseur kiest de klant niet voor een dekking van 'honderd', maar voor een dekking van 'zestig'. Voor een volledige dekking zou de premie te zwaar op het gezinsbudget drukken. De verzekerde raakt vervolgens arbeidsongeschikt, ontvangt dus een ontoereikende uitkering en dient daarover een klacht in. "Hoe meet je nu de kwaliteit van het advies?" zegt Van Voorst Vader. "Je moet dan gaan meten hoe een redelijk denkende en handelende professionele adviseur met dit soort omstandigheden zou zijn omgegaan. De weging van die particuliere, aan het subject gekoppelde elementen heeft niets met vakkennis te maken. Je kunt geen wegingszwaarte geven en ook geen vaste parameters of toetsings- of selectiecriteria toepassen, bij het met elkaar in evenwicht brengen van enerzijds een maximale verzekering en anderzijds de omgevingsfactoren. Als je naar de inhoud van de verzekeringsovereenkomst kijkt, geobjectiveerd gezien, kun je concluderen dat het resultaat ervan een financieel probleem bij de klant creëert, maar aan de overeenkomst is niets fout, aan het advies is niets fout en aan de vakkennis is niets fout. Er hoeft er in geen enkele mate van verwijtbaarheid sprake te zijn."

Eerstelijnsadviseurs

Streng toezicht op de kwaliteit van het advies mag volgens Van Voorst Vader niet de consequentie hebben dat er in de toekomst alleen nog maar ruimte zal zijn voor zeer zwaar gespecialiseerde assurantieadviseurs. "De huidige marktomstandigheden rechtvaardigen dat niet," zegt hij. "Integendeel. Ook is er geen aanleiding om dat te bevorderen." Hij pleit ervoor dat de toezichthouder ook ruimte laat voor 'eerstelijnsadviseurs', naar analogie van de huisartsen in de gezondheidszorg. Deze eerstelijnsadviseurs moeten dan vooral worden opgeleid, zoals nu al in overwegende mate gebeurt, om op een 'holistische' manier naar de klant te kijken, dus naar de samenhang van alle onderdelen die de financiële zekerheid en vooruitzichten van de klant betreffen. Van Voorst Vader: "Of je nu een pensioenadviseur bent, een schadeadviseur of je adviseert een MKB'er, je zult naar de samenhang der dingen moeten kijken. De overgrote meerderheid van de assurantieadviseurs doet al de hele dag niet anders dan dat. Vandaar ook dat zij er zo naar streven om van hun klanten totaalklanten te maken. Zij willen niet alleen maar een doorlopende reisverzekering verkopen, zonder van de klant te weten dat hij bijvoorbeeld vaak naar Amerika gaat. Want hoe zit het dan met de dekking van de ziektekosten, die daar veel hoger zijn en mogelijkerwijs daardoor niet geheel gedekt zouden zijn? Ergo: zij zullen steeds naar het totaal en naar de samenhang van de dingen moeten kijken." Belangrijk is daarnaast, zo stelt Van Voorst Vader, dat de eerstelijnsadviseur goed weet waar zijn deskundigheid ophoudt en op welk moment hij dus de klant moet doorverwijzen of het advies van een specialist moet vragen. "De toezichthouder moet daar een goedwerkend protocol voor ontwikkelen," zo zegt hij, "zodat de adviseur weet dat hij - ook naar de klant toe - in alle redelijkheid en billijkheid, niet verwijtbaar, een accountant, een belastingadviseur, een administratieconsulent of een gespecialiseerde financiële adviseur erbij kan halen of diens hulp kan adviseren."

Financiering van het toezicht

Van Voorst Vader constateert dat er nog veel heikele punten zijn in de ideeën en plannen omtrent gedragstoezicht op tussenpersonen. Een eerste onderwerp betreft de financiering van het toezicht. Gesproken wordt over een doorbelasting van de kosten, zoals in de meeste Europese landen gangbaar is, naar de onder toezicht staande instellingen, één-op-één, waarbij dus iedereen evenveel betaalt naar rato van omzet of op basis van andere sleutels. Van Voorst Vader vindt echter dat de overheid een flink deel van de kosten voor haar rekening moet nemen, dat wellicht een deel forfaitair voor rekening van de tussenpersonen kan komen en dat verder het principe 'de vervuiler betaalt' moet worden toegepast. Hij zegt: "Als de samenleving vindt dat er gedragstoezicht moet zijn, omdat dat vanuit algemene consumentenbescherming opportuun wordt geacht en omdat het een redelijk belang in zich herbergt, dan kan ik daar wel ruimte voor geven. Maar het mag niet zo zijn dat de rekening van dat algemene maatschappelijke gevoel bij de private sector wordt neergelegd als daar geen directe substantiële aanwijsbare oorzaken voor aanwezig zijn. Als de politiek dat nuttig, nodig of opportuun vindt dat, dan moet de politiek haar verantwoordelijkheid nemen."

Geheimhoudingsplicht

Een ander onderwerp waar Van Voorst Vader zich zorgen om maakt, betreft de geheimhoudingsplicht. Wanneer elke zaak waar de toezichthouder aandacht aan geeft, in de pers breed wordt uitgemeten, dan kan dat volgens hem tot disproportionele beschadiging en stigmatisering van de desbetreffende instelling en ook van de hele sector leiden en dan zal dat zeker niet de bereidwilligheid van de adviseurs bevorderen om in eventuele onderzoeken maximaal mee te werken of om in zijn algemeenheid informatie ter beschikking te stellen. Van Voorst Vader: "De overheid, c.q. de toezichthouder moet er alles aan doen opdat het vertrouwen van het publiek in de financiële sectoren wordt geschraagd en bewaakt. Vertrouwen is een licht te beschadigen en broos fenomeen en verdient de grootst mogelijke zorgvuldigheid. Vandaar dat wij een krachtig pleitbezorger zijn, naar analogie van de Europese regelgeving op dit gebied, dat er een geheimhoudingsplicht voor het gedragstoezicht moet zijn. Maar de Autoriteit Financiële Markten denkt daar anders over. De Autoriteit Financiële Markten heeft nu al een beperkte mate van vrijheid om op basis van bepaalde criteria iets met de toevertrouwde gegevens of de opgebouwde observaties te doen. Zij zegt nu wel dat daar tot dusverre heel spaarzaam gebruik van is gemaakt, maar voor mij is dat niet voldoende waarborg dat die vrijheid niet vaker wordt gebruikt nu een veel groter aantal instellingen onder toezicht komt. De burger kan aan de buitenkant van organisaties niet zien welke organisatie te vertrouwen is of niet. De burger zal dan ook neigen naar generaliseren. Vandaar onze visie."

Duale stelsel

Een derde kwestie tot slot is het zogenoemde duale stelsel in de huidige plannen van de Raad van Financiële Toezichthouders. In die opzet kunnen assurantieadviseurs activiteiten op basis van een eigen vergunning verrichten (bijvoorbeeld de verkoop van een traditionele hypotheek) en daarnaast activiteiten op basis van de vergunning van de aanbieder (bijvoorbeeld de verkoop van een beleggingshypotheek). Het duale toezicht richt zich vervolgens op de vergunninghouder: de ene keer is dat de adviseur, de andere keer de aanbieder. "Wij zijn daar mordicus op tegen," zegt Van Voorst Vader. "Het ondermijnt ten principale de onafhankelijkheid van de distributiesystematiek, het geeft enorme kanaalconflicten en het legt een onuitvoerbaarheid neer bij de aanbieder van het product. Daarnaast is het zeer verwarrend voor de klant en zullen oneigenlijke marktreacties, die niet in het belang van de klant zijn, er het gevolg van zijn. Ook het Verbond van Verzekeraars is er sterk tegen en ik heb het gevoel dat het ministerie van Financiën er ook geen groot pleitbezorger van is. In ieder geval zal het in de samenwerkingsovereenkomsten tussen verzekeraars en tussenpersonen heel goed moeten worden geregeld. Door taken, verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden transparant te maken en goed te scheiden, kun je voorkomen dat je diffuse situaties krijgt en eindeloze interpretatieconflicten over wie nu waarvoor verantwoordelijk is geweest. Voor ons, maar ook voor de verzekeraars, is dat een heel wezenlijk punt."

Verschenen in: de Onderlinge, 2002

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl