IJ.G.A. Duit, directeur van Netherlands Institute for Co-operative Entrepreneurship (2002)

Het vet op de ribben: een luxeprobleem van onderlingen

Op vijf donkere winteravonden was er voor de FOV-leden een goede gelegenheid om hun licht op te steken op het gebied van coöperatieve financieringsstructuren. Is er voor onderlingen aanleiding om over een andere financieringsstructuur na te denken en zo ja, welke mogelijkheden zijn er dan? De deelnemers aan deze studiebijeenkomsten kregen een inleiding van en discussieerden met drs. ing. Ineke Duit. Zij is directeur van NICE, Netherlands Institute for Co-operative Entrepreneurship.

Het instituut NICE, opgericht in 1996, is ontstaan uit een gezamenlijk initiatief van onder meer de Nationale Coöperatieve Raad voor land- en tuinbouw, Universiteit Nyenrode en Rabobank Nederland. Het instituut is gespecialiseerd in bestuurlijke vraagstukken van coöperaties en richt zich door middel van opleidingen en bestuurlijke adviezen op de professionalisering van bestuurders van coöperaties. Het instituut heeft momenteel een team van zeven medewerkers en een kring van vaste freelancers. De dagelijkse leiding is in handen van drs. ing. Ineke Duit. Zij werkte eerder tien jaar bij de NCR, daarna enkele jaren bij een adviesbureau op coöperatief gebied en was zes jaar geleden nauw bij de oprichting van NICE betrokken. "De insteek van de FOV voor de studieavonden was het aansprakelijkheidsvraagstuk," aldus Ineke Duit in een gesprek met haar na afloop van de bijeenkomsten, "maar ik heb dat onderwerp breder getrokken naar coöperatieve financieringsstructuren. Het is tenslotte zo dat naarmate een bedrijf gezonder is gefinancierd, de aansprakelijkheid minder aan de orde is. Aansprakelijkheid is een instrument in de aanloopfase van een onderlinge of coöperatie, want dan is de vermogenspositie nog mager. Maar wanneer er meer vet op de ribben komt, wordt die aansprakelijkheid eigenlijk overbodig. Niet voor niets heeft een groot aantal onderlingen intussen een uitgesloten aansprakelijkheid."

Op naam stellen

Juist dat 'vet op de ribben' bij veel onderlingen, dat wil zeggen het meer dan voldoende eigen vermogen, kan volgens Ineke Duit de aanleiding zijn om over een andere financieringsstructuur na te denken. Andere coöperaties hebben dergelijke financieringsvraagstukken al veel eerder voor de kiezen gekregen, maar niet vanuit een luxeprobleem zoals bij de onderlingen, maar vanuit een schaarsteprobleem. Ineke Duit: "Veel coöperaties hebben in de afgelopen jaren met een tekort aan eigen vermogen te maken gekregen. Er is een afnemende bereidheid van leden om zo maar geld aan coöperaties ter beschikking te stellen. Als het winstsaldo elk jaar aan het eigen vermogen wordt toegevoegd, zo zeggen die leden, dan is dat van iedereen en niemand en als we stoppen, zien we daar niets van terug. Veel coöperaties zijn daarom gedwongen geweest om een andere financieringsstructuur te kiezen. Ze zijn begonnen met eigen vermogen op naam te stellen. Een gedeelte van het winstsaldo wordt dus op de individuele namen van de leden bijgeschreven. Wanneer de deelnemers hun lidmaatschap stoppen, kunnen ze zo toch nog een behoorlijk bedrag meekrijgen. Bij onderlingen echter speelt dat probleem niet. Bij veel onderlingen groeit en groeit het eigen vermogen maar en doet zich daarom de vraag voor: kunnen we een deel daarvan ook niet op naam gaan stellen?"

Actuele discussies

In haar presentatie tijdens de avondbijeenkomsten besprak Ineke Duit eerst het hoofdkenmerk van coöperatieve financieringsstructuren, namelijk dat niet met eigen vermogen van derden wordt gewerkt. Derden zijn immers vooral in het rendement van hun investering geïnteresseerd en niet zo zeer in de kwaliteit van het product of de dienstverlening van de coöperatie of de onderlinge. Vervolgens besprak zij enkele ontwikkelingen met betrekking tot dergelijke financieringsstructuren en gaf zij daar twee voorbeelden van. Een belangrijke ontwikkeling in de afgelopen jaren was natuurlijk de kwestie van het uittreedgeld. Enkele leden van een coöperatie hadden hun lidmaatschap opgezegd en moesten uittreedgeld betalen, maar vochten dit bij het Europees Hof aan en werden min of meer in het gelijk gesteld. Sindsdien is heffing van uittreedgeld niet langer zonder meer mogelijk en zullen coöperaties daar andere vormen voor moeten bedenken. Een ander ingrijpend discussiepunt betreft de aansprakelijkheid. Gaat een coöperatie of een onderlinge failliet en is er een bepaalde vorm van aansprakelijkheid, dan moeten de leden in het tekort bijdragen. Gevreesd wordt echter dat een dergelijke gang van zaken in de eerste plaats een enorme touwtrekkerij zou betekenen om dat geld op tafel te krijgen en in de tweede plaats, zeker als het een landelijk werkende coöperatie betreft, een enorme schade zou toebrengen aan het imago van andere coöperaties. De derde ontwikkeling die Ineke Duit besprak, betrof dan het op naam stellen van eigen vermogen.

Prikkels

"Als een onderlinge voldoende eigen vermogen heeft," zo stelt zij ten aanzien van dit thema voorop, "dan kan de maatschappij het winstsaldo natuurlijk gewoon aan het einde van het jaar uitbetalen. Vind je niettemin dat je dat geld in de organisatie moet houden, dan kun je een gedeelte daarvan op naam van de leden zetten. Het vergt enig denkwerk en er zullen wat belastingtechnische aspecten moeten worden uitgezocht, maar op zich is dat niet moeilijk. Voor onderlingen kan ik me twee redenen voorstellen om daarvoor te kiezen. De eerste is dat de betrokkenheid van de leden bij de onderlinge wordt vergroot en zij eerder geneigd zullen zijn om er geld in te laten zitten. De tweede reden is dat je zo beter zichtbaar maakt dat je met het eigen vermogen van de leden werkt. En voor verzekeringsmaatschappijen die in de riante positie verkeren dat ze alleen al vanwege het rendement op het eigen vermogen een leuke prestatie op jaarbasis neerzetten, zou dat best eens een prikkel kunnen zijn om het beleid weer eens wat aan te scherpen." Zal het daarentegen voor veel verzekerden, als ze zien dat er eigen vermogen op hun naam staat, ook niet een prikkel zijn om hun verzekering op te zeggen en hun deel te gaan 'cashen'? Ineke Duit: "Met dit aspect zul je wel degelijk rekening moeten houden. Om dat te voorkomen, zul je dus goed over de voorwaarden voor een uitkering moeten nadenken. Ik kan me bijvoorbeeld voorstellen dat je voor leden die naar een andere maatschappij overstappen, de uitbetaling een aantal jaren vertraagt, waardoor het al veel minder interessant wordt. Daarnaast kan ik me voorstellen dat dit aspect een onderlinge terughoudend maakt om bijvoorbeeld het eigen vermogen met terugwerkende kracht op naam te gaan zetten."

"Ik vond het zeer levendige bijeenkomsten," aldus Ineke Duit tot slot. "De mensen waren zeer geïnteresseerd. Ik heb ook een financieringsmodel van een coöperatie laten zien waarbij mensen extra geld in de organisatie kunnen pompen zónder daarvoor extra zeggenschap te krijgen. Dat leverde veel gespreksstof op. Een ander terugkerend onderwerp in de discussie was - toch nog - de aansprakelijkheid. We zeggen altijd wel dat de aansprakelijkheid pas in het geding komt als een organisatie ten onder gaat, maar we hebben natuurlijk ook nog de tussentijdse aansprakelijkheid, dus bij jaarlijkse verliezen. Ook dat bracht de nodige beroering in de zaal!"

Verschenen in: de Onderlinge, 2002

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl