P.J.A. van Schijndel, directievoorzitter van Interpolis (2001)

Debat over premiedifferentiatie moet spelregels duidelijk maken

Nadat levensverzekeraar Legal & General lagere premies voor welgestelden had geïntroduceerd, liet Piet van Schijndel, directievoorzitter van Interpolis, in een felle reactie weten daar geen goed woord voor over te hebben. Zijn standpunt is dat je niet moet differentiëren, daar waar mensen niet verantwoordelijk voor een bepaald handelen kunnen worden gesteld. Van Schijndel pleit voor een brede discussie tussen verzekeraars over de spelregels van premiedifferentiatie.

Legal & General Nederland profileert zich als een levensverzekeraar voor particulieren met hogere inkomens. De maatschappij stelt dat mensen met een hoog inkomen of een eigen vermogen een substantieel lagere kans hebben om voor hun vijfenzestigste te overlijden. Dit zou dan het gevolg zijn van een gezonder eetpatroon, het beter gebruik maken van preventieve gezondheidszorg, een betere huisvesting of betere arbeidsomstandigheden. Wie minstens bruto een ton verdient of netto een half miljoen eigen vermogen heeft, komt in aanmerking voor een overlijdensverzekering waarvoor de premie, althans volgens de verzekeraar zelf, twintig tot veertig procent onder het marktgemiddelde ligt. Piet van Schijndel zet grote vraagtekens bij deze vorm van premiedifferentiatie. "Zeggen ze tegen diezelfde mensen ook: u bent gezonder, dus u leeft langer, dus uw pensioen is duurder en dus verhogen we de premies daarvoor? Nee, dat doen ze niet. In ieder geval is het dus al een zeer inconsequente manier van differentiëren!"

Op handelen aanspreken

Premiedifferentiatie blijft ook in de komende jaren een actueel onderwerp. Niet alleen acties als die van Legal & General bewerkstelligen dat. De branche heeft daarnaast met prikkels vanuit de politiek en de samenleving te maken - denk aan de discussie onlangs met minister Borst over het al of niet vergoeden van medicijnen voor rokers - en met nieuwe mogelijkheden vanuit de wetenschap - denk aan de gentechnologie, die fundamentele vraagstukken opwerpt ten aanzien van de verzekerbaarheid van gezondheids- en overlijdensrisico's. Ook worden bij steeds meer schadeverzekeringen premies gedifferentieerd, op grond van preventieve maatregelen als de beveiliging van de woning of het inbouwen van een startonderbreker. Van Schijndel: "Ook wij bekijken bij nieuwe producten steeds heel nadrukkelijk in hoeverre we premiedifferentiatie moeten doorvoeren. Ons uitgangspunt daarbij is dat je kunt overwegen om te differentiëren, daar waar je mensen op hun handelen kunt aanspreken. Je moet er dan nog heel voorzichtig mee zijn, maar in dat geval is premiedifferentiatie te overwegen. Maar in het geval van Legal & General is daar helemaal geen sprake van en Interpolis gaat daar dus niet in mee!"

Doorgeschoten

Piet van Schijndel erkent dat het criterium van aanspreekbaarheid op het handelen van de verzekerde niet altijd stand houdt. Interpolis berekent immers ook voor overlijdensrisicoverzekeringen lagere tarieven voor vrouwen dan voor mannen en 'vrouw zijn' is natuurlijk geen handeling van de verzekerde (laat staan dat je er mannen op zou kunnen aanspreken dat ze geen vrouw zijn). "We differentiëren allemaal," zegt Van Schijndel, "ook Interpolis, laat daar geen misverstand over bestaan. Als verzekeraar kijken we natuurlijk ook naar de tariefstructuur van de concurrentie. Als wij morgen niet meer tussen mannen en vrouwen in risicopremie zouden differentiëren, zouden we ons bij een belangrijke doelgroep uit de markt prijzen en dus onszelf in de vingers snijden. Daarom zitten wij daar ook nog met het nodige opportunisme in. Mijn vraag is wel of we in sommige dingen niet te ver zijn doorgeschoten. Ik vind dat we in differentiëren niet voorzichtig genoeg kunnen zijn, omdat het de grondslagen van het verzekeringsvak aantast. Grenzen zullen nooit eenduidig te trekken zijn, het is niet zwart of wit, er is altijd een grijs gebied."

Discussies

Ten aanzien van premiedifferentiatie zijn volgens Van Schijndel nog veel vragen onbeantwoord. "Mevrouw Borst heeft een punt als het om rokers en niet-rokers gaat," zo zegt hij. "Maar hoe zit het dan met mensen die door een bepaald eetgedrag twintig kilo te zwaar zijn? Zij hebben ook een gezondheidsrisico! En wat te denken van verzekerden die aan gevaarlijke sporten doen? Er zijn tegenwoordig mensen die uit een helicopter springen en vervolgens een berg afskiën. Zulke aspecten horen er dan ook bij. Menselijk handelen dat echt risicovol is, gaat veel verder dan alleen maar roken." Ook de consequenties van de gentechnologie voor verzekeren en verzekerbaarheid zijn volgens Piet van Schijndel nog lang niet voldoende in kaart gebracht. "Als we een verzekeringscontract afsluiten, gaan we ervan uit dat de verzekeraar over dezelfde informatie beschikt als de klant. Betekent dit dat verzekeraars over het genenpaspoort van hun verzekerden mogen beschikken? En als dat zo is, mogen we dan nog iets met die gegevens doen in de zin van premiedifferentiatie? Mijn vertrekpunt daarbij is heel voorzichtig. Want genen, die krijg je, en daar kun je de verzekerde niet op aanspreken. Hoogstens zou je nog kunnen zeggen dat hij gelet op gebleken verhoogde risico's zijn levenswijze op een bepaalde manier zou moeten aanpassen. Maar een roker zou op zijn beurt weer kunnen zeggen, dat het in zijn genen ligt besloten dat hij rookt en dat hij daar dus niets aan kan doen. En dat is dan weer een heel andere discussie."

Debat

"Ik heb de wijsheid niet in pacht en ik neem dus ook geen stelling in, als Interpolis, hoe het zou moeten. Mijn punt is wel dat we als verzekeraars maar eens bij elkaar moeten gaan zitten en er goed met elkaar over moeten praten. Juist omdat premiedifferentiatie het principe van verzekeren kan aantasten, zouden we daar een goed debat over moeten hebben. Binnen het Verbond van Verzekeraars wordt al wel over het onderwerp gediscussieerd, maar ik zie dat nog te veel elke verzekeraar zijn eigen positie kiest," aldus Piet van Schijndel.

Onderlingen

De vraagstukken rondom premiedifferentiatie spelen vanzelfsprekend voor onderlinge verzekeraars in gelijke mate als voor overige maatschappijen, maar de interne discussie erover is volgens Van Schijndel door onderlingen gemakkelijker te voeren. Hij zegt: "Onderlinge verzekeraars hebben op zich geen aparte rol, positief noch negatief, want alle verzekeraars hebben hierin een eigen verantwoordelijkheid. Wel is het zo dat bij onderlingen de bijzondere situatie optreedt dat de leden van de onderlinge, de verzekerden, zelf dat debat over premiedifferentiatie kunnen voeren. Vervolgens is er bij kleine onderlingen sprake van een zekere sociale controle onder de leden, terwijl de klanten van de grote maatschappijen elkaar niet eens kennen. Ook zijn bij kleine onderlingen de leden, met name de bestuursleden, vaak bij de schadeafhandeling betrokken, waardoor ze meer gelegenheid hebben om mensen op hun handelen aan te spreken dan de 'anonieme' maatschappijen. Dit zijn allemaal van oudsher sterke punten van de onderlingen, waardoor de discussie over premiedifferentiatie binnen de onderlingen eerder aan de orde kan zijn."

Verschenen in: de Onderlinge, 2001

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl