J.M. Willink, vice-president van de Rechtbank 's-Gravenhage (2008)

Complexe letselschadezaken in één dagdeel tot een goed einde door meervoudige comparities bij de Haagse rechtbank

Sinds medio 2005 gelast de rechtbank in Den Haag in elke letselschadezaak na één schriftelijke ronde (de dagvaarding en conclusie van antwoord) een comparitie. Schriftelijk doorprocederen is er dus niet meer bij. Bovendien vinden deze comparities voor de meest gecompliceerde letselschadezaken in een meervoudige setting plaats, dus met drie rechters in plaats van één. De resultaten daarvan zijn zeer bemoedigend, aldus mevr. mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en mevr. mr. J.M. Willink, respectievelijk rechter en coördinerend vice-president van de Rechtbank 's-Gravenhage.

De civiele sector van de rechtbank was vroeger vooral een schrijfsector, waarbij de rechter het schriftelijke debat tussen de partijen in een vonnis beslechtte. In het laatste decennium van de vorige eeuw is dat veranderd. In civiele procedures gelastte de rechter vaker dan voorheen een comparitie om met partijen mondeling van gedachte te wisselen. Het in 2002 ingevoerde nieuwe wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft deze ontwikkeling een wettelijke basis gegeven. In het nieuwe procesrecht is aan de comparitie na antwoord en de actieve rechter in civiele zaken een prominente plaats toegedacht. Momenteel wordt in ongeveer 90 procent van alle civiele zaken zo'n comparitie bepaald. De Haagse rechtbank heeft daar in het zogenoemde letselschadeproject nog een schepje bovenop gedaan. In dit project, dat deel uitmaakt van het algemene streven naar kwaliteitsverbetering op het terrein van letselschadebehandeling, wordt geprobeerd gecompliceerde letselschadezaken binnen één jaar na aanbrengen door het rechtbanktraject te helpen, door deze zaken op een comparitie na antwoord te behandelen, in een meervoudige setting. Sonja Hoekstra en Juke Willink zijn de initiatiefnemers van dit project. "In de gecompliceerde letselschadezaken die we nu op de zitting doen," aldus Juke Willink, "zei de rolrechter vroeger: laat maar doorprocederen en wachten tot de partijen klaar zijn met concluderen. Maar dat is nu geen gemeengoed meer, want doorprocederen is in de tegenwoordige procedures vaak een herhaling van zetten. Daarom zeggen we nu: kom maar op de zitting, zeg het ons maar met de partijen erbij en ga met elkaar in discussie en debat. De civiele rechter is dus geen lijdelijke rechter meer, maar een leidende rechter." Juke Willink wijst er overigens op, dat de Haagse rechtbank momenteel nog met de afdoening van letselschadezaken 'oude stijl' heeft te maken. "In de zaken waarin de nieuwe gedragscode wordt toegepast, zit buitengerechtelijk waarschijnlijk veel meer tempo. Wat dat betreft is er veel verbeterd!" zo zegt ze.

Vast verloop

De meervoudige zittingen in het Haagse letselschadeproject duren minimaal een dagdeel en kennen een vast verloop. Nadat het doel van de zitting is uiteengezet en partijen is verteld wat ze die dag van de rechtbank kunnen verwachten, wordt begonnen met de feitelijke behandeling van de zaak. Daarbij krijgen in ieder geval de benadeelden uitvoerig de gelegenheid hun verhaal te vertellen. "Dit onderdeel van de zitting is tijdrovend, maar essentieel," zegt Sonja Hoekstra. "Vaak is het de eerste keer dat een benadeelde zich serieus gehoord voelt en dat de wederpartij en de benadeelde rechtstreeks contact met elkaar hebben. Geregeld komt zo nieuwe relevante informatie op tafel." Na de feitelijke behandeling worden de medische gegevens en rapportages in het dossier op hoofdlijnen doorlopen, waarna de juridische ronde volgt. Daarbij krijgen de advocaten en zo nodig de schadebehandelaar de gelegenheid om hun standpunten met betrekking tot bijvoorbeeld de causaliteit toe te lichten. Sonja Hoekstra: "Het gaat hierbij om de koppeling tussen de behandelde feiten en de juridische duiding ervan. Het doel van de zitting blijft immers duidelijkheid, zowel feitelijk als juridisch." Na deze ronde volgt een eerste schorsing, tijdens welke de drie betrokken rechters zich met elkaar bezinnen en gezamenlijk tot een voorlopig oordeel komen. In dit voorlopig oordeel geeft de rechtbank hardop denkend aan hoe zij de argumenten van partijen weegt en formuleert zij aan de hand daarvan de te hanteren uitgangspunten. "Het oordeel is weliswaar voorlopig," aldus Sonja Hoekstra, "maar de ervaring leert, dat als het op een vonnis aankomt, het voorlopig oordeel op hoofdlijnen veelal een definitief oordeel blijkt te zijn. De kans dat dit oordeel alsnog kantelt, is dus uiterst klein." Na het voorlopig oordeel volgt de feitelijke behandeling van de diverse schadeposten, waarbij het voorlopig oordeel als uitgangspunt dient. De rechtbank rekent daarbij zo nodig aan partijen de hoogte van de schadeposten voor, waaronder ook in voorkomende gevallen de post verlies verdienvermogen. "Alles is immers gericht op een zo concreet mogelijke begroting van de schade," zegt Sonja Hoekstra. "Veelal volgt hierna weer een schorsing met daarna het voorlopig oordeel van de rechtbank over de toewijsbaarheid van de schadeposten. Vaak hebben partijen daaraan genoeg bij hun onderhandelingen om tot een regeling te komen. Soms vragen zij de rechtbank daarbij nog een handje te helpen. Soms ook komen partijen uiteindelijk tot de conclusie dat een regeling er niet in zit en vragen zij vonnis. In alle gevallen verlaten partijen de zaal met de beloofde duidelijkheid. Steeds weer zien we dat die duidelijkheid, hetzij via een vonnis, hetzij via een regeling, voor alle betrokkenen een grote opluchting betekent. En dat geeft ons dan weer de voldoening dat ons werk niet voor niets is geweest."

Gedegen voorbereiding

Voor een goed verloop van deze comparities is een gedegen voorbereiding van de drie rechters essentieel. "We kennen de dossiers echt tot in de puntjes," zegt Juke Willink. "Daar nemen we alle drie de volle verantwoordelijkheid voor. Voorafgaande aan de zitting toetsen we elkaars oordeel ook en streven we naar eenstemmigheid achter de tafel. Dat vraagt soms veel overleg en veel heroverweging." Ook van de procederende partijen wordt verwacht dat zij zich goed voorbereiden. Dat begint al bij het opstellen van de processtukken. Het nieuwe procesrecht stelt de partijen de eis van de substantiërings- en bewijsaandraagplicht. Partijen kunnen dus niet meer met het poneren van blote stellingen volstaan, maar moeten uit eigen beweging alle stukken overleggen die met de aansprakelijkheid, het causaal verband tussen het ongeval en het letsel en de omvang van de schade hebben te maken. Idealiter wordt in de procedure een op alle fronten volledig en overzichtelijk dossier aangeleverd, maar de praktijk is geregeld anders. Om te voorkomen dat de meervoudige kamer van de rechtbank pas op de zitting met een onvolledig dossier wordt geconfronteerd, wordt elk dossier ruim voor de zitting door een van de rechters doorgenomen en wordt nagegaan welke stukken ontbreken. Deze stukken worden alsnog bij partijen opgevraagd. "Advocaten merken dat we ons goed hebben voorbereid," zegt Juke Willink. "Vaak ook hebben we de dossiers beter doorgrond dan de advocaten, onder meer doordat we er met z'n drieën naar hebben gekeken." Sonja Hoekstra: "Ook al lees je zo'n dossier heel zorgvuldig, je mist altijd wel wat. Alleen missen we zelden alle drie hetzelfde. Wat dat betreft zijn we complementair aan elkaar. Doordat we alle drie verschillende accenten leggen, krijgen we een veel beter beeld van zo'n dossier dan wanneer je dat in je eentje bestudeert. Het aardige is bovendien, dat in de voorbereiding de persoonlijke kwaliteiten zich heel goed mengen. De ene rechter kan heel goed juridisch-technisch de puntjes op de i zetten, de ander is een ster in het uitpluizen van medische stukken en de derde is weer heel goed in het financiële gedeelte."

Voordelen

De behandeling door een meervoudige kamer heeft nog andere voordelen dan het effect van de gezamenlijke voorbereiding. "Het zijn gecompliceerde zaken, die ook voor ons als rechters inspannend zijn," zegt Juke Willink. "Het is dan ook prettig als we de rollen wat kunnen verdelen, niet alleen in het behandelen van de zaak, maar ook door te kijken wat er in de zaal gebeurt. Als een van ons met een van de partijen in discussie is, hoe reageert dan de andere partij daarop? Hoe is zijn lichaamstaal? De rechter die niet behandelt, kan dat goed in de gaten houden en zo nodig daarop inspelen. Bovendien blijkt de balans in aandacht ontzettend belangrijk te zijn. Partijen willen precies evenveel aandacht, misschien niet zo zeer in tijd, als wel in intensiteit. Je hebt claimers die alle aandacht naar zich toezuigen en er zijn mensen die zich bescheidener opstellen. We merken dat als we die balans niet goed in de hand houden, het proces niet lekker loopt." Sonja Hoekstra: "Daarnaast heeft het rechterlijk oordeel van een meervoudige kamer veel meer gezag dan van een enkelvoudige. Partijen denken eerder dat het wel zal kloppen als er, net als bij een hof, drie rechters naar hebben gekeken. Advocaten maken ook een zelfde kansinschatting: als deze rechters het vinden, wat is dan mijn kans dat drie rechters bij het hof anders zullen oordelen? Je weet dat natuurlijk niet zeker, maar die kans is waarschijnlijk kleiner dan wanneer een rechter in zijn eentje een oordeel vormt." Juke Willink: "Daarnaast is er nog het voordeel van de mondelinge behandeling boven het schriftelijk procederen. Wij proberen op de zitting de dialoog weer op gang te brengen en dat werkt erg goed. Een partij die zich gehoord voelt, blijkt doorgaans beter in staat meer genuanceerd over eigen standpunten na te kunnen denken en dat werkt bevorderend in de oplossende sfeer. Advocaten komen uit hun stellingname en partijen zien dat er aan hun zaak wordt gewerkt. En als bijvoorbeeld een verzekeraar aan de gedaagdenkant gemeend empathisch kan zeggen, dat de behandeling van de zaak buiten rechte geen schoonheidsprijs verdient, dan zie je de benadeelden denken: hè hè, dat had ik altijd al gedacht. Op schrift gebeurt dat niet, want dan staat het te veel zwart op wit, maar in het rechterlijk traject kan dat mondeling dus wel."

Navolging in het land

De aanpak van letselschadezaken door de Haagse rechtbank mag succesvol worden genoemd. Momenteel worden ongeveer drie zaken per maand meervoudig behandeld. Helaas loopt de wachttijd op, omdat de rechterscapaciteit beperkt is. Van de circa tachtig meervoudig behandelde zaken in 2006 en 2007 werd 70 à 75 procent tijdens de comparitie door partijen geregeld en in vrijwel alle resterende zaken werd zonder enig inhoudelijk tussenvonnis meteen eindvonnis gewezen. Een enkele zaak werd aangehouden voor verdere afdoening buiten rechte. In andere complexe civiele zaken worden deze percentages bij lange na niet gehaald. Omdat statistisch van alle civiele zaken in Nederland ongeveer 10 procent in appel gaat en er geen aanwijzingen zijn dat dit percentage niet ook geldt voor de gecompliceerde letselschadezaken die door het Haagse letselschadeteam worden behandeld, gaat dus gemiddeld nog geen 3 procent van deze complexe tot zeer complexe letselschadezaken in Den Haag in hoger beroep. De Haagse aanpak brengt dus bovendien een duidelijke ontlasting van het hof mee. Het project in Den Haag heeft ook de aandacht van andere rechtbanken in Nederland - regelmatig komen rechters van elders een zaak bijwonen om de werkwijze te bekijken - en het project heeft bijvoorbeeld in Amsterdam al navolging gekregen. Daarnaast is de Haagse rechtbank begonnen om de meervoudige comparitie ook toe te passen bij andere zaken waarin grote emotionele belangen spelen en grote bedragen aan de orde zijn, bijvoorbeeld bij erfeniszaken en bij verdelingen tussen ex-echtelieden. Sonja Hoekstra: "In de civiele sector van de rechtbank in Den Haag zijn zeker dertig rechters werkzaam. Ga je dan een enkele keer extra met z'n drieën zitten, dan is dat nog wel te doen. Voor kleine rechtbanken, met bijvoorbeeld een bezetting van tien rechters, is dit praktisch moeilijker te realiseren. Overigens zijn we over ons project ook in gesprek met de Raad voor de rechtspraak, met name over hoe we hiermee verder kunnen gaan. De Raad heeft al wel te kennen gegeven zeer geïnteresseerd te zijn en het een heel goed initiatief te vinden." Juke Willink: "De Raad zou eventueel een rol kunnen spelen bij de verspreiding van de knowhow en natuurlijk voor wat extra financiële middelen kunnen zorgen. Want wij doen het vooralsnog op een koopje!"

Verschenen in: PIV-Bulletin (2008)

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl