|
||
|
C. Gijselinckx, research manager Katholieke Universiteit Leuven (2009)
Over de meervoudige kracht van het coöperatieve modelOp de Algemene Ledenvergadering van de FOV in mei jongstleden verzorgden twee sprekers een presentatie. Mr. Toni van Hees van Stibbe Advocaten in Amsterdam sprak over persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen en dr. Caroline Gijselinckx, onderzoekleidster aan het Hoger Instituut voor Arbeid van de Katholieke Universiteit te Leuven, sprak over de meervoudige kracht van het coöperatieve model. In het meinummer van de Onderlinge stond een samenvatting van Van Hees' presentatie; in het artikel hieronder is de lezing van Caroline Gijselinckx weergegeven. Dr. Gijselinckx begon haar presentatie met een korte uiteenzetting over de allereerste coöperatieve onderneming, namelijk de winkel van de Rochdale Society of Equitable Pioneers. Deze coöperatie werd in 1844 door zevenentwintig wevers opgericht en wordt beschouwd als de basis van de coöperatieve beweging. De handwerkers in die tijd leefden als gevolg van de industriële revolutie in bittere armoede en besloten daarom hun krachten te bundelen, om zo voor verbeteringen in hun welvaart en welzijn te zorgen. Zij formuleerden tien principes, die nog steeds, zij het geherformuleerd, de principes van de International Co-operative Alliance (ICA) vormen. Caroline Gijselinckx ging verderop in haar lezing nog op deze principes in. "Die principes hebben ervoor gezorgd", aldus Gijselinckx, "dat de coöperatieve beweging in Engeland maar liefst meer dan twee miljoen leden telt en vertakt is in alle economische activiteiten, van verzekeringen tot supermarkten en van begrafenisondernemers tot landbouwers. Het coöperatieve model kan dus heel erg krachtig zijn, als het maar goed wordt benut." RenaissanceVolgens Caroline Gijselinckx is 2009 het jaar bij uitstek om het coöperatieve model opnieuw 'in the picture' te zetten. "We hebben een tijd gekend waarin het coöperatieve niet zo belangrijk werd gevonden en waarin puur om pragmatische, financiële of opportunistische redenen een coöperatieve structuur werd opgezet of gehandhaafd. De coöperatieve principes werden nogal eens uit het oog verloren, met alle risico's van dien op demutualisering of de verkoop van gedeeltelijke of volledige coöperaties. In de jongste jaren echter merken we in België, maar ik meen ook in Nederland, een zekere renaissance van het coöperatieve gedachtegoed. Het zal daarom niet slecht zijn om dat coöperatieve gedachtegoed in 2009 opnieuw in de etalage te zetten en verder uit te dragen." Gijselinckx noemde drie ontwikkelingen die aan deze heropleving van de coöperatie bijdragen. De eerste is de financiële crisis en de economische crisis als gevolg daarvan. Deze crisis zorgt op macroniveau voor een serieuze verschraling van de publieke en private sociale dienstverlening. Op mesoniveau staat het resultaat van ondernemingen onder druk en in het verlengde daarvan de relatie tussen die ondernemingen en de aandeelhouders. Op microniveau ervaren mensen een druk op het gezinsinkomen en op de werkgelegenheid. De tweede ontwikkeling is de toenemende aandacht voor maatschappelijk verantwoord ondernemen, "dikwijls", aldus Gijselinckx, "om als sausje over de aandeelhouderswaarde te gieten. Ondernemers willen voordoen alsof ze die aandeelhouderswaarde realiseren op een manier die toch ook wel met andere 'stakeholders' en bijvoorbeeld ook met het milieu rekening houdt." De derde ontwikkeling is de toenemende regelgeving. "De overheid ziet dat de markt zichzelf niet kan reguleren en moet dus ingrijpen. Coöperatieve ondernemers nemen echter het heft in eigen handen, doen het zelf goed en kunnen dus met minder regulering af." Definitie en principesIn navolging van ICA definieerde Gijselinckx coöperatief ondernemen als een manier van ondernemen, die gepraktiseerd wordt in economische organisaties, die vrijwillig worden opgericht door personen, om gemeenschappelijke noden en verwachtingen te lenigen, die ze ieder afzonderlijk niet of niet in dezelfde mate kunnen lenigen, en die het gezamenlijk eigendom zijn van haar leden, die haar democratisch controleren. Deze definitie verwoordt ook de principes van het coöperatief ondernemen. Caroline Gijselinckx: "Het gaat erom dat er een vrijwillig en open lidmaatschap is. Iedereen die dat nuttig acht, kan tot een coöperatie toetreden, maar niemand kan ertoe worden verplicht. Democratische controle door de leden is bijzonder belangrijk. Democratische controle betekent ook dat de leden het beleid van de coöperatie mogen meebepalen. Een derde principe is de economische participatie door de leden, dus het meedelen in de winst. Winst kan als een dividend worden uitgekeerd, dus als een vervoeding voor ingebracht kapitaal, en als een ristorno, dus als een vergoeding naar rato van de transacties met de coöperatie. Coöperaties kunnen dus zowel de aandeelhouders- als de gebruikerswaarde van de leden honoreren. Coöperaties moeten vervolgens autonoom en onafhankelijk zijn, dus met een eigen bestuurscollege en niet afhankelijk van overheden of andere grote organisaties. Overheden kunnen wel stakeholder zijn of lid van het bestuur, maar kunnen geen beslissend stempel op de coöperatie drukken. Een volgend principe betreft opleiding, vorming en informatie. Dat was al in de tijd van de Rochdale Equitable Pioneers ongelooflijk belangrijk. Mensen die van toeten noch blazen wisten, moesten wel toezicht op de coöperatie gaan houden en mede de koers gaan bepalen. Ook nu nog geldt dat als de leden onvoldoende geïnformeerd zijn en onvoldoende weten wat de voordelen van de coöperatie zijn en wat het gedachtegoed erachter is, dat zij zich dan niet betrokken zullen voelen bij de coöperatie. Ook 'coöperatie tussen coöperaties' is een oud principe. Coöperaties moeten elkaar versterken door samen het coöperatieve gedachtegoed uit te dragen en onderling aan informatieuitwisseling te doen. Een laatste principe, aandacht voor de gemeenschap, is recent door ICA toegevoegd. Het risico is aanwezig dat coöperaties zich te veel naar binnen richten, terwijl het belangrijk is dat ook buiten de club wordt gekeken naar wat belangrijk voor de gemeenschap is." Troeven van de coöperatieIn het vervolg van haar presentatie besprak Caroline Gijselinckx de relatie tussen de coöperatie en haar leden. De leden hebben in feite een dubbele identiteit. Ze zijn gebruikers van de coöperatie - de coöperatie is immers een economisch instrument om hun noden en verwachtingen te lenigen - en ze zijn eigenaar van de coöperatie, zowel in financieel als in sociaal opzicht. Vervolgens ging Gijselinckx in op de belangrijkste voordelen van de coöperatie. Coöperatief ondernemen creëert schaalvoordelen, verlaagt transactiekosten, zorgt voor lokale verankering en kan voor draagvlak zorgen. Bij dit laatste punt gaf ze een sprekend voorbeeld. "In België zijn in de afgelopen jaren veel coöperaties opgericht in het kader van nieuwe milieuvriendelijke energie: grote, nationaal actieve coöperaties, maar ook coöperaties op lokaal niveau. Het bouwen van windmolens wil nogal eens voor commotie zorgen, waarbij vaak het nimby-effect optreedt: 'not in my backyard'. Die lokale coöperaties investeren dan serieus in het creëren van draagvlak, bijvoorbeeld door het organiseren van molenfeesten. Als de molen er eenmaal is en men heeft er de voordelen van, namelijk milieuvriendelijke energie tegen een goede prijs, dan kunnen de molenfeesten bijdragen aan een vermindering van de weerstand ertegen." Nog andere belangrijke troeven van coöperaties liggen in de correctie van marktfalen (toegankelijke en kwaliteitsvolle dienstverlening staat voorop) en overheidsfalen (geen zware regelgeving en geen politieke besluitvorming). VoorwaardenOm de meervoudige kracht van de coöperatie ten volle te benutten, zo betoogde Caroline Gijselinckx aan het slot van haar presentatie, moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Om te beginnen moet een oplossing voor het vrijbuiterprobleem worden gevonden. "Vrijbuiters zijn bijvoorbeeld melkveehouders die tot de zuivelcoöperatie toetreden op het moment dat de melkprijs laag is, maar hun melk zelf op de markt gaan zetten zodra de melkprijs weer omhoog gaat. Zulke vrijbuiters doen de coöperatie natuurlijk geen goed." Ook het zogenoemde horizonprobleem moet worden opgelost. Gijselinckx: "De individuele leden hebben meestal een korter-termijnperspectief dan de coöperatie. De leden van een zuivelcoöperatie die een voorgestelde melkprijs moeten bekrachtigen, moeten daarom begrijpen dat die prijs op een berekening van een x-aantal jaren of zelfs decennia is gebaseerd." Belangrijk is voorts dat de toegankelijkheid van de dienstverlening gewaarborgd blijft. "Een coöperatie wil nog wel eens een elitair clubje worden. Mensen die het zich kunnen veroorloven, kunnen lid worden en anderen niet. Daarom ook is er in België nogal wat weerstand tegen het inbrengen van de zorg in coöperatieve structuren. Men kan dergelijke problemen oplossen door voor een sterke gemeenschappelijke coöperatieve identiteit te zorgen. Zeker als het ledenbestand heterogeen is, moet daar echt werk van worden gemaakt." Nog andere voorwaarden die Gijselinckx behandelde, kwamen goeddeels overeen met de principes van het coöperatieve model. "Is eenmaal aan die voorwaarden voldaan", aldus Caroline Gijselinckx tot slot, "dan maakt de eigenheid van het coöperatief ondernemen het tot een uitstekend instrument om een antwoord te bieden op de uitdagingen van vandaag!" Verschenen in: 'de Onderlinge' (2009) Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl
|