|
||
|
J. van Duinkerken, directeur van Veduma Medisch Adviseurs (2005)
Dokter, blijf dokter en jurist, blijf jurist"Vaak wordt er gesproken over problemen in het medisch traject in de letselschaderegeling. Ik blijf echter bestrijden dat die er zijn. Er zijn géén problemen in het medisch traject in de letselschaderegeling, voor zover het gaat om medisch vaststelbare letsels. Of het nu om privacy gaat of het opvragen van de patiëntenkaart van de huisarts - discussies daarover zijn nooit problematisch wanneer er sprake is van medisch vaststelbare afwijkingen." Aldus Jan van Duinkerken, verzekeringsarts/RGA en directeur van Veduma Medisch Adviseurs in Zaltbommel. Geen problematische discussies over privacy? "De hele privacywetgeving is al uitgekauwd," zegt Van Duinkerken. "Er zijn veel wetten van toepassing, artsen hebben hun gedragsregels en ook in de beroepscode van medisch adviseurs staat vrij scherp omschreven hoe met medische en privacygevoelige gegevens moet worden omgegaan. Regelgeving is er voldoende en is eigenlijk ook wel helder." En bijvoorbeeld de angst voor verkeerd gebruik van de patiëntenkaart? "Ook de regelgeving daaromtrent is vrij strikt," zegt hij. "De regelgeving van verzekeraars is soms zelfs nog strikter dan de wetgeving. Mocht het gebeuren, maar ik heb de indruk dat dit uitzonderlijk is, dat gegevens niet bij de medisch adviseur blijven en bij de verzekeraar gaan rondzwerven, dan moeten die medisch adviseur en die verzekeraar daarop worden aangesproken." Scheiding van rollenVoor een goed verloop van het medisch traject in de letselschaderegeling staat voor Jan van Duinkerken voorop dat er een scherpe scheiding moet zijn tussen enerzijds de rol van de medisch adviseur en anderzijds de rol van de jurist, zijnde de belangenbehartiger van de benadeelde of van de verzekeraar. "Dokter, blijf dokter - jurist, blijf jurist," zo zegt hij. "Van letselschadejuristen mag worden verwacht dat zij meer van trauma's en medische gevolgen van ongevallen weten dan een gemiddelde Nederlander en van medisch adviseurs mag worden verwacht dat zij meer weten van juridisch relevante uitspraken en wetgeving, maar ze moeten continu bewaken dat ze op hun eigen gebied blijven. Nu komt het nog vaak voor dat de medisch adviseur bijvoorbeeld wordt gevraagd of het nodig is om de patiëntenkaart op te vragen. Alvorens hij ja of nee zegt, moet de medisch adviseur dan gaan bedenken wat mogelijk juridisch relevant zou kunnen zijn. Medisch adviseurs zouden de vraag moeten terugspelen: wat wilt u precies weten!" Vraagstelling"Het gaat daarbij met name om de gegevens van het slachtoffer voor het ongeval," vervolgt Jan van Duinkerken, over deze toch ook in zijn ogen problematische discussie. "Een belangrijke oorzaak van die discussie zit in het feit dat voor medisch adviseurs vaak niet duidelijk is wat van belang is. Juristen moeten alvorens zij een schade kunnen regelen, veel beter formuleren wat zij precies willen weten. Vinden zij het van belang om een inschatting van iemands gezondheid te maken als het ongeval niet was gebeurd, dan zal de medisch adviseur informatie over die situatie tot aan dat ongeval moeten hebben. Juristen zullen dan ook goed moeten aangeven wat precies relevant is, op grond waarvan medisch adviseurs kunnen zeggen welke informatie zij nodig hebben. Het probleem is nu nog dat juristen zelden een expliciete vraag aan de medisch adviseur stellen. Gebeurt dit wel, dan formuleert de jurist van de benadeelde zijn vragen vaak net iets anders dan de jurist van de verzekeraar, waardoor de twee medisch adviseurs tot verschillende antwoorden kunnen komen. Het zou daarom goed zijn als zij dezelfde vragen zouden krijgen." ScherperJan van Duinkerken verwacht belangrijke verbeteringen op dit punt vanuit de Interdisciplinaire Werkgroep Medische Deskundigen onder leiding van professor Akkermans aan de VU in Amsterdam en het project 'Procedurele normering' onder leiding van professor Barendrecht aan de Universiteit van Tilburg. Het 'studiemodel vraagstelling' dat in Amsterdam is ontwikkeld, beoordeelt Van Duinkerken als 'een goed handvat om heldere, juridisch relevante vragen bij medisch adviseurs neer te leggen'. Ook de procedurele normering van het medisch traject, dat in Tilburg als laatste onderdeel van het project in gang is gezet, zal er volgens Van Duinkerken toe leiden dat de vraagstelling aan de medisch adviseurs scherper zal worden, waardoor discussies die nu nog vaak plaatsvinden, dan tot het verleden zullen behoren. De communicatie tussen juristen en medisch adviseurs is ook aan de orde in de activiteiten van de Stichting Opleiding en Registratie Medisch Deskundigen (Stichting Ormed), waarvan Jan van Duinkerken bestuurslid is. Deze stichting is gezamenlijk door het PIV en LSA opgericht en heeft de bevordering van de kwaliteit van medisch deskundigenrapportages tot doel. Geen antwoord geven"De Stichting Ormed is erop gericht deskundigen te krijgen, die rapporten kunnen maken die ook voor juristen bruikbaar zijn," licht Van Duinkerken toe. "De stichting houdt zich niet met medisch inhoudelijke zaken bezig, want dat kunnen alleen beroepsgroepen doen, maar wil wel stimuleren dat er voldoende opleiding is, gevolgd door registratie en toetsing. Wat mij betreft mag de Stichting Ormed ook bereiken, maar de beroepsgroepen kunnen daar ook aan werken, dat dokters op een gegeven moment durven te zeggen: ik snap de vraag wel, maar daar kan ik vanuit mijn beroep wetenschappelijk gezien geen antwoord op geven. Ook dan zouden we een heel eind verder zijn. Het probleem is vaak dat een dokter die een vraag krijgt voorgelegd, zich deskundige voelt omdat hij als deskundige wordt benaderd en daarom snel geneigd zal zijn om die vraag te beantwoorden, of dat nu evidence based is of niet. Het risico daarvan is dat je een battle of experts gaat krijgen, waarbij de een dit vindt en dat ander dat. Dokters moeten daarom eerder zeggen: deze vraag kan ik niet beantwoorden. Dat gebeurt nu nog veel te weinig." Boterzacht en subjectiefJan van Duinkerken is een voorstander van vergaande normering, materieel en procedureel, in de letselschaderegeling. "Als iets vaststaat, ben je alle discussies erover kwijt," zegt hij. Hij benadrukt dat de discussies in het medisch traject van de personenschaderegeling zelden problematisch zijn wanneer er medische afwijkingen zijn vastgesteld. "Alle problemen ontstaan wanneer er medisch niets vaststelbaar is," aldus Van Duinkerken. "Dan gaat het om gevoelens en visies en ideeën. Dan valt er ook niets te normeren of vast te stellen. Het gaat er dan alleen nog om een paar mensen te vinden die jouw visie ondersteunen, maar dat lukt altijd wel. Dat heeft tot gevolg dat er heel lang kan worden gediscussieerd en dat er heel veel boterzachte argumenten kunnen worden uitgewisseld, die allemaal subjectief zijn: subjectief van de benadeelde, de dokter, de advocaat, de verzekeraar - subjectief van iedereen die erbij betrokken is. Op dat punt verwacht ik, eerlijk gezegd, geen verbeteringen. De jurisprudentie lijkt immers zo dat als iemand iets zegt, dat ook zo is, tenzij je bewijst dat hij ongelijk heeft. Dat betekent dat de jurisprudentie absoluut niet naar objectiviteit is gericht, maar subjectiviteit het meest essentieel vindt. En over subjectiviteit kun je heel lang blijven doordiscussiëren, wat we dan ook met z'n allen heel veel doen." Verschenen in: PIV-Bulletin (2005) Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl |