|
||
|
S.D. Lindenbergh, universitair hoofddocent Burgerlijk recht Universiteit Leiden (2005)
Een noodzakelijk kwaad in het schadevergoedingsrechtBestaat er bij rechtswetenschappers voldoende belangstelling voor heikele onderwerpen als de buitengerechtelijke kosten en de no cure no pay problematiek? We legden beide thema's voor aan mr. S. D. Lindenbergh, universitair hoofddocent burgerlijk recht aan de Universiteit Leiden. Siewert Lindenbergh is sinds 1991 aan de Universiteit Leiden verbonden, eerst als universitair docent burgerlijk recht en sinds zijn promotie op het proefschrift Smartengeld in 1998 als universitair hoofddocent. Zijn onderzoeksgebied betreft vooral het aansprakelijkheidsrecht en dan in het bijzonder het schadevergoedingsrecht. "Steeds meer hou ik me bezig met de invloed op het aansprakelijkheidsrecht en het schadevergoedingsrecht van fundamentele rechten, bijvoorbeeld zoals die in de Grondwet of het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens zijn neergelegd. De vraag daarbij is in hoeverre aanspraak op die fundamentele rechten kan worden gemaakt en ook in hoeverre die in het debat met aansprakelijke partijen een rol kunnen spelen. Daar speelt bijvoorbeeld het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer een belangrijke rol bij, maar ook het recht op eigendom. Het recht op eigendom heeft in het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens een hele ruime omschrijving gekregen, zodanig dat zelfs ook schadevergoedingsvorderingen eronder vallen. Dit kan bijvoorbeeld gevolgen hebben voor het recht op volledige vergoeding van schade, dat kennelijk bescherming geniet op basis van Europese fundamentele rechten." Buitengerechtelijke kostenBinnen zijn focus op het schadevergoedingsrecht gaat Lindenberghs aandacht ook naar het onderwerp buitengerechtelijke kosten uit, omdat deze kosten immers, sinds het arrest London and Lancashire/Drenth uit 1987, deel uitmaken van de schade als zodanig. "Het is een schadepost met een wat bijzonder karakter en daarom voor juristen interessant," zegt Lindenbergh. "Opmerkelijk is natuurlijk dat het een schadepost is die door beide partijen samen wordt gevormd en die ook uit de rechtsstrijd zelf voortkomt. Hoe langer de rechtsstrijd duurt, hoe hoger de schadepost is. Dat geeft het onderwerp binnen het schadevergoedingsrecht een bijzonder tintje." De wijze waarop marktpartijen met buitengerechtelijke kosten omgaan en de tegenstellingen die er zijn tussen buitengerechtelijke kosten als kostenpost en als inkomstenbron, interesseren hem als wetenschapper minder. Wel onderkent hij de risico's die buitengerechtelijke kosten in de onderhandelingssfeer met zich kunnen meebrengen, doordat ze tot gevolg kunnen hebben dat er over de hoogte van de schadevergoeding wordt gemarchandeerd in relatie tot de hoogte van de kostenvergoeding, "en dat maakt het in het veld tot een lastige post," zegt Lindenbergh, "en dan met name in de personenschaderegeling, omdat die een groot buitengerechtelijk schaderegelingstraject kent." PIV-Overeenkomst nuttigMomenteel wordt aan Lindenberghs vakgroep in Leiden geen afzonderlijk onderzoek omtrent het thema buitengerechtelijke kosten verricht. Wel houdt hij zelf de ontwikkelingen nauwgezet in de gaten. "Ik denk dat er nog wel het een en ander te doen is," zegt hij, "bijvoorbeeld als het gaat om de samenhang tussen buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Als het eenmaal tot een procedure komt, kan een proceskostenveroordeling als het ware een deel van de buitengerechtelijke kosten opslokken. Dat is natuurlijk een interessant spanningsveld, want wat zijn dan de kosten van de procedure en wat zijn dan nog de buitengerechtelijke kosten? Natuurlijk speelt daarbij ook een rol dat de proceskostenveroordeling van veel bescheidener omvang is dan de daadwerkelijke kosten bedragen." Afgezien echter van dergelijke juridisch interessante onderzoeksvragen beoordeelt Siewert Lindenbergh de buitengerechtelijke kostenproblematiek als een noodzakelijk kwaad in het schadevergoedingsrecht. "Maar we hebben het geaccepteerd en op zichzelf is het een goede zaak dat de kosten van het binnenhalen van de schade ook schade zijn. Natuurlijk is het wel onverkwikkelijk dat er allerlei discussies over blijven ontstaan - onverkwikkelijk voor benadeelden en belangenbehartigers, maar voor verzekeraars is het ook niet chique. Het is buitengewoon ongelukkig dat er over deze post voortdurend wordt gedebatteerd en daarom is er alle reden om te blijven zoeken naar vergoedingsmethoden die deze discussies zo veel mogelijk voorkomen. Ook de PIV-Overeenkomst Buitengerechtelijke Kosten kan daaraan bijdragen. In deze overeenkomst tussen verzekeraar en belangenbehartiger wordt een aantal klassieke geschilpunten geslecht en dat is buitengewoon nuttig. Van belang is dat er een geschillenregeling aan is gekoppeld, zodat geschillen kunnen worden opgelost zonder telkens de rechter erover lastig te vallen. Dat past heel goed bij de buitengerechtelijke schaderegeling zoals die in Nederland praktijk is." No cure no payOver het tweede aan hem voorgelegde item, de no cure no pay constructie, zegt Siewert Lindenbergh: "Met dat onderwerp heb ik eerlijk gezegd niet zo veel." Hij stelt vast dat het hierbij om afspraken gaat die helemaal tussen de benadeelde en de belangenbehartiger liggen, waarvan de resultaten niet zonder meer naar de aansprakelijke partij of de verzekeraar die daarvoor optreedt, kunnen doortikken. Bovendien constateert hij dat de no cure no pay constructie weinig met het schadevergoedingsrecht heeft te maken, maar meer met bijvoorbeeld het procesrecht (voor wat betreft de toegang tot het rechtssysteem) en het gedragsrecht (voor advocaten). "Wel vind ik," voegt hij eraan toe, "dat de hele discussie erover door veel koudwatervrees wordt gekenmerkt. Ook vind ik de terughoudendheid van de minister van Justitie op dit punt wat ongelukkig, vooral ook omdat we de no cure no pay vergoedingsmethode al in de letselschadebranche kennen, soms via de achterdeur van een advocatenkantoor, maar zeker waar het gaat om de belangenbehartigers die geen advocaat zijn. Zij zijn immers volstrekt vrij om no cure no pay toe te passen. Sluit je je ogen voor de no cure no pay problematiek en doe je alsof die in de advocatuur niet mag bestaan, dan gaat er een andere beroepsgroep met het fenomeen aan de haal, met alle risico's van dien." 'Amerikaanse toestanden'"Daarom vind ik het heel ongelukkig dat de minister geen experiment heeft toegestaan," vervolgt Lindenbergh. "Ik denk dat de minister toch enigszins bevreesd is voor Amerikaanse toestanden. Die notie hebben we allemaal bij no cure no pay: het risico dat de advocatuur wordt aangemoedigd om letselschadeclaims binnen te halen. Die vrees voor Amerikaanse toestanden vind ik deels wel op zijn plaats, maar niet zo zeer vanwege de no cure no pay problematiek. De vrees voor Amerikaanse toestanden is veel meer gerechtvaardigd, omdat de overheid er zelf voor kiest de sociale zekerheid af te bouwen. Mensen gaan daarom andere manieren zoeken om hun schade gefinancierd te krijgen, waardoor er druk ontstaat op het aansprakelijkheidsrecht. Die tendens kennen we al vijftien jaar in Nederland en no cure no pay heeft daar niet zo veel mee van doen." Lindenbergh is niet bevreesd voor een overheersende werking in letselschadezaken van deze wijze van honorering. Hij wijst erop dat no cure no pay alleen maar interessant is wanneer er daadwerkelijk veel grote claims zijn, "en dat valt nogal mee in Nederland," zo zegt hij, en dat bovendien no cure no pay enkel nuttig voor benadeelden kan zijn wanneer het onduidelijk is of zij sowieso enige aanspraak hebben. Beslist nodig"Het schadevergoedingsrecht, zeker zoals het in de rechtspraak is uitgewerkt, biedt voldoende handvatten om een schade goed te regelen," zegt Lindenbergh tot slot. "Toch blijft er vaak, vooral als het gaat om de vaststelling van de uitgangspunten, heel veel debat mogelijk en daarom blijft deskundige bijstand beslist nodig. Waar immers ruimte voor debat is, zal de belangenbehartiger erin springen en zal de aansprakelijke zijn verweer voeren. Voor de benadeelde is vooral de kwaliteit van die rechtsbijstand belangrijk en natuurlijk ook de zo laag mogelijke kosten. Uiteindelijk is daar iedereen het meest bij gebaat." Verschenen in: PIV-Bulletin (2005) Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl |