|
||
|
A.J.J.A. Scherpbier, directeur Health Medicine and Life sciences Universiteit Maastricht (2010)
Houd de numerus fixus vast!De Raad voor de Volksgezondheid en Zorg heeft geadviseerd de numerus fixus en de centrale loting voor de geneeskundeopleiding binnen vijf jaar af te schaffen. De ministers Plasterk (OCW) en Klink (VWS) twijfelen nog over de numerus fixus, maar willen wel af van de centrale loting. Een goed idee? Eerst de feiten. Voor het studiejaar 2009-2010 meldden zich 7.945 gegadigden voor de opleiding geneeskunde. Van hen werden volgens de Informatie Beheer Groep 6.728 kandidaten tot het selectieproces toegelaten. Op de acht medische faculteiten zijn jaarlijks in totaal 2.850 plaatsen beschikbaar. Van deze beschikbare plaatsen wordt ruwweg 20 procent via directe plaatsing toegewezen (op grond van het gemiddelde eindexamencijfer), eveneens 20 procent via decentrale selectie (op grond van per universiteit verschillende selectiemethoden) en 60 procent via centrale loting. Het aantal aanmeldingen stijgt jaarlijks: in 2009-2010 waren er bijna 2.500 gegadigden meer dan vijf jaar geleden. Wordt de numerus fixus losgelaten, dan krijgt elke medische faculteit jaarlijks gemiddeld duizend aanmeldingen of meer te verwerken. "Ondoenlijk!" zegt prof. dr. Arie Nieuwenhuijzen Kruseman, voorzitter van de KNMG en internist-endocrinoloog aan het Maastricht UMC+. "Het opheffen van de numerus fixus leidt tot werkloosheid en kwaliteitverlies", zo verwacht hij. Nieuwenhuijzen Kruseman vindt dat de RVZ aan een aantal feiten en ontwikkelingen voorbijgaat en te gemakkelijk oordeelt over de mogelijkheden van het veld om een uitbreiding van het aantal studenten op te vangen. Hij pleit ervoor eerst de effecten af te wachten van de verruiming (met 30 procent) van de numerus fixus in 2002. "We weten dat het aantal plaatsen voor de vervolgopleiding lager is dan het aantal basisartsen dat nu van de universiteiten komt. Die capaciteit is niet volledig één op één, dus we zullen nu al werkloze basisartsen krijgen." Nieuwenhuijzen Kruseman betoogt daarnaast dat de huidige instroom per faculteit het maximum is wat de faculteiten aankunnen. Ook in vergelijking tot de beste buitenlandse medische faculteiten, die doorgaans slechts zo'n 200 eerstejaars toelaten, zijn de Nederlandse jaarklassen bijzonder groot. "Met name voor kleinschalig en praktisch onderwijs en voor de stages is dat een probleem", aldus Nieuwenhuijzen Kruseman. "De wachttijden voor co-schappen zijn bij een aantal universiteiten nu al aan het toenemen. Wat dat betreft is Nederland aan de rand van zijn capaciteit." "Onverstandig!" vindt ook prof. dr. Albert Scherpbier het idee om de numerus fixus los te laten. Scherpbier is wetenschappelijk directeur van de faculteit Health Medicine and Life sciences van Universiteit Maastricht. Hij stelt dat zijn faculteit niet de capaciteit heeft om met zulke grote aantallen studenten te werken, niet alleen in de fase dat studenten patiëntencontacten hebben - "Alle ziekenhuizen in onze opleidingsregio tot en met Venlo en Eindhoven doen al mee, dus we hebben geen uitbreidingsmogelijkheden" - maar ook niet in bijvoorbeeld het derde jaar: "In het Maastrichtse curriculum hebben we in het derde jaar speciale polikliniekcontacten georganiseerd. Dat krijgen we met grotere aantal studenten niet voor elkaar." Scherpbier vindt daarom het advies van de RVZ een directe bedreiging voor de kwaliteit van de geneeskundeopleiding. "Een ander argument is, dat we dan waarschijnlijk basisartsen opleiden voor wie geen plaats in een vervolgopleiding is. Dat lijkt ons zonde van het geld en van de energie." Volgens Albert Scherpbier heeft dit aspect ook nog een ethische dimensie. Hij vindt dat je patiënten niet mag blootstellen aan mensen die uiteindelijk niet als arts gaan functioneren. "Dat vind ik oneerbiedig naar de patiënten toe, dat kan gewoon niet." Koos van Geel is vanuit MSV Pulse, de medische studievereniging van Maastricht, de studentadviseur van de raad van bestuur van het Maastricht UMC+. Hij wijst erop dat de commotie over het onderwerp nog enigszins voorbarig is, omdat het parlement het loslaten van de numerus fixus als controversieel heeft bestempeld en het demissionair kabinet er dus niet over zal beslissen. Dit geldt ook voor het advies van het Capaciteitsorgaan om de numerus fixus al voor het komende studiejaar van 2.850 tot 3.100 te verruimen. Niettemin zien ook Van Geel en, volgens hem, het grootste deel van zijn medestudenten geen heil in de plannen van de RVZ. "In de bachelorfase zou het misschien nog wel kunnen, bijvoorbeeld door meer onderwijsgroepen in te stellen, maar in de masterfase kom je in de problemen. Artsen zouden dan meer studenten moeten gaan begeleiden, studenten zouden minder patiënten zien en ik ben bang dat dat slecht voor de kwaliteit van de opleiding is." Koos van Geel vindt het moeilijk om aan te geven hoeveel rek nog in de capaciteit zit, "maar meer dan enkele tientallen studenten extra lijkt mij niet mogelijk of wenselijk." Zonder numerus fixus heeft centrale loting geen zin meer en kunnen universiteiten alleen nog op decentrale selectie terugvallen of, preciezer, op een lokale capaciteitsfixus. Universiteit Maastricht heeft alvast, om ervaring op te doen, een aanvraag ingediend om vanaf 2011 vijftig procent van het aantal beschikbare plaatsen door decentrale selectie toe te wijzen. Albert Scherpbier: "Wij willen de groep gegadigden eerst kleiner maken door naar de cijfers in het vijfde studiejaar van het vwo te kijken. Vervolgens laten we verschillende interviewers korte interviews houden, die op grond daarvan een ranking van de beste studenten maken." KNMG-voorzitter Arie Nieuwenhuijzen Kruseman heeft daar ernstige bedenkingen bij. Hij wijst erop dat er geen wetenschappelijke literatuur is waaruit blijkt dat je door selectie aan de poort betere artsen kunt selecteren. "Selectie kost heel veel energie, maar het aantal mensen dat je ten onrechte aanneemt of ten onrechte afwijst, zal niet anders zijn dan bij loting", aldus Nieuwenhuijzen Kruseman. Het argument dat decentrale selectie in Amerika wel effectief is, wuift hij weg. "Daar is geen landelijke bewaking van de onderwijskwaliteit op de middelbare scholen en van de kwaliteit van de eindexamens. Je moet daarom nagaan of mensen wel de juiste pakketten hebben en ook wat voor vlees je in de kuip hebt." Bovendien, aldus Nieuwenhuijzen Kruseman, is nooit gebleken dat loting een slecht selectiecriterium is. Hebben sommige universitaire opleidingen een uitval van vijftig procent, bij de opleiding geneeskunde vertrekt slechts vijf à tien procent van de studenten voortijdig. "Loting is onrechtvaardig", zegt Nieuwenhuijzen Kruseman, "maar ik ken geen beter systeem." Albert Scherpbier geeft Nieuwenhuijzen Kruseman helemaal gelijk. "Wij zouden het liefst ook niet zo selecteren. Maar als zeven van de acht medische faculteiten het wel doen en wij niet, vrees ik toch dat wij niet meer de beste studenten krijgen." Studentadviseur Koos van Geel vindt de discussie over de decentrale selectie een lastige. Ook in zijn vereniging Pulse zijn de meningen verdeeld. Hij vreest dat goede selectiemethoden veel geld kosten en dat kan beter in het onderwijs worden gestoken. Bij een Maastrichtse decentrale selectie moet volgens hem worden nagegaan of studenten voor probleemgestuurd onderwijs geschikt zijn. "Het pgo-systeem onderscheidt ons echt van de andere medische faculteiten", zo stelt hij tot slot. "Als we daarop kunnen selecteren, lijkt me dat heel goed." [Kadertekst] Alternatieven?Het advies van de RVZ is ingegeven door de wens om meer artsen op te leiden. Is die behoefte reëel? KNMG-voorzitter Arie Nieuwenhuijzen Kruseman vindt van niet. "Het is mogelijk om met het bestaande aantal artsen een deel van de zorgvraagproblemen op te lossen. Denk bijvoorbeeld aan taakherschikking. Zo'n herschikking is mogelijk van taken van artsen naar niet-artsen, bijvoorbeeld bij chronisch zieken, en van taken van specialisten naar generalisten, met name bij patiënten met een meervoudige problematiek. Daarnaast werkt een toenemend aantal artsen in Nederland in deeltijd. Elke honderd artsen vervullen ongeveer 70 fte's. Over een jaar of tien is dat naar verwachting 50 fte's. We leiden dan dus twee artsen op om er één aan het werk te hebben. Wij pleiten ervoor te analyseren waarom Nederlandse artsen meer in deeltijd werken dan de artsen in de landen om ons heen." [Einde kadertekst] Verschenen in: SUMMUM (2010) Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl
|