|
||
|
J.M.J. Coenen, architect (2009)
Over Céramique en Belval en het handschrift van Jo CoenenEen bespiegeling over Luxemburg en Limburg, waarbij het ene gebied aan het andere wordt gespiegeld, is niet volledig zonder het werk te beschouwen van architect prof. dr. ir. J.M.J. Coenen. Zowel in Luxemburg als in Limburg realiseerde Jo Coenen en zijn medewerkers verschillende projecten, waarvan er twee, op het eerste gezicht althans, veel overeenkomsten hebben. De herinrichting van het Sphinx-Céramique-terrein in Maastricht vertoont immers opvallende parallellen met de herinrichting van het gebied Belval in Esch-sur-Alzette, zo'n veertien kilometer ten zuiden van Luxemburg-stad. In beide projecten is sprake van een transformatie van industrieel erfgoed en is het daarnaast de intentie het gebied het karakter van stedelijkheid te geven. "De constante in de vergelijking is dan mijn handschrift, maar meer kan ik niet bieden," zegt Jo Coenen in een vraaggesprek met hem. Voor de herontwikkeling van het Sphinx-Céramique-terrein, een 23 hectare groot voormalig bedrijventerrein van aardewerkfabriek Sphinx, werd in 1987 het startsein gegeven. De gemeente Maastricht besloot destijds om niet de weg van projectontwikkeling op te gaan, maar om van begin af aan met een totaalbelegger in zee te gaan, te weten pensioenfonds ABP, waarmee voor de ontwikkeling van het Céramiqueproject een publiekprivate samenwerking werd opgezet. ABP kocht het terrein van de N.V. Koninklijke Sphinx voor 24,7 miljoen euro. De gemeente Maastricht investeerde 8,6 miljoen euro in het project, de provincie Limburg 6,8 miljoen euro en het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer 9,1 miljoen euro. Jo Coenen kreeg de opdracht een stedenbouwkundig ontwerp voor het gebied te maken. Op grond daarvan en onder zijn supervisie hebben verschillende toonaangevende Europese architecten een modern nieuw stadsdeel ontworpen. De bouw begon in 1989 en werd in 2003 symbolisch voltooid met de ingebruikneming van de Hoge Brug (de 'Hoeg Brögk'), de voetgangers- en fietsersbrug die Céramique met de oude binnenstad verbindt. In het gebied werden 1.600 woningen, 70.000 m2 kantoren, 5.000 m2 horeca en detailhandel, 20.000 m2 hotelaccommodatie, 20.000 m2 culturele functie en 4.400 m2 parkeerplaatsen gerealiseerd. Op een enkele locatie in het gebied wordt momenteel, eind 2007, nog gebouwd. Monumentale hoogovensHet gebied Belval in Esch-sur-Alzette - en daar dient zich al een eerste belangrijk verschil aan - is vele malen groter dan het Sphinx-Céramique-terrein, namelijk 122 hectare. De overeenkomst is echter, dat het ook in Esch-sur-Alzette de transformatie betreft van een bedrijventerrein, namelijk het terrein van staalproducent Arbed (Groep ArcelorMittal), naar een stedelijk gebied. Arbed sloot in 1997 de hoogovens op dit terrein, die al kort daarna als nationale monumenten werden aangemerkt. In 2000 besloten Arbed en de staat Luxemburg het gebied gezamenlijk te gaan ontwikkelen, waarbij Arbed de grond inbracht en de staat naar verwachting in totaal circa 1 miljard euro in het project zal investeren. Voor de ontwikkeling van een stedenbouwkundig plan voor Belval werd een prijsvraag uitgeschreven, welke in 2001 door het bureau Jo Coenen & Co met ontwerper Rolo Fütterer werd gewonnen. Het 'masterplan' dat door Coenen werd ingediend, bestaat grofweg uit een 'Hoogoventerras' (waar wetenschappelijke instituten zullen worden gevestigd), het 'Square Mile' (dienstverlening en wonen), Park Belval (het groene hart), Belval-Süd (wonen in de cascade naar het park toe) en Belval-Nord (wonen in het landschap). De twee negentig meter hoge hoogovens zijn in het stedenbouwkundige concept het centrale ankerpunt. In Belval zullen in totaal 25.000 arbeidsplaatsen en 8.000 woningen worden gerealiseerd. Op 10 november 2006 werd het gebied officieel geopend. De eerste straten en pleinen en ook een deel van de ondergrondse autobaanverbinding richting Frankrijk waren toen gereed. In 2007 werd het eerste gebouw met 800 arbeidsplaatsen van Dexia Bank (van architect Claude Vasconi) in gebruik genomen en werd een begin gemaakt met de realisatie van het tweede Dexia-gebouw, met 1.000 arbeidsplaatsen, winkels en gastronomische functies. Ook werd in 2007 de Rockhalle gerealiseerd, een muziekhal voor 5.000 personen, en werd begonnen met de bouw van een project van 180 miljoen euro met een winkelcentrum, cinema's en woningen. Op deze wijze krijgt het 'urban living'-concept van Jo Coenen & Co stap voor stap zijn definitieve vorm. StedenbouwerJo Coenen, geboren in 1949 in Heerlen, studeerde bouwkunde aan de Technische Universiteit Eindhoven. Hij studeerde er in 1975 af, waarna hij in 1976 docent werd aan de faculteit Bouwkunde van deze universiteit. Bovendien werkte hij in die jaren korte tijd voor Aldo van Eyck & Theo Bosch. In 1979 startte hij een architectenbureau in Eindhoven. Dit bureau verhuisde in 1990 naar Maastricht. Hij realiseerde in deze periode een aantal kleinere ontwerpen in Zuid-Nederland, maar kreeg vervolgens grote bekendheid met de stedenbouwkundige plannen voor de Vaillantlaan in Den Haag, het KNSM-eiland in Amsterdam en het Céramiqueterrein in Maastricht. Architectonische ontwerpen van zijn hand zijn ondermeer het Nederlands Architectuurinstituut te Rotterdam, het Kunstcluster te Tilburg, de Vestedatoren te Eindhoven en de restauratie van het Glaspaleis te Heerlen. Kenmerkend voor het werk van Coenen zijn de aandacht voor de inbedding in de stadsstructuur en wat 'vriendelijke monumentaliteit' wordt genoemd: gebouwen met een plint, colonnades en vides. Coenen was docent aan de Technische Universiteiten van Karlsruhe, Eindhoven, Aken en Lausanne, aan de Academies voor Architectuur in Maastricht en Tilburg en aan het Berlage Instituut te Rotterdam. Van november 2000 tot 2004 was Coenen vier jaar Rijksbouwmeester. Hij kreeg in 2004 een eredoctoraat van de Open Universiteit Nederland. Jo Coenen is sinds 2006 hoogleraar Architectuur aan de Technische Universiteit Delft en in die hoedanigheid wetenschappelijk directeur van het kenniscentrum ®MIT: Modificatie, Interventie, Transformatie. Het architectenbureau Jo Coenen & Co heeft inmiddels vestigingen in Amsterdam, Eindhoven, Maastricht, Berlijn, Milaan en Luxemburg. Industriële restantenToen Jo Coenen in de jaren tachtig op het stedenbouwkundig ontwerp voor het Céramiqueterrein studeerde, wilde hij zo veel mogelijk industriële restanten in het gebied bewaren en in zijn ontwerp inpassen, "maar de macht van de investeerders was erg groot," zo vertelt hij. "Men wilde schoon schip maken, een tabula rasa. Samen met de gemeente Maastricht heb ik toen voor het behoud van enkele objecten gepleit, met succes. Het zijn objecten die niet echt van grote waarde zijn, maar wel emotioneel waardevol en ze waren ook functioneel goed in het plan te verwerken." Het eerste behouden object is de zogenoemde Wiebengahal. Op het vroegere fabrieksterrein was dit een beeldbepalend bouwwerk. De hal verrees in 1912 aan de zuidzijde van het terrein en dankt zijn naam aan de bekende constructeur Jan Gerko Wiebenga. Het oorspronkelijke complex bestond uit diverse hallen. Bij de sloop werd besloten om een deel te laten staan en een functie te geven als onder andere sculpturenmuseum als onderdeel van het Bonnefantenmuseum. Het bouwwerk is uitgevoerd met een open betonskelet dat is afgewerkt met een betonnen schaaldak, voorzien van dwarsgeplaatste lichtkappen. Het gebouw geldt als een fraai voorbeeld van het 'Nieuwe Bouwen' in Nederland en is daarom als een industrieel monument behouden. Het ontwerp van de getransformeerde Wiebengahal is van architect Aldo Rossi. Het tweede behouden object is de Biscuithal, ook wel bordenhal genoemd. Deze in baksteen uitgevoerde hal heeft een markante ligging aan de Maas; omringd door gerestaureerde vestingmuren uit de 14e en 16e eeuw en begeleid door een waterpartij met een referentie aan de oude grachtenmuren. De naam Biscuithal is een verwijzing naar de periode waarin de hal voor het decoreren van aardewerk werd gebruikt. Om het duurdere decoratiehandwerk beter te beschermen, werd dit bij voorkeur op het nog ongeglazuurde aardewerk, het zogenoemde biscuit aangebracht. Voor dit verfijnde handwerk was veel licht noodzakelijk en daarom beschikt het gebouw over een lichtstraat en vele ramen. De aangepaste Biscuithal, naar een ontwerp van Jo Coenen & Co, dient nu als theater met 200 zitplaatsen en als grand café. De overige bewaarde industriële restanten zijn de Villa Jaunez (de vroegere directiewoning bij de Sfinx-fabriek) en delen van de muur die het totale fabrieksterrein omzoomden. "Die muur wilde ik heel graag behouden," vertelt Jo Coenen. "Wel zijn via gaten in de muur verbindingen vice versa gelegd, dus waar wegen het gebied doorkruisen is hij gesloopt en hier en daar zijn kijkgaten aangebracht of plekken waarin groen kan worden verwerkt, maar verder is die muur een soort domeingrens gebleven. Het is een speels element die aan het verleden herinnert. Sporen uit het verleden moet je zo laten, niet zozeer vanuit een soort antiquairshouding om er een mooie foto van te maken, maar omdat het betekenisdragers zijn en die neem ik in de stedenbouw graag mee. Die betekenis hoeft niet hoogdravend te worden opgedist, want dat doe ik niet graag. Die betekenis is op zich eenvoudig. Ooit was het een muur rondom een gebied waar vader ging werken, vader zat achter die muur. Aan de andere zijde woonde de familie en konden de kinderen tegen die muur voetballen. Ik noem dit als een pars pro toto, als een voorbeeld van de betekenis van die muur. Ik vond dat die betekenis bewaard moest blijven en dat die muur dus niet moest worden geslecht, omdat in dat gebied, waar vader al niet meer werkt, sowieso al veel is veranderd. Heel Zuid-Limburg heeft daarmee te maken. Het is mijn ervaring dat de grote frustratie, emotioneel gezien, die de mensen door de mijnsluitingen hebben opgelopen, tot op heden zichtbaar is in de zonen van de vaders die het betrof. Dat wilde ik daarom in dit gebied niet herhaald zien…" Kortstondig van memorieIn Esch-sur-Alzette was eind 2007 nog niet definitief besloten welke industriële restanten mochten worden bewaard, maar de twee hoogovens en ook twee tachtig meter hoge fabrieksschoorstenen hadden in het ontwerp van Jo Coenen in ieder geval wel een blijvende plek gekregen. "In Belval staan ontzettend veel mooie objecten," aldus Coenen. "We hebben er films en fotoseries van gemaakt. Indien je dat zou willen, zijn het prachtige achtergronden in films. Het is dan ook zonde ze niet te bewaren, niet omdat ze spannend zijn - het Nederlandse woord spannend is een cliché geworden, alles moet spannend zijn - maar omdat ze onvervangbaar en niet inwisselbaar zijn. In hetgeen we door de nieuwbouw van heden krijgen voorgeschoteld, kunnen veel constructies die emoties niet oproepen. En daar is niet alleen het architectuurbedrijf, maar ons hele bouwmechanisme debet aan. Daarom pleit ik zo lang het maar kan, voor behoud van betekenisvolle dragers. De stalen torens van de hoogovens in Belval zijn ook betekenisdragers. Je kunt er alle mogelijke functies bij kiezen. Dat wordt nog op verschillende manieren verder uitgezocht. Uiteindelijk moet een gremium daarover beslissen. Ook dat is natuurlijk een punt: wie beslist er, op welk moment en op basis waarvan? We hebben daar wel altijd onze gedachten bij gehad. Een van de belangrijkste dingen in steden, als je naar stedenbouw kijkt, zijn niet de winkelcircuits, maar juist de vergeten plekken. De belangrijkste motoren van steden zijn de vergeten hoeken, de niet meteen in het oog springende en daarom toch mooie plekken. Die bouw je niet nieuw en dat is een groot probleem. Het is daarom zonde om te zien dat we ook in Belval maar een aantal objecten mogen inzetten. Daar waren hele series van muren, kolommen, constructies, hellingbanen en overige transportsystemen waar je je vingers aan af zou likken indien je die in een nieuw stadssysteem zou kunnen omzetten. Maar goed, op een gegeven moment kwamen ook daar de deskundigen om de hoek, die binnen de erfgoedtheorie bepaalden wat wel en wat niet kon worden gehandhaafd. Daarnaast kunnen we ook al vanwege het onderhoud niet alles behouden. Wil je iets behouden, dan moet je het goed doen en het koesteren en dat kost echt veel geld. De rekensommen en budgetstellingen, waar dan onder de streep een deficit ontstaat, willen daar niets van weten. Dat is de platte reden, de uitermate platte reden, waarom er heel weinig bewaard is gebleven. Dat vind ik doodzonde, vooral als ik zie hoeveel geïnteresseerden door Pompeï, Ostia, de Incasteden of andere vindplaatsen van historie in de wereld trekken. En indien we weten dat de Gouden Palm in Cannes en de Gouden Beer in Berlijn als onderscheiding voor films worden gegeven omdat er sferen in worden opgeroepen waar mensen anderhalf uur van kunnen genieten, dan vind ik het onbegrijpelijk dat die films in de realiteit worden vernietigd. Er is een enorme behoefte aan het vasthouden van dingen, maar tegelijkertijd worden ze vernietigd door een systeem dat in dit geval te kortstondig van memorie is." Binnenstedelijk en perifeerDe tweede overeenkomst tussen Belval en Céramique betreft de transformatie naar gebieden met een stedelijk karakter. Deze overeenkomst duidt meteen ook op een belangrijk verschil. Céramique is immers een binnenstedelijk gebied, dat slechts door de Maas van de oude binnenstad van Maastricht wordt gescheiden. Belval ligt daarentegen ver buiten de stad. Ten zuiden ervan ligt het platteland en wordt het gebied letterlijk begrensd door de grens tussen Luxemburg en Frankrijk. Ten noorden van Belval ligt overig industriegebied van staalproducent Arbed, dat nu nog volop in gebruik is. Pas als in de toekomst ook dit gebied voor andere functies beschikbaar zou komen, is een verbinding met een stedelijke zone denkbaar. Niettemin wordt in dit perifere gebied nu al het karakter van stedelijkheid opgeroepen, door er functies naar toe te brengen in de driedeling ceremoniële, voorname functies (wetenschappelijke instituten en archieven), dienstverlening en cultuur (kantoren, winkels, een sporthal en de Rockhalle) en wonen (met veel groen in openbare en niet kleinschalig verkavelde ruimten). Daardoor ontstaat veel afwisseling in het gebruik van het gebied overdag en 's avonds, hetgeen soms nu al treffend zichtbaar is als bouwvakkers in hun werkkleding, bankemployees in hun nette pakken en 'heavy metal'-concertbezoekers in hun eigen tenue elkaar ontmoeten op weg naar huis of op weg naar een concert in de Rockhalle. De opdracht die Jo Coenen zich in dit kader heeft gesteld, is eerst en vooral het omzeilen van anonimiteit. "Onlangs was ik op een Vinex-locatie ergens in Nederland. Ik moet mild zijn in mijn oordeel daarover, want ik vind dat het groen een stad pas af maakt en dat kost dus jaren, maar ik werd er absoluut mismoedig van. Ik zou er nooit willen wonen, omdat het een grote saaiheid in zich heeft. Dat is dan mijn emotie. We kennen natuurlijk de buitenwijken, de woonwijken. Die vormen overigens wat de hoeveelheid betreft een Nederlands fenomeen en zijn ons dan ook heel vertrouwd. Toen we in Nederland een enorme woningnood hadden, die snel moest worden opgelost, hebben we een periode met de productie van enorme flats gehad. Die woonflats vind je in bijna elke gemeente. Langzaam maar zeker kreeg men daar een hekel aan, omdat mensen dachten dat ze in een soort legbatterij werden opgestapeld. In de jaren zeventig kwam dan het kleinschalig antwoord van stedenbouw, architectuur en woningbouwverenigingen en we noemden dat de nieuwe truttigheid. Daarna zien we het tijdperk van 'no nonsense' en nu zitten we in het tijdperk van, zoals ik het noem, het wilde wonen. Ik gebruik maar even niet het woord postmodern, omdat dit zo laat lijken dat het allemaal aan het verleden moet herinneren, terwijl deze periode zelfs daar nog aan voorbijgaat. Het moet nergens op lijken. Het moet refereren aan het gevoel dat elk blokje een eigen identiteit heeft, van één gezin of van één individu. Omdat dat hartstikke duur is, zijn er dus bijvoorbeeld vijf typen waarmee wordt gespeeld en die worden gemaakt via de methode dat je zelf binnen bepaalde afmetingen iets mag bouwen. We kunnen dat samenvatten onder de term het wilde wonen of zelfs het woeste wonen. Ik vertel dit, omdat die perifere woonwijken te weinig afwisseling en stedelijkheid in de zin van aanbod bieden. Wie door de straten van Amsterdam loopt, ziet elke honderd meter een scala van aanbod op de begane grond, waarboven wordt gewoond. Dat wordt eigenlijk door jan en alleman als prettig ervaren, niet alleen in Amsterdam, maar ook in Milaan, Parijs, Brussel, Antwerpen en noem maar een paar echte steden. Ik heb nooit kunnen wennen aan die segregatie als het ware, van mensen uit perifere woonwijken die van de stad gebruik mogen maken. Ik heb zoveel steden gezien, dat ik om die reden ervan droom een gevoel van die stedelijkheid te kunnen oproepen, ook al is het in de periferie, waarbij ik dan vooral dat afwisselende aanbod bedoel. Dat betekent zoveel als een sociaal patroon. Mensen moeten daar kunnen wonen en kunnen werken. Er moeten kleine bedrijven zijn, een lijstenmaker, een kapper, een tandarts, alles wat bij ons dagelijks leven hoort, in plaats van dat dit alles bij elkaar wordt genomen, er wordt een strik omheen gedaan en het wordt met een goede bereikbaarheid aan de rand van de stad gezet." Herkenning en oriëntatie verlorenJo Coenen is over meer aspecten die met de bouw van steden of de inrichting van het landschap hebben te maken, sceptisch. In 2006 mocht hij wat dat betreft zijn hart luchten tijdens het staatsbezoek aan Nederland van Groothertog Henri van Luxemburg en zijn vrouw Groothertogin Maria Teresa. Coenen kreeg toen in het Van Goghmuseum de gelegenheid om het project in Belval aan de koninklijke gasten te presenteren, wetende dat de groothertog daar zeer veel interesses in heeft. Regelmatig laat hij zich naar het gebied rijden om zich op de hoogte te stellen van de voortgang in de ontwikkeling. "Ik kreeg daar alle aandacht," vertelt Coenen, "en het staat me nog goed bij dat de dames in het gezelschap nog meer geïnteresseerd waren dan heren, vooral in de emotionele kanten van het verhaal. Ik legde open en bloot op tafel wat ik van onze huidige leefomgeving vind en zij herkenden mijn ervaringen. Wij weten niet goed waar we op dit moment leven. De ouders van onze ouders, heb ik de indruk, wisten dat wel. Zij leefden wat hun omgeving betreft in een stabielere tijd, zoals wij die uit schilderijen, boeken en verhalen kennen. De transformatie van die omgeving is een soort vernietigingswerktuig, dat met een snelheid te werk gaat die wij niet bijhouden. Je kunt dat progressie noemen, maar dan zeg ik: waarom is die er, waarom moet die er zijn en voel ik me daar prettig bij? Ik verlies mijn herkenning en mijn oriëntatie. En daarom proberen we de dingen naar 'mooi' te transformeren, met gouden randjes, maar het ligt niet zozeer aan gouden randjes. Het ligt in de sporen die er nog zijn en die we voor het publiek willen ontsluiten, niet zozeer esthetische sporen, maar speciale. Het gaat over herinneringen en herinneringen staan in boeken, in literatuur en in onze expressie, in schilderkunst en toneel. Architectuur kan daar ook aan bijdragen als we willen. Ik ben met name daarmee altijd bezig geweest en ik ben daar steeds meer mee bezig. Ik heb er zelfs een nieuwe afdeling aan de TU Delft voor opgezet. Die heet niet Restauratie, want het gebeurt natuurlijk al bij kastelen en paleizen en kerken, maar het raakt zelfs hele gebieden. Daarom heet die nieuwe afdeling ®MIT: Modificatie, Interventie, Transformatie." In opstand"Wie vanuit het zuiden over de A2 komt en 's-Hertogenbosch heeft gepasseerd, rijdt eerst door een prachtig groen landschap aan weerszijden van de Maas en komt vervolgens in een totaal vreemd landschap, tussen bedrijvengebieden en geluidsschermen. Ook wie vanuit het noorden komt, rijdt eerst door groen landschap en vervolgens door bedrijvengebieden, links en rechts van de snelweg. Opeens zie je nog in één flits rechts van de weg Zaltbommel liggen, als ware het een schilderij van een kerktoren met Hollandse luchten in het Rijksmuseum, maar dat duurt nog geen minuut. Vervolgens zit ik weer tussen de geluidsschermen. Het tempo waarin deze transformatie zich heeft voltrokken, is zo gigantisch, dat onze speldenprikken om kastelen en paleizen te beschermen niet opgewassen zijn tegen die immense verandering van het landschap. Daarom ben ik boos dat men mij als burger van Nederland het vertrouwde beeld van Zaltbommel heeft ontnomen. Ik kom daartegen in opstand! En er speelt veel meer op dit vlak. Toen ik daar tijdens het genoemde staatsbezoek over vertelde, waren het dus vooral de dames die daar geboeid naar luisterden en ook eerder hun emoties toonden. Dit laatste is iets wat in mijn vak absoluut nodig is en daarom doe ik dat beroepshalve ook. Dat is mijn opgave!" Indrukwekkend gezelschapWe keren terug naar Céramique en Belval. De overeenkomsten zijn geschetst, de verschillen resteren. Deze komen onder meer tot uiting in de personen en functionarissen die bij de twee projecten betrokken zijn of zijn geweest. De overheidsbemoeienis bijvoorbeeld lag in het geval van Céramique, 'slechts' een stadswijk, vooral in handen van lokale gemeenteambtenaren en een enkele keer een medewerker van de provincie Limburg of de rijksoverheid. Belval is, gelet op de maat van het gebied en van het land Luxemburg, van meer importantie voor de overheid dan Céramique. Ervan uitgaande dat het gebied voor zo'n 30.000 mensen (bewoners en werkers) wordt ontwikkeld, kan worden gesteld dat circa acht procent van de Luxemburgse bevolking er op enigerlei manier bij betrokken zal zijn. Bemoeienis door de overheid is dan ook veelal meteen een zaak van bijvoorbeeld de minister van Binnenlandse Zaken of de minister van Verkeer. Evenzo is er een belangrijk verschil voor wat betreft de ontwerpers die aan de realisatie van beide gebieden hebben meegewerkt. In het geval van Céramique wist Jo Coenen zich te verzekeren van de medewerking van diverse architecten van naam en faam. Bij elkaar is het een indrukwekkend gezelschap van architecten uit Portugal (Alvaro Siza), Frankrijk (Yann Kerommnes), Zweden (Gunnar Martinsson), België (René Greisch, Bob van Reeth, Bruno Albert, Charles Vandenhove, Christian Kieckens en Benoit Fondu), Nederland (Arno Meijs, Jo Janssen, Wiel Arets, Hubert-Jan Henket, Herman Hertzberger, Hari Gulikers en Roel Hochstenbach), Spanje (Martorell Bohigas MacKay en Cruz & Ortiz) en Italië (Mario Botta, Aurelio Galfetti, Luigi Snozzi en niet in de laatste plaats Aldo Rossi). De aanpak in Belval is geheel anders. Opdrachten worden veelal aan kleinere partijen gegund, meestal op grond van een ontwerpwedstrijd, waardoor het project voor jonge architecten een springplank naar grotere werken kan zijn. Leidt deze andere aanpak tot een andere kwaliteit van het (verwachte) eindresultaat? Jo Coenen stelt dat het niet om een keuze gaat tussen oud en jong of tussen grote en minder grote namen. Hij zegt tot slot: "Wij hebben inmiddels zo veel ervaring op dit gebied, dat je van een blauwdruk kunt spreken, een manier van aanpak voor enerzijds het proces en anderzijds de producten die je anderen wilt laten maken. We doen dit werk momenteel in Sittard, Leidsche Rijn en Haarlem, maar ook buiten de Benelux, bijvoorbeeld in Italië, Zwitserland en zelfs in Panama en India. De vragen zijn wat dat betreft immens en gaan ook altijd over enorme hoeveelheden hectaren. Door de ervaring met dergelijke projecten wordt het me steeds duidelijker wat dirigent zijn betekent en inhoudt. Ik word steeds stelliger in de aanpak daarvan en welke rol opdrachtgevers en begeleiders in dat geheel zouden moeten vervullen. Ons aandeel bestaat in de eerste plaats uit het verzinnen, het maken en begeleiden van de inrichting van de openbare ruimte. Wij moeten het profiel van de omgeving kunnen aanreiken, een silhouet of de ruimtelijke compositie en per se ook het functiepatroon, met andere woorden, het totale stadsontwerp. Het beeldkwaliteitsplan met referenties dat in dit soort processen wordt gevraagd, komt pas veel verderop. Wij stellen als het ware een grammatica en een dictionnaire samen, waarmee we anderen in staat stellen hun poëzie te kunnen schrijven. Natuurlijk zijn we daarbij afhankelijk van de houdingen binnen de politieke stelsels en van de diensten en krachten van bepaalde onderdelen van het gemeentelijk, provinciaal of landsbestuur. Per regio of per land is dat anders, afhankelijk van cultuur en geschiedenis. Opdrachtgevers moeten bereid zijn om mee te werken en om dingen over te dragen of los te laten. Soms moet je diep ademhalen, krijg je iets toegezegd en loopt het weer, maar dan ook weer niet…" Telkens trekken stedenbouwers voort, maar gelukkig, sommigen laten een schoonschrift achter, zoals Jo Coenen in Céramique en Belval. Artikel verschenen in de publicatie Luxemburg-Limburg, verwantschap zonder grenzen. ISBN/EAN 9789080264144 Uitgever: Stichting Artibus ad Mosam Stokstraat 53 6211 GC Maastricht E-mail: jepvroosmalen@home.nl Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl
|