|
||
|
J. van den Bout, hoogleraar Verliesverwerking Universiteit Utrecht (1995)
Rouwbegeleiding: een taak voor uitvaartverzorgers?Prof. dr. J. van den Bout is hoogleraar Verliesverwerking aan de Universiteit Utrecht, daartoe benoemd mede vanwege de Stichting LSR, het Landelijk Steunpunt Rouwbegeleiding. Van den Bout sloot het congres van UBO Verzekeringen af met een lezing over rouwbegeleiding en stelde zijn gehoor de vraag: is rouwbegeleiding een taak voor uitvaartverzorgers? Van den Bout begon met een definitie van rouwbegeleiding: begeleiding die enige tijd na de uitvaart start en die gegeven wordt door vrijwilligers of professionals aan rouwenden bij het verlichten van ongecompliceerde of 'normale' rouw. Over deze vorm van rouwbegeleiding is nogal wat te doen binnen de uitvaartwereld. Van den Bout ging daarom in zijn lezing na in hoeverre rouwbegeleiding door uitvaart-verzorgers gewenst en mogelijk is. Eerst echter ging hij in op de psychologische achtergronden van de toenemende vraag naar rouwbegeleiding. Gevolgen van verliesVan den Bout: "Het verliezen van een naaste door de dood is een gewone gebeurtenis, in de zin dat nagenoeg iedereen er eens mee wordt geconfronteerd. Bij veel nabestaanden leidt deze 'gewone' gebeurtenis tot grote gevolgen, rouwreacties. Deze liggen in de eerste plaats op het psychische vlak, bijvoorbeeld somberheid, huilen, piekeren over het verlies, depressiviteit, angstklachten en woede. De gevolgen kunnen zich ook op andere gebieden uiten. Nabestaanden vertonen tal van lichamelijke klachten, hebben een verhoogde kans op ziekte en hebben een verhoogde kans om zelf te overlijden." FasenmodelVan den Bout ging in zijn lezing niet verder in op rouwreacties en het rouwproces, op een enkele opmerking na. Die betrof de beschrijving van het rouwproces in opeenvolgende fasen of stadia, zoals in de rouwliteratuur lange tijd gebruikelijk is geweest. Van den Bout stelde dat inmiddels duidelijk is geworden dat er nauwelijks bewijs is voor het bestaan van dergelijke fasen. Hij zei: "We zien telkens meer dat er niet één type van normale verwerking is, maar dat er verschillende manieren zijn. Sommige mensen blijken betrekkelijk onaangedaan na een verlies en dat kan een hele normale reactie zijn. Ook is het mogelijk dat mensen hevige rouwreacties vertonen, die lange tijd voortduren, zonder dat gesproken kan worden van een verstoord verwerkingsproces. Bij sommige mensen treden bepaalde moeilijke emoties op als woede en schuldgevoelens, maar bij anderen is hiervan geen sprake. Het zijn beide normale vormen van verliesverwerking." Rouw-takenmodelVan den Bout stelde daarnaast dat fasenmodellen voor het rouwproces erg passief zijn en dat er tegenwoordig, als reactie hierop, veel aandacht is voor het zogenoemde rouw-takenmodel. Rouwen wordt hierin opgevat als een serie van taken, die inspanning en eigen activiteit vereisen: de acceptatie van de realiteit van het verlies, het ervaren van de pijn van het verlies en het aanpassen aan een leven waarin de overledene ontbreekt. Van den Bout: "Het proces dat nabestaanden na een betekenisvol verlies doorlopen is voor een deel een hoogst individueel proces. Men moet uiteindelijk zelf klaarkomen met het geleden verlies. Maar het rouwproces is niet alleen een individueel proces. Het is ook een proces waarbij andere mensen, vrienden, kennissen en anderen, een grote rol kunnen spelen, ten goede en ten kwade." Vrienden en kennissenVan den Bout benadrukte in zijn lezing de rol van de omgeving en besprak in dat kader om te beginnen de reacties bij vrienden en kennissen na een overlijden. "Het komt nogal eens voor," aldus Van den Bout, "dat nabestaanden niet de praktische of emotionele hulp van vrienden en kennissen krijgen die ze willen hebben. Dat is betreurenswaardig, omdat onderzoeken hebben laten zien dat de negatieve invloed van een overlijden minder groot is wanneer mensen dergelijke ondersteuning wèl krijgen. Vaak ook wordt die ondersteuning de eerste tijd wel gegeven, maar na verloop van tijd aanzienlijk minder." Hoe komt het dat nabestaanden niet de ondersteuning krijgen die ze nodig hebben? Van den Bout ging voor het antwoord op deze vraag eerst na wat er gebeurt bij vrienden en kennissen als zij horen van het lot dat een ander heeft getroffen. Tegengestelde gevoelens"Als vrienden of kennissen van een overlijden vernemen," aldus Van den Bout, "dan leidt dat bij hen gewoonlijk tot gevoelens van sympathie en medelijden en vandaar tot hulpgedrag. Maar daarmee is niet alles gezegd. De confrontatie met de ellende van een ander leidt daarnaast tot een besef van eigen kwetsbaarheid: jou kan ook zoiets ergs overkomen. En dat is geen prettige gedachte." Van den Bout signaleerde nog een andere reactie: men heeft het idee met lege handen te staan, men voelt zich hulpeloos - des te meer naarmate de ellende van de nabestaande groter is. In het contact met nabestaanden loopt de omgeving dus ook negatieve gevoelens op, maar het uiten daarvan doet men niet gemakkelijk. De algemene opvatting luidt immers dat men voor de nabestaande opbeurend en bemoedigend moet zijn. Van den Bout: "Er is dus een innerlijk conflict bij veel vrienden en kennissen: men vindt aan de ene kant dat men zich positief en hulpvaardig moet gedragen, maar men ervaart aan de andere kant negatieve gevoelens, die vooral betrekking hebben op een besef van eigen kwetsbaarheid en gevoelens van hulpeloosheid. Mensen gaan verschillend om met een dergelijk conflict. Sommigen lossen het op door zich terug te trekken en niets meer van zich te laten horen. Dat is een begrijpelijke reactie, maar voor de nabestaande wel een buitengewoon pijnlijke. Juist in een situatie waarin hij hulp in de vorm van aandacht en begrip nodig heeft, wordt hij in de kou gelaten." Nog een andere reactie is volgens Van den Bout, dat men de eigen negatieve gevoelens ontkent en zich positief gedraagt. Hierover zei hij: "Hoezeer deze reacties ook te waarderen zijn, het is zeer de vraag of gekunsteld positief gedrag van vrienden en kennissen wel zo overtuigend overkomt. Het is heel waarschijnlijk dat die eigen negatieve gevoelens op een of andere wijze doorsijpelen in het contact met de nabestaande." Reacties van nabestaanden"Nabestaanden hebben gewoonlijk best in de gaten dat vrienden en kennissen zich wat tweeslachtig ten opzichte van hen gedragen," vervolgde Van den Bout. "Ze merken bijvoorbeeld dat sommige vrienden en kennissen wel vragen hoe het ermee gaat, maar het antwoord eigenlijk niet willen horen. Veel nabestaanden houden hier rekening mee. Ze vertellen niet precies hoe het met ze gaat en waar ze echt behoefte aan hebben. Ze zijn vaak bang de anderen af te schrikken door te veel een negatief beeld van zichzelf te schetsen. Nabestaanden staan dus voor een moeilijke keuze: òf zich uiten over alles wat ze willen en ook op de manier waarop ze dat willen - maar dan kan het zijn dat de omgeving zich subtiel afwendt, òf zich beperken in hun uitingen aan de ander - maar mogelijk komen ze er dan zelf toch aan tekort, ook al accepteert de omgeving dit meer." Van den Bout constateerde vervolgens dat er nog andere obstakels zijn tussen de nabestaande enerzijds en vrienden en kennissen anderzijds. Hij stelde dat die vaak terug te voeren zijn op verschillende opvattingen tussen de nabestaande en de omgeving. Hij behandelde er daar vier van. Verschillende opvattingen over hulp in het verwerkingsprocesVan den Bout: "Er zijn verschillende opvattingen over wat goede hulp is. Ook in het geval dat de omgeving zich niet afwendt en actief iets probeert te doen, gebeurt het vaak dat de geboden hulp of ondersteuning door de nabestaande anders wordt opgevat en niet als hulp wordt ervaren. Bekend zijn de opbeurende opmerkingen of raadgevingen zoals: wees dankbaar dat je nog een ander kind hebt, ga er eens lekker een dagje uit, over een jaar zie je alles heel anders, of het was Gods wil en daar mag je je niet tegen verzetten. Veel nabestaanden zien dergelijke opmerkingen als dooddoeners of erger, als een diskwalificatie van de gevoelens die zij hebben." Verschillende opvattingen over de intensiteit van het verwerkingsproces"Sommige vrienden en kennissen hebben nooit de schokkende gebeurtenis meegemaakt waarmee de nabestaande wel is geconfronteerd. Mensen die nog weinig overlijdens van dierbaren hebben meegemaakt, denken daar vaak erg gemakkelijk over en al helemaal over de intensiteit van de gevolgen." Verschillende opvattingen over de duur van het verwerkingsproces"Kort na het overlijden reageert de omgeving doorgaans positief, maar na verloop van tijd kunnen de reacties veranderen. De omgeving blijkt meestal van mening dat het overlijden inmiddels zo lang geleden heeft plaatsgevonden dat de nabestaande er overheen dient te zijn. Vaak heeft men bepaalde ideeën over hoe lang de verwerking van zo'n gebeurtenis mag duren. In de afgelopen decennia is er wat dit betreft een grote verandering geweest. Kort na de Tweede Wereldoorlog was de algemene opvatting dat een nabestaande na enkele weken of hoogstens enkele maanden weer de oude moest zijn. Tegenwoordig wordt eerder gedacht aan een periode van één à anderhalf jaar. Het zal duidelijk zijn dat opvattingen van de omgeving over de verwachte duur van het verwerkingsproces belangrijke gevolgen hebben. De houding van de sociale omgeving kan geleidelijk omslaan als de nabestaande de verwachte herstelduur overschrijdt." Eigenbelang van de omgeving"Mensen in de omgeving van een nabestaande doen er goed aan zich af te vragen waarom ze bepaalde stellige opvattingen of houdingen ten opzichte van een nabestaande hebben. Bijna altijd zal blijken dat men die meningen niet voor niets heeft: vaak dienen ze op de een of andere manier het eigenbelang. Als de omgeving na pakweg een jaar van mening is dat de nabestaande het verlies verwerkt dient te hebben, dan is het niet onwaarschijnlijk dat zij dat ook denkt omdat dat haarzelf goed uitkomt. Als het namelijk aan de nabestaande zelf ligt dat hij nog steeds niet goed functioneert, dan is de omgeving geëxcuseerd en hoeft zij zich dus niet schuldig te voelen als zij zich niet of minder met de nabestaande bemoeit." Maatschappelijke factorenVan den Bout gaf in zijn lezing aan dat er, behalve deze meer psychologische factoren, ook andere, maatschappelijke factoren zijn die de vraag naar rouwbegeleiding hebben beïnvloed. Hij noemde de toenemende ontkerkelijking waardoor de bindende invloed van pastores is verminderd, de voortschrijdende individualisering en het verdwijnen van vertrouwde steunkaders. "Een andere factor," aldus Van den Bout, "is dat dood en sterven veel minder 'natuurlijk' zijn dan vroeger. Daardoor behoort het omgaan met het verlies van een dierbare door de dood niet meer tot het vanzelfsprekende repertoire van een individu, gezin of familie. Dood en sterven zijn dus min of meer uit het dagelijkse leven gebannen en het is daarom voor velen moeilijker om ermee om te gaan. Ook daarom is in veel Westerse landen de rouwbegeleiding opgekomen." Een taak voor uitvaartverzorgers?Op dit punt van zijn lezing kwam Van den Bout bij de hoofdvraag: is rouwbegeleiding een taak voor uitvaartverzorgers? Hij constateerde dat rouwbegeleiding, individueel of in groepsverband, kan worden verricht door beroepskrachten zoals maatschappelijk werkers, psychologen en artsen, of binnen zelfhulpgroepen waarin nabestaanden elkaar steun geven, al of niet geholpen door professionals. Van den Bout: "Als we de gebruikelijke betekenis van de term rouwbegeleiding nemen, namelijk een activiteit die pas enige tijd na de uitvaart start, dan zie ik slechts beperkte mogelijkheden voor rouwbegeleiding als een belangrijke nieuwe taak voor uitvaartpersoneel. In het kader van nazorg is het wenselijk dat er na enige tijd contact is met de nabestaande, maar daar kan het ook bij blijven." Volgens Van den Bout is het wel zinvol als een uitvaartverzorger mondelinge en vooral ook schriftelijke informatie geeft over de psychologische en sociale gevolgen die nabestaanden kunnen ondervinden. Hij verwees daarbij naar de 'Gids na een overlijden' van het Landelijk Steunpunt Rouwbegeleiding, waarin allerlei informatie staat over praktische regelingen, maar ook over de emotionele, psychische en sociale reacties na een overlijden. Daarnaast kunnen uitvaartverzorgers de nabestaanden op regionale rouwbegeleidingsactiviteiten wijzen. "Het is verder zeker wenselijk," zo voegde Van den Bout eraan toe, "dat grotere uitvaartorganisaties zelf een aanbod formuleren op het gebied van rouwbegeleiding. De maatschappelijke vraag hiernaar is duidelijk aanwezig en uitvaartorganisaties die hiertoe overgaan, maken zich hiermee aantrekkelijker voor hun leden en klanten. Een dergelijk aanbod impliceert natuurlijk wel verdere bij- en nascholing van de bestaande medewerkers of het in dienst nemen van anders opgeleide medewerkers." Rouwbegeleiding vóór de uitvaartVolgens Van den Bout zijn er echter vóór de uitvaart meer mogelijkheden voor rouwbegeleiding door uitvaartverzorgers. Hij zei: "Tot nu toe hanteerde ik de term rouwbegeleiding in de gebruikelijke betekenis. Echter, als we de term in de letterlijke betekenis gebruiken, namelijk 'begeleiding van rouwenden', en dus afzien van het criterium dat rouwbegeleiding pas enige weken of maanden na de uitvaart aanvangt, dan zijn uitvaartverzorgers bij uitstek degenen die mogelijkheden hebben om aan rouwbegeleiding te doen en zonder enige twijfel ook vaak aan rouwbegeleiding doen. Dat is van belang, want wat er in de eerste dagen na het overlijden gebeurt, is belangrijk voor het verdere verwerkingsproces. Deze rouwbegeleiding door uitvaartverzorgers is des te sterker wanneer er, bijvoorbeeld bij een verwacht overlijden na een ziekte, al vóór het overlijden contact is geweest tussen de uitvaartverzorger en de aanstaande nabestaanden." Complexe taakVan den Bout stelde dat uitvaartverzorgers, in de tijd voor de uitvaart, niet puur uitvaartverzorgers zijn, dat wil zeggen degenen die de uitvaart regelen. Zij hebben contact met nabestaanden die vaak in grote emotionele verwarring verkeren en die in veel gevallen impliciet of expliciet om informatie, hulp en begeleiding vragen. Van den Bout: "Als het de taakopvatting van een uitvaartverzorger is om nabestaanden die dat op prijs stellen, waarlijk te begeleiden in de dagen tussen het overlijden en de uitvaart, dan is dat een zeer complexe taak. Hij moet de wensen peilen bij mensen die veelal in een crisissituatie verkeren en alleen al om die reden niet de beste besluitvormers zijn. Om op een adequate wijze die wensen te peilen moet hij een uitstekend luisteraar zijn. Hij moet soms laveren tussen conflicterende wensen en belangen van familieleden en hij zal opkomende ruzies tussen familieleden pogen te beslechten. Hij fungeert soms als een vertrouwenspersoon. Hij is een vraagbaak voor allerlei zakelijke kwesties, maar ook voor meer psychologische zaken en vragen, zoals: is het verstandig de jonge kinderen mee te nemen naar de uitvaart, moet ik mijn kind stimuleren zijn gestorven ouder nog te zien en zal ik toestemming geven voor autopsie? Last but not least moet hij ook nog onderneming op een zakelijke wijze leiden, wat ook inhoudt dat hij niet overal op in kan gaan." Ondergewaardeerd"Gezien deze complexiteit aan taken van de uitvaartverzorgers," zo besloot Van den Bout zijn lezing, "taken die dus voor een groot deel ook op het psychologische niveau liggen, wordt naar mijn idee het beroep van uitvaartverzorger sterk ondergewaardeerd. Ik vraag me wel eens af hoe zo'n complexe taak naar behoren kan worden vervuld door mensen die maar een korte opleiding hebben gehad. Ongetwijfeld is de praktijk een belangrijke leerschool geweest. Maar het toetsen van die opgedane praktijkkennis aan anderen en het aangereikt krijgen van andere manieren om met dergelijke complexe psychologische situaties om te gaan, alsmede het zich eigen maken van die andere manieren, is wellicht geen overbodige luxe. Van mijn kant spreek ik de wens en de bereidheid uit om met u verder te exploreren en te te onderzoeken wat optimale manieren van bejegening tegenover rouwenden zijn in de periode direct na het overlijden." Verschenen in: Partners, 1995 Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl |