J.C. Arnbak, voorzitter van het college van OPTA (2004)

Communicatie-infrastructuren door OPTA over één kam geschoren

De aankomende telecomwet schrijft voor dat alle elektronische communicatie-infrastructuren gelijk moeten worden behandeld. Daarom zullen de kabelbedrijven onder toezicht van OPTA komen, Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit. Een gesprek over de consequenties hiervan voor de kabelsector met prof. dr. J.C. Arnbak, voorzitter van het college van OPTA.

De bemoeienissen van OPTA met de kabelsector bleven tot nu toe beperkt tot geschillen met programma-aanbieders, met name aanbieders van betaaltelevisie, die ontevreden over de toegangsvoorwaarden waren. Dit verandert door de nieuwe telecomwet. OPTA zal over meer zaken die de kabelbedrijven aangaan, een oordeel moeten vellen. Zal dit tot ruzies tussen OPTA en de kabelbedrijven leiden, zoals we die tussen OPTA en KPN hebben gezien? "Ik ben niet blij met dat woord 'ruzie'," stelt Arnbak voorop. "Misschien is het moeilijk voor polderland Nederland, maar er zijn gewoon inherente verschillen tussen de bedrijfsbelangen van ondernemingen, dus ook kabelbedrijven, en het publieke belang dat in de wet is verankerd en waar OPTA het toezicht op moet handhaven. Ik zie zulke principiële verschillen niet als een schending van de poldercultuur. Het is inherent aan datgene wat Nederland samen met alle andere EU-lidstaten heeft besloten, namelijk dat er concurrentie op alle infrastructuren moet komen en dat er een open toegang tot dominante netwerken moet zijn."

Uniforme analyse

De kabelsector is, kortweg gezegd, enigszins 'toezichtmoe'. Het toezicht is verdeeld over OPTA, NMa, Commissariaat voor de Media en, via verkoopovereenkomsten, gemeenten. Vindt Arnbak dat deze toezichtstructuur in stand kan blijven? "Het is ingewikkeld, dat geef ik toe," zegt hij. "Maar je kunt ook zeggen dat het nu eenvoudiger wordt doordat er een uniformering plaatsvindt. De kabel zal niet langer op een andere manier worden behandeld dan andere telecommunicatiebedrijven - wat betreft de economische regulering zal er veel meer consistentie zijn. Dat betekent dat wij het kabelbedrijf en telefoonbedrijf op een gelijke manier zullen analyseren, waarbij we kijken wie marktmacht waar heeft en of moet worden ingegrepen. Bij zo'n analyse zullen de kabelbedrijven overigens ruimschoots mogelijkheden hebben om hun argumenten en ook hun data daarbij in te brengen." Arnbak wijst erop dat gegevens vanuit de kabelsector tot nu toe slechts mondjesmaat zijn opgeleverd, waardoor er nogal wat hypotheses over de marktmacht van kabelbedrijven de ronde doen. "Op grond van de nieuwe telecomwet zullen wij die gegevens kunnen opeisen," zegt hij, "en ik denk dat het dan een achterhoedegevecht is om ze niet te leveren. Die gegevens kunnen overigens ook in het voordeel van de aanbieders werken, omdat eruit kan blijken dat de marktmacht helemaal niet zo groot is als soms wordt verondersteld."

Niets voor OPTA

OPTA ziet toe op de gedragingen van concurrerende telecommunicatiebedrijven tegenover elkaar en tegenover consumenten. Zaken daarbuiten laat OPTA links liggen en ook Arnbak, als voorzitter van het college, doet daar geen uitspraken over. Bijvoorbeeld over de openlijke discussies over het investeren van belastinggeld door gemeenten in een nieuwe infrastructuur, zegt Arnbak: "Ik kan benadrukken dat de Europese Commissie, zachtjes uitgedrukt, met zeer veel scepsis naar overheidssteun aan bedrijven kijkt, dus dat gemeenten zich erg goed zullen moeten beraden over de wenselijkheid daarvan, maar dat is niet iets voor OPTA. Waar investeringsgeld vandaan komt, is niet OPTA's zaak." Ook over het Deltaplan Glas van KPN wil Arnbak niet veel kwijt. Toch zou door dit plan de concurrentie tussen infrastructuren zo goed als uitgeschakeld worden. Arnbak: "Wij hebben van dat standpunt kennisgenomen, maar het is nu aan de minister van Economische Zaken om met een breedbandnota voor Nederland te komen. Pas als die nota er is, weet OPTA wat in dat kader moet gebeuren. Ik kan me goed voorstellen dat het voor kabelbedrijven spannend is wat er in die breedbandnota komt te staan en hoe de discussie met de Kamer daarover zal verlopen. OPTA zal dat natuurlijk ook met belangstelling volgen, maar heeft daar verder geen oordeel over." En een thema als inhoudsregulering heeft al helemaal niet de aandacht van OPTA. "Wij zijn geen programmaraad," zegt Arnbak, "wij hebben helemaal geen oordeel over wat er op de kabelnetten moet komen. Tenzij de politiek daar anders over denkt, zal dat inhoudstoezicht gewoon bij het Commissariaat voor de Media blijven."

Blijvend toezicht

We vragen Arnbak tot slot of er ooit een einde komt aan het sectorspecifiek toezicht op de telecommunicatiemarkt. "Die verwachting is er," zegt hij. "We zijn zeven jaar geleden met de zogenoemde herbalancering en andere ingrijpende veranderingen in de telefoontarieven begonnen, maar daar gaat het tegenwoordig nauwelijks meer over. Dat bevestigt dat bepaalde vormen van sectorspecifiek toezicht kunnen afnemen. Toch zal er toezicht blijven, bijvoorbeeld op de doorgiftetarieven voor programma-aanbieders en de eindgebruikerstarieven. Marktwerking op deze gebieden zal niet meteen na de inwerkingtreding van de nieuwe telecomwet voldoende zijn. Daarnaast zal er toezicht blijven op transparantie en behoorlijk gedrag ten aanzien van facturen, tariefswijzigingen en de bediening in het algemeen van consumenten. Tal van consumentenzaken zijn sectorspecifiek voor de kabel. Zolang dat zo blijft zal er een OPTA-achtige toezichthouder blijven - en de eerstkomende tijd is dat zeker OPTA zelf."

Verschenen in: Business HighLights van Revue Arts

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl