H.J.L. Vonhoff, voorzitter van de Raad voor het Landelijk Gebied (2005)

Pas op voor eendagsvliegen

De Raad voor het Landelijk Gebied is het adviescollege, op grond van de Kaderwet Adviescolleges, van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Prof. H.J.L. Vonhoff is voorzitter van deze raad. In een gesprek met hem waarschuwt hij voor eendagsvliegen.

Henk Vonhoff (1931) groeide op in Amsterdam, maar het stedelijke leven stond hem niet in de weg een grote belangstelling voor natuur en natuurstudie te ontwikkelen. Hij mocht in zijn jeugd graag zijn grootvader bezoeken, die na zijn pensionering vanuit Amsterdam terug naar Nijkerk was verhuisd en daar in een klein arbeidershuisje woonde met een stukje grond eromheen. Als twaalfjarige raakte Vonhoff bij de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie betrokken, "een jeugdbeweging," zo zegt hij, "die ondanks de samenstelling merkwaardigerwijze nooit door de Duitsers is verboden. Dat is wonderlijk, want is het was een broeinest van verzet. Ik noem bijvoorbeeld jonkheer Guido van Suchtelen, dus uit de sfeer van de Wereldbibliotheek, mijn schoolgenoot en vriend Roelof de Wit, later Commissaris van de Koningin in Noord-Holland, en ook de schrijver-bioloog Dick Hillenius. Het was een vrij radicaal, maar ook buitengewoon intrigerend gezelschap, waarin ik eigenlijk een buitenbeentje was toen na de oorlog bleek dat ik de liberale beginselen was toegedaan." Vonhoff ging na de oorlog M.O.-geschiedenis studeren en was van 1957 tot 1967 leraar geschiedenis op een scholengemeenschap in Amsterdam. "In die jaren heb ik me bijvoorbeeld intensief met de schoolkampen op Texel bemoeid," vertelt hij, "en samen met de leerlingen niet alleen naar de geschiedenis van het eiland gekeken, maar ook - vanuit mijn sociografische belangstelling - naar de structuur, de verkaveling en de vorming van de kust. De natuur heeft dus altijd mijn belangstelling wel gehad."

Kaalslag in het adviesstelsel

Vonhoff werd in 1967 lid van de Tweede Kamer namens de VVD en vier jaar later staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, belast met onder meer natuurbehoud en openluchtrecreatie. In 1975 werd Vonhoff voorzitter van de Stichting Nationaal Park 'De Hoge Veluwe' en die functie bekleedt hij nog steeds. Midden jaren zeventig, toen hij burgemeester van Utrecht was, werd hij ondervoorzitter van de voorlopige Natuurbeschermingsraad en begin jaren tachtig, toen hij Commissaris van de Koningin in Groningen was, werd hij voorzitter van de definitieve Natuurbeschermingsraad. In het verlengde hiervan werd hij voorzitter van de Raad voor Natuurbeheer en vervolgens, in 1997, voorzitter van de Raad voor het Landelijk Gebied. Deze raad kwam tot stand als gevolg van de Kaderwet Adviescolleges - ook wel Woestijnwet genoemd vanwege de kaalslag in het stelsel van adviesraden die ermee werd beoogd - en nam de plaats in van de Bosraad, de Raad voor de openluchtrecreatie, de Jachtraad en de Raad voor Natuurbeheer. Werden van de voorgaande raden ook leden, bij Koninklijk Besluit, op voordracht van de minister van CRM benoemd, van de Raad voor het Landelijk Gebied worden alle leden bij KB op voordracht van de minister van Landbouw benoemd. "Een raad per ministerie, dat leek belangrijk, omdat de adviesstructuur toch te uitbundig was geworden," aldus Vonhoff. "Binnen die meer sobere adviesstructuur is de Raad voor het Landelijk Gebied over de hele breedte van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gaan adviseren."

Vraagstelling

De Raad voor het Landelijk Gebied telt vijftien leden, inclusief de voorzitter, en beschikt over een betrekkelijk klein ondersteunend bureau (8,6 fte), gevestigd aan het Stationsplein in Amersfoort. De raad heeft in de loop van de jaren, sinds 1997, in totaal bijna vijftig adviezen gepubliceerd. De meest recente gaan over bijvoorbeeld de duurzame ontwikkeling van glastuinbouw, de instrumentatie van Nationale landschappen, de ontwikkeling van het groene onderwijs, de landbouw en het landelijk gebied in Europees perspectief, vernieuwende vormen van bestuur voor het landelijk gebied en over de manier waarop overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties in de toekomst voor recreatie kunnen zorgen. Het werkprogramma van de raad komt in goed overleg met het ministerie van LNV tot stand, "maar we hebben wel moeten constateren," aldus Vonhoff, "dat het departement niet zo heel gemakkelijk tot een goede vraagstelling komt. Daarom bemoeien we ons daarmee, juist ook om aan te geven dat het departement aan ons moet vragen wat het nodig kàn hebben, gelet op de problemen die er liggen. Dat werkt op het ogenblik bevredigend, maar het hangt natuurlijk ook af van de minister die er zit en wat hij vindt dat zijn beleidsterrein nodig heeft." Niet alleen de bewindslieden van LNV kunnen de raad om advies vragen, maar ook beide Kamers hebben wettelijk die mogelijkheid. Pas onlangs, in april 2005, heeft de Tweede Kamer via de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit daar voor de eerste keer gebruik van gemaakt, door de raad advies te vragen over mogelijke financieringsmodellen voor de transitie van het landelijk gebied. Vonhoff: "Het gebeurt geregeld dat tijdens hoorzittingen wordt gevraagd wat wij op een bepaald punt hebben te melden, en dat is ook een vorm van adviesaanvraag, en het gebeurt ook geregeld dat er bij ons secretariaat informatie wordt ingewonnen, maar een officiële adviesaanvrage vanuit de Kamer was er nooit eerder geweest. Ik kan me dat ook voorstellen, want de formulering van de adviesvraag op zich bevat vaak al een politieke keuze."

Programma Andere Overheid

In het Programma Andere Overheid van kabinet Bakenende II is een verdere versobering en tevens een verbetering van het adviesstelsel aangekondigd. Daartoe worden aanbevelingen voorbereid die tot een beperkt aantal adviescolleges moeten leiden, zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van de adviezen, en tot meer samenwerking tussen de adviescolleges, "zodat op hoofdlijnen van beleid ontkokerde advisering mogelijk wordt," aldus ex-minister De Graaf in het programma. Ook moet de advisering beter worden gebruikt en moet het adviesproces tussen het ministerie en het adviescollege beter worden ingericht. "Ik besef heel goed," zegt Vonhoff, "want daarvoor ken ik die wereld zelf erg goed, dat je als bewindsman of als ambtenaar en inzonderheid als politicus vaak met de vraagstukken van hier en nu bezig bent. Het is echter de taak van de raad, weliswaar kijkend naar die situatie van hier en nu, een aantal lijnen naar de toekomst te trekken waarmee men rekening moet houden. Doet men dat niet, dan gaat het op een gegeven moment mis en soms aantoonbaar heel duidelijk mis, zoals we bijvoorbeeld met de uitbraak van een aantal veeziekten hebben gezien. Ik begrijp echter óók dat het soms heel lastig is om in het dagelijks beleid met die lijnen naar de toekomst te moeten rekenen." Van belang is, aldus Vonhoff, dat in de evaluatie van het huidige adviesstelsel de adviescolleges voldoende tijd wordt gegund. Hij zegt: "Wij zien - ook aan de vraag naar onze rapporten - dat deze in brede kring niet alleen worden gelezen, maar ook als naslagwerk functioneren. Wanneer er een bepaalde zaak is, wordt nagegaan wat men kan tegenkomen en wat de raad daarover heeft gezegd. Ook daarom proberen wij onze rapporten een stevigheid mee te geven, waardoor ze meer dan eendagsvliegen zijn. Eendagsvliegen zullen in de politiek natuurlijk blijven voorkomen, daar moeten we onze ogen niet voor sluiten, maar we moeten ons er niet door van de weg laten dringen. Ik denk dat wij ons niet kunnen veroorloven om alleen op basis van eendagsvliegen beleid te vormen."

Gedreven en goedkoop

Volgens Vonhoff bestaat er in brede kring waardering voor het werk van de Raad voor het Landelijk Gebied. Juist doordat de rapporten van de raad als naslagwerk worden gebruikt, sijpelt veel van de adviezen in beleidsstukken van standsorganisaties en gemeente- en provinciebesturen door, evenals toch ook in regeringsstukken, "overigens af en toe zonder bronvermelding," zo merkt hij op. De motie van CDA-fractieleider Verhagen om vijf miljoen euro op de huidige adviescolleges te bezuinigen, past dan ook niet in zijn beeld van een passende materiële waardering van het werk van de raad. Vonhoff: "Het boeiende van deze raad is - dat durf ik te zeggen, maar het kan ons ook worden verweten - dat alle leden een echte 'drive' en belangstelling voor het landelijk gebied hebben. Dat is heel belangrijk, want in Nederland bestaat de gedachte dat landelijk gebied niet-stedelijk gebied is. Dit raadswerk vanuit de insteek van de eigenheid en het eigen karakter van het landelijk gebied doen, vereist een grote mate van engagement. Kijk ik dan naar het beloningsniveau van de leden van de raad, dan constateer ik dat wij vanuit die gedrevenheid - die ik op zichzelf gewenst vind - aan de samenleving een ongelofelijke hoop deskundigheid en wetenschappelijke inzet ter beschikking stellen, tegen een ongelofelijk lage prijs. Dat is dan de materiële vertaling van heel sterk gemotiveerd met deze problematiek bezig zijn. Het kabinet realiseert zich klaarblijkelijk niet welke instrumenten het in handen heeft. Voor ons geldt dat in sterke mate, maar er zijn ook andere raden waar het op grote deskundigheid aankomt die, zou je die moeten inhuren, geweldig veel kostbaarder is. Ik weet dat, omdat ik weet dat er deelrapporten van instituten en adviseurs over betrekkelijk kleine acute kwesties zijn uitgebracht, die meer hebben gekost dan het totale jaarbudget van de Raad voor het Landelijk Gebied."

Ook acute problemen

Het Programma Andere Overheid en ook een eigen evaluatie in 2004 van het functioneren van de Raad voor het Landelijk Gebied zullen naar alle waarschijnlijkheid tot veranderingen in de organisatie en de werkwijze van de raad leiden. "Als je laat evalueren en aanbevelingen laat doen," zegt Vonhoff, "dan moet je natuurlijk ook kijken welke elementen daarin bruikbaar zijn." Een van de aanbevelingen is om naast het langetermijnwerk toch ook de meer acute problemen op te pakken. "Het is verstandig om de kennis die we in de raad bij elkaar hebben, ook daarvoor in te zetten," zegt Vonhoff. "Pas dan kun je de totale waarde van het instrument zien en daar op een gegeven ogenblik je voordeel mee doen. Wel zullen we daartoe iets aan de organisatiestructuur van de raad moeten doen. Wanneer de minister aangeeft behoefte te hebben aan adviezen van onze kant over adhoc-vraagstukken, en af te willen van de dure commissies of instanties die daarvoor nu nodig zijn, dan kunnen we die leveren, maar moeten we wel bekijken hoe we dat doen. Ook in verband met de eigen evaluatie is een structuur denkbaar waarbij de leden van de raad niet met elkaar commissies vormen, maar kernlid zijn van veel grotere commissies met ook externe deskundigen. De raad blijft de beslissingen over adviezen en rapporten nemen, maar functioneert dan als een soort centrum waaromheen een grote hoeveelheid externe deskundigheid kan worden gemobiliseerd."

Eigen terrein

Een ander vraagstuk met betrekking tot de werkwijze van de raad betreft de samenwerking met andere adviescolleges. De Raad voor het Landelijk Gebied heeft goede werkcontacten met de VROM-raad en de Raad voor Verkeer en Waterstaat, in die zin dat de werkprogramma's worden vergeleken en expertise in elkaars werkgroepen wordt ingebracht, maar Vonhoff acht het niet raadzaam om tot een samenvoeging van raden of een herverkaveling van werkgebieden over te gaan. "Het is altijd verstandig om naar de verkaveling van het kabinet te kijken," zo stelt hij. "Dan sluit je het beste aan bij de discussies en de ambtelijke structuren in Den Haag. Schuif je daarover heen, dan krijg je organen die nergens meer bijhoren en veel moeilijker contacten maken. Bovendien vrees ik dat als het adviesstelsel van de departementen wordt losgemaakt, een aantal sectoren zich niet meer in de advisering zal herkennen, onder andere, denk ik, natuurbehoud. Voor mijn gevoel zou dat een duidelijke verschraling zijn van wat in dit land praktijk is geweest." Meer specifiek over de relatie tot het werkgebied van de VROM-raad zegt Vonhoff: "Ruimtelijke ordening is natuurlijk landsdekkend, maar je ziet in de discussies in de Kamer heel sterk dat ruimtelijke ordening zich toch vooral met betrekking tot de Randstad afspeelt. Dat is ook wel logisch, want daar zitten de grote ruimtelijke problemen. Maar het landelijk gebied is meer en heeft ook andere functies dan alleen de ruimtelijke ordening en het milieu. Daarom moet je wel samenwerken waar je dat kunt, maar ik denk dat ons terrein toch duidelijk onderscheiden moet blijven van dat van de VROM-raad en ook de Raad voor Verkeer en Waterstaat."

Prikkelender?

Een laatste aanbeveling vanuit de uitgevoerde evaluatie was nog, dat de Raad voor het Landelijk Gebied zich best wat prikkelender mocht opstellen. "Ik chargeer op een vreselijke manier," zegt Vonhoff, "maar ik vind zo'n roep om prikkeling een wat modieus verschijnsel. Bovendien is bijvoorbeeld ons advies over het groene onderwijs al prikkelend genoeg geweest. Ook ons advies over de glastuinbouw is, gegeven de reacties die ik hier en daar heb gekregen, ook niet zonder prikkeling ontvangen. Je moet natuurlijk uitkijken dat je niet in een soort volksvermaak terechtkomt. Het moet wel ergens over gaan. Wij hoeven niet prikkelend te zijn. Als we niet uitkijken wat we doen, dan zullen natuur en milieu zelf buitengewoon prikkelend zijn en dat dan op een manier waar de mens niet van terugheeft."

Moratorium

Vonhoff is nu twee termijnen van vier jaar voorzitter van de Raad voor het Landelijk Gebied geweest. Normaliter had hij de voorzittershamer al aan een ander overgedragen. De raad heeft echter in eerste instantie afgewacht wat het kabinet, in het bijzonder de nieuwe minister van Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties Alexander Pechtold, in het kader van het Programma Andere Overheid met de adviescolleges voorheeft. Inmiddels echter heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit al besloten om voor zijn departement de adviesraad te continueren. "Ook al is de zittingstermijn verstreken," zegt Vonhoff tot slot, "is de huidige raad bereid de werkzaamheden voort te zetten totdat de nieuwe raad zal aantreden. We gaan voorlopig niet allerlei zaken overhoop halen - we zouden dan immers onverstandig bezig zijn - maar wachten de komst van de raad in de nieuwe samenstelling af."

Verschenen in: ABP Wereld (2005)

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl