|
||
|
A.Th. Duivesteijn, lid van de Tweede-Kamerfractie PvdA (2001)
Meer een ordening van het overleg dan een ordening van de ruimteAdri Duivesteijn, woordvoerder van de Tweede-Kamerfractie van de PvdA op het gebied van ruimtelijke ordening, heeft bedenkingen bij de plannen van zijn partijgenoot minister Jan Pronk in de Vijfde nota over de ruimtelijke ordening. "Vooralsnog is 'bezwaren' een groot woord," zegt hij, "maar ik heb hele grote twijfels bij veel voorstellen in de nota. Ik sluit helemaal niet uit dat die straks in bezwaren kunnen worden omgezet." Adri Duivesteijn zet om te beginnen grote vraagtekens bij de concrete technische uitvoerbaarheid van een en ander, bijvoorbeeld van het idee van rode contouren rondom steden. "Wat is een rode contour in het westen van het land?" zo stelt hij. "Hoe moet je in het westen van het land een rode contour trekken rondom welke stad? Het is al bijna een aaneengesloten stedelijk gebied! Het is daarom maar de vraag of die benadering werkt." In het verlengde hiervan mist Duivesteijn een toekomstvisie op de verstedelijking in Nederland. Hij voorziet in dit verband een 'Californisering' van de Randstad en betwijfelt of Nederland voldoende is voorbereid op de vorming van megasteden zoals die in het buitenland al bestaan. Hij zegt: "Als je dan toch gaat intensiveren, dan moet je ook bereid zijn om dat inhoud te geven in de sfeer van denken over de stad. Het stedelijke netwerk is nu nog een concept dat wel in termen van relaties bestaat, maar daarmee is het nog geen stad." Duivesteijn doelt hiermee op de zes verstedelijkte gebieden, 'nationale netwerksteden', waarin intensiever moet worden samengewerkt. De Deltametropool, dat wil zeggen de oude Randstad aangevuld met Dordrecht, Amersfoort en Almere, is daarvan de belangrijkste. "In de Vijfde nota gaat dit concept nog te veel van de bestaande stad uit, terwijl de bestaande steden, die van dat stedelijk netwerk onderdeel uitmaken, gewoon met een hoeveelheid wonen, werken en infrastructuur nog ongelooflijk veel groter worden. In de Vijfde nota wordt dat fenomeen gewoon ontkend en wordt niet onderkend dat er gaandeweg in Nederland megasteden aan het ontstaan zijn," aldus Duivesteijn. Minimumpositie ontbreektDuivesteijns belangrijkste twijfel bij de Vijfde nota echter betreft de rol van de rijksoverheid in het geheel. Vanuit de opvatting dat de lokale overheden de regio en de behoeften van de burgers en de markt waarschijnlijk beter kennen dan de rijksoverheid, zijn veel zaken op het gebied van ruimtelijke ordening aan die lokale overheden overgelaten. Zij mogen zelf de rode en groene contouren gaan vaststellen. Wel blijft de rijksoverheid nauw betrokken bij bijvoorbeeld het waterbeheer, omdat het een collectief belang is dat Nederland het water de baas blijft. Ook blijft de landelijke overheid erop toezien dat alle individuele wensen en eisen ten aanzien van de kwaliteit van de woon- en werkomgeving, niet tot een tegenvallend eindresultaat leiden in de zin van een 'voller, vuiler en eenvormiger' land, zoals in de nota staat. Den Haag geeft dus niet alles uit handen, maar volgens Adri Duivesteijn toch al veel te veel. "De rijksoverheid moet een verantwoordelijkheid nemen voor de kwetsbare functies die in nationaal belang zijn of die een nationale betekenis hebben, waaronder ook de waterhuishouding," zo zegt hij. "In de Vijfde nota had naar mijn gevoel minimaal een voorstel moeten zitten, bestaande uit een samenvoeging van de nota De ecologische hoofdstructuur van Nederland en de beleidsnota Belvedere over de relatie tussen cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting. De rijksoverheid had een minimumpositie moeten innemen ten aanzien van wat in ieder geval moet worden beschermd, in de zin van: dat zijn voor ons de groene contouren, dames en heren in Nederland, bent u het daarmee eens?! Vervolgens was er een nieuw speelveld ontstaan. Over dat speelveld kun je dan gaan discussiëren of je dat voor economische functies, voor nieuwe groene functies of voor wat dan ook wilt benutten." Meer dan twijfelachtig en toch echt bezwaarlijk vindt Duivesteijn het wegvallen van de 'lichtgroene' contouren zoals die tot nu toe werden onderkend (niet rood en niet groen) en die nog altijd het grootste deel van Nederland vormen. "Dat vind ik principieel," zegt hij. "Ik ben er niet tegen dat daar ooit nog eens wordt gebouwd, want op een gegeven moment ontkomen we daar niet meer aan. Maar de lichtgroene contouren stonden voor een 'nee tenzij'-beleid, terwijl nu in de Vijfde nota de groene contouren een 'nee tenzij'-beleid zijn geworden en 'balansgebieden' zijn ontstaan die eigenlijk een 'ja mits'-benadering vormen. Ik vind dat je in het beleid voor de toekomstige ruimtelijke ordening best een beetje defensieve opstelling ten aanzien van die kwetsbare functies mag hebben!" Ordening van overlegDuivesteijn vindt dat de Vijfde nota meer een ordening van het overleg is, dan een ordening van de ruimte. Waar de rijksoverheid volgens hem heeft nagelaten om inhoud aan de groene contouren te geven, wil minister Pronk de invulling daarvan aan de gemeenten en provincies overlaten. "Maar het gaat echt om kwesties van nationaal belang," aldus Duivesteijn, "en die zijn dus niet de verantwoordelijkheid van gemeenten of provincies. Ik vind dat de rijksoverheid daar een grotere taak in heeft dan Pronk aan de rijksoverheid heeft toegedicht. Volgens mij is het ook vanuit een economisch perspectief van belang dat de rijksoverheid een grotere verantwoordelijkheid neemt. Wat gebeurt er bijvoorbeeld als de gemeente Rotterdam over rode contouren gaat praten? Dan is van de gemeente Rotterdam maar één conclusie mogelijk, namelijk dat de Hoekse Waard voor een belangrijk gedeelte rode contour moet worden. Vervolgens gaan de gemeenten in de Hoekse Waard in gesprek met elkaar over wat zij willen, rode contouren of groene contouren. Die gemeenten zullen vinden dat het groene contouren moeten worden. Iedereen zal met andere woorden heel nadrukkelijk vanuit zijn eigen belang redeneren en ik denk daarom dat de rijksoverheid weliswaar goed overleg met gemeenten en provincies moet voeren, maar op een bepaald moment ook gewoon voorstellen moet doen. En die voorstellen mogen best controversieel zijn, want daarvoor is het politiek." Problemen doorgeschovenPronk verlangt dat de gemeenten en provincies in 2005 de rode en groene contouren hebben vastgesteld, die daarna voor tien jaar zullen vastliggen, al kunnen ze desgewenst al na vijf jaar worden aangepast. Zijn dat voor de rijksoverheid dan geen goede momenten voor een toetsing van de plannen? "Dat vind ik veel te laat," zegt Adri Duivesteijn. Hij heeft aangekondigd de Tweede Kamer te zullen voorstellen om gemeenten en provincies voor te schrijven die rode en groene contouren al begin 2002 gereed te hebben. "Het gaat immers over Nederland in zijn totaliteit. Het is een nationaal belang dat bijvoorbeeld het landschap open blijft, dat verschillende landschapstypen worden bewaard en dat de ecologische hoofdstructuur in zijn totaliteit wordt veiliggesteld. Het is ook belangrijk dat er voor het nationale landschap het Groene Hart, waar drie provincies en vele gemeenten mee te maken hebben, een plan ontstaat dat meer is dan de optelsom van de afzonderlijke gedachten van die provincies en gemeenten. Het landsdelen-deel van de nota had daar voorstellen voor moeten bevatten. Ik denk dat Pronk daar gewoon niet uit is gekomen en het probleem daarom nu naar de gemeenten en de provincies heeft doorgeschoven. Dat vind ik jammer, want zo is het niet goed." Verschenen in: Grootbedrijf, een uitgave van het NVOB, 2001 Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl |