|
||
|
E.J.J.M. Kimman, hoogleraar Ethiek en Economie Universiteit van Amsterdam (2003)
Wanneer het gelijkheidsideaal verdwijnt, wordt abstracte solidariteit moeilijkerProf. dr. E.J.J.M. Kimman, hoogleraar Ethiek en Economie aan de Universiteit van Amsterdam en tevens Secretaris-Generaal van de Rooms-katholieke Bisschoppenconferentie, was de gastspreker op de Algemene Ledenvergadering van de FOV op 7 mei jongstleden in Nijkerk. De heer Kimman sprak een stichtelijk woord tot de aanwezigen, in de stijl en structuur van een leerzame preek, waarmee hij op menigeen indruk maakte. Kimman betoogde dat de rekenkundige solidariteit in het grootschalige verzekeringswezen het zal afleggen tegen de onderlinge verzekering binnen kleine netwerken. Kimman bracht zijn gehoor eerst terug in de geschiedenis, naar de negentiende eeuw. Hij las daartoe voor uit een gedenkboek van een onderlinge. Daarin was onder meer beschreven dat de onderlinge fondsen, zonder actuariële basis en met een sociale functie voor de aangesloten leden, vanaf de Franse Tijd tot 1872 de enige formeel toegestane organisatievorm voor werknemers, zelfstandige boeren, vaklieden en ambachtslieden was. Voor deze groepen waren alle overige organisatievormen verboden. Kimman schetste daarmee de onderlinge in haar primaire vorm, die later, in de moderne tijd, nog sterk zou transformeren. Hij sloeg het gedenkboek enkele honderden bladzijden verder open en las voor over 'commerciële aanpak', 'professionalisering van de verkooporganisatie', 'automatisering van de bedrijfsprocessen', 'verbreding van het draagvlak' en 'steun voor het beleid van de directie binnen alle geledingen van het bedrijf'. "Ronkende zinnen," aldus Kimman, "die in al die jaarboeken staan. Gaat het daar dus onverbiddelijk naar toe? Dat geloof ik niet. Dat zou immers het einde van de onderlinge verzekeringsmaatschappijen hebben betekend en zover is het niet gekomen." Rekenkundige solidariteitKimman ging opnieuw terug in de geschiedenis, nu naar de achttiende eeuw, de tijd waarin 'solidariteit' haar intrede in de samenleving deed. Tot dan was de gedachte van verzekering op naastenliefde en zorg voor elkaar gebaseerd geweest. Met de premie die eventueel moest worden betaald, werd eerst en vooral de schade van de ander vergoed. De Verlichting in de achttiende eeuw bewerkstelligde echter dat mensen meer rationele relaties met elkaar gingen onderhouden. "En dat rationele was," aldus Kimman, "dat men niet meer wilde betalen voor mensen die men niet kende. Men werd daarom gemotiveerd om te betalen door te stellen: je hebt er zelf voordeel bij, je betaalt voor jezelf. Dat was de nieuwe vorm van solidariteit. Het was als het ware een truc van naastenliefde naar 'denk aan jezelf', van 'zorgen voor elkaar' naar anonimiteit en verzakelijking. Wie premie betaalde, kon zelf rekenen op hulp wanneer hem iets overkwam. Die transformatie is in de achttiende eeuw ingezet en in de negentiende en twintigste eeuw doorgezet. De vraag is nu: zijn de voorwaarden waaronder die transformatie kon plaatsvinden, nog steeds onder ons aanwezig? En betekent dat dan, dat alles wat nog uit het verleden resteert aan begrafenisfondsen, ziekenbussen en ook onderlinge verzekeringsmaatschappijen, úw wereld, ook die transformatie naar anonieme, rekenkundige solidariteit zal doormaken? Ja - tenzij. Tenzij men ervan overtuigd is, dat gelijkheid niet langer een van de dragende beginselen van de samenleving is." Gelijkheid een ideaal?Voor zijn toelichting op deze ontsnappingsclausule bracht Kimman zijn gehoor voor een derde keer terug in de geschiedenis. Tot midden achttiende eeuw was de Nederlandse samenleving op ongelijkheid gebouwd, waarin men volgens zijn stand leefde, bijvoorbeeld als edele, geestelijke, boer of burger. Pas sinds de Verlichting is er meer gelijkheid in de samenleving gekomen, eerst op fiscaal gebied, vervolgens op het gebied van burgerrechten (waaronder het recht op onderwijs en het kiesrecht) en nog later ten aanzien van zaken als ouderdomspensionering en bijstand. Kimman: "De nieuwe wereld die tijdens de Verlichting is uitgedacht, is een wereld van gelijkheid, met gelijkheid als een dragend beginsel van onze samenleving. Maar geloven we daar nog steeds in? Gelijkheidsidealen blijven alleen bestaan als politieke partijen deze uitdragen en als politici ze als principe hanteren en in debatten over nieuwe wetten inbrengen. We moeten echter constateren dat dat steeds minder gebeurt en dat we zelfs de richting van 'aanvaardbare ongelijkheid' uitgaan. Gelijkheid wordt niet meer door de hele samenleving gedragen en door grote politieke partijen als ideaal beleden. Gelijkheid als fundament van onze samenleving is aan het vermolmen." Morele risico's"Het verzekeringswezen," zo vervolgde Kimman, "het anonieme verzekeringswezen zoals dat eind achttiende eeuw is ontstaan, heeft het altijd moeten hebben van dat gelijkheidsideaal. Dankzij de abstracte solidariteit die toen is ontwikkeld, heeft Nederland zich in de twee eeuwen daarna tot een verzekeringsstaat kunnen ontwikkelen, waarin iedereen zich voor een grote hoeveelheid gebeurtenissen heeft verzekerd. De basis daarvoor is nu langzaam maar zeker aan het wegslibben. En als gelijkheid wegslibt, dan wordt abstracte solidariteit moeilijk. De grote verzekeringsmaatschappijen merken dat in het toenemen van fraude en in het toenemen van morele risico's. De verzekeringsmaatschappijen die sterk werken met die abstracte, mechanistische solidariteit, hetgeen een mooie gedachte was in een wereld die naar gelijkheid streefde, gaan in de problemen komen nu dat beginsel van gelijkheid niet meer zo dragend aanwezig is. En daar bent u! U, de kleine onderlinge waarborgmaatschappij, die lang in de verdediging hebt gezeten. Maar nu hebt u een voordeel, omdat in uw onderlinge nog iets is overgebleven van het elkaar kennen en het voor elkaar opkomen." NetwerkenKimman nam zijn gehoor niet voor een vierde keer mee terug in de geschiedenis. "Want we gaan nooit terug in de geschiedenis," zo zei hij. "Doordat de gelijkheid in de samenleving afneemt, komen we niet terug in de wereld van de kuitbroeken en de postkoetsen - we gaan wel naar een wereld met minder gelijkheid, maar niet terug naar een wereld met standen. We leven in een samenleving die is gefragmentariseerd, een samenleving waarin geen homogeniteit meer is, en waarin die gelijkheid als basis gaat ontbreken. Betekent dit dat we ten gronde gaan? Integendeel! We moeten juist kijken wat er wel is. Mensen verbinden zich in kleine netwerken en zijn geïnteresseerd in wat daarbinnen gebeurt. De Nederlandse samenleving met betrekkelijk zichtbare normen en waarden schuift door naar een gefragmentariseerde samenleving waarin ieder van ons in een aantal netwerken participeert. In die samenleving van netwerken biedt u ook een netwerk. U moet dat netwerk niet gaan vercommercialiseren en in iets groters gaan inbrengen, maar u moet dat netwerk juist concreter maken en met andere netwerken verbinden. Laat bij wijze van spreken de verzekeringskaart ook toegangskaart tot de bibliotheek zijn. U moet proberen om in het nieuwe Nederland, dat als gevolg van Europeanisering op zich zal ophouden te bestaan, mensen netwerken aan te bieden, waarin zij zich verzekerd weten en waarin ze verankerd worden, zodat ze zich in die gefragmentariseerde samenleving verder kunnen bewegen. U bent straks, met uw mutualiteiten, de nieuwe vorm van solidariteit in een nieuwe gemeenschap!" Verschenen in: De Onderlinge, FOV, mei 2003 Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl |