|
||
|
P. Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (2006)
'Wij laten zien hoe het in Nederland gaat'Prof. dr. Paul Schnabel is directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau. In een gesprek met hem voor ABP Wereld schetst hij het profiel van dit planbureau en de aard van de studies. Schnabel, theoretisch socioloog van huis uit, benadrukt het praktisch belang van het SCP, dat gelegen is in de combinatie van wetenschap en beleid. Het Sociaal en Cultureel Planbureau werd in maart 1973 opgericht en ging op 1 januari 1974 daadwerkelijk van start. Al meteen na de Tweede Wereldoorlog waren er ideeën over een planbureau voor een betere inrichting van de samenleving, maar het bleef toen bij de oprichting van een economisch planbureau. Het begrip planbureau kwam voort uit het socialistische denken in de jaren dertig. 'Het moet, het kan, óp voor het Plan!' Adviezen, géén plannenIn 1945 werd daarom, onder leiding van de econoom Jan Tinbergen, het Centraal Planbureau opgericht. Al van het begin af was echter duidelijk dat dit niet een dirigistisch staatsorgaan zou worden, maar een instituut voor onderzoek en advies op economisch gebied. Op sociaal en cultureel gebied werd de lijn pas weer in de jaren zestig opgepakt, toen het idee van de maakbaarheid van de samenleving ideologisch gezien nieuw leven werd ingeblazen. Aanvankelijk was het de gedachte om een nationale raad voor de planning op te richten, met daaronder diverse planbureaus als wetenschappelijke secretariaten van deze raad, maar zover is het toen niet gekomen. Wel werd de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid opgericht (operationeel vanaf 1972) en kort daarna ook het Sociaal en Cultureel Planbureau. Het Centraal Planbureau bleef een zelfstandige organisatie. Jaren later kwamen daar nog het Ruimtelijk Planbureau bij (in 2001) en het Milieu- en Natuurplanbureau (per 1 januari 2006 vanuit het RIVM verzelfstandigd). Nog steeds zijn de directeuren van deze planbureaus adviserend lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Paul Schnabel: "De WRR is echt een adviesorgaan en geen planbureau. En de planbureaus zijn eigenlijk ook geen planbureaus. Wij plannen helemaal niet, wij onderzoeken. Het gaat toch vooral om, wat je zou kunnen noemen, de wetenschappelijke begeleiding van het beleid. Wij zetten niet zozeer het beleid zelf neer, maar geven de informatie waardoor het beleid zo goed en zo rationeel mogelijk kan worden uitgevoerd. De naam 'planbureau' verwijst naar een traditie die zelf nooit werkelijkheid is geweest. Nu staat die naam voor de vier onderzoeksinstituten die heel dicht tegen het kabinet en tegen het overheidsbeleid aan zitten, maar toch ook onafhankelijk zijn. Op zich is dat een merkwaardige combinatie, die ik in het buitenland ook nooit goed uitgelegd krijg. Ook begrijpt men bijvoorbeeld niet dat wij als directeuren gewoon aan kunnen blijven wanneer het kabinet van kleur verandert." Welzijnsplanbureau?Het Sociaal en Cultureel Planbureau is uit het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk voortgekomen. Begin jaren zeventig was dit een groot en belangrijk ministerie, met sterke ministers als dr. Marga Klompé en mr. Harry van Doorn. "Het was het eerste ministerie met een sterk sociaal-wetenschappelijk karakter," aldus Paul Schnabel. "Ambtelijke diensten in de hogere regionen van de ambtenarij waren van oudsher sterk juridisch getoonzet. Het ministerie van CRM was het eerste dat vanuit sociaal-wetenschappelijke ideeën werd opgezet, met heel andere opvattingen. Het was niet zozeer op regelgeving gericht, maar op dingen doen, veranderen, laten zien en experimenten stimuleren. Ook de taken van het Sociaal en Cultureel Planbureau zijn, moet ik achteraf zeggen, vrij ruim en vooruitziend verwoord. Het was bijvoorbeeld in die tijd nog helemaal niet vanzelfsprekend om beleid te evalueren. Dat is pas veel later gekomen, maar dat stond toen al in het Koninkijk Besluit." Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft in feite drie taken: het beschrijven van de situatie en de ontwikkelingen op sociaal en cultureel terrein in Nederland, het bijdragen tot verantwoorde keuzen van doeleinden en middelen in het sociaal en culturele beleid en het ontwikkelen van alternatieven, en het helpen bij de evaluatie van het gevoerde beleid, speciaal het interdepartementale beleid. Schnabel: "Onderzoeken, adviseren en evalueren zijn nog steeds de drie kernelementen in onze taak. De formulering van destijds in het Koninklijk Besluit is misschien niet helemaal meer van deze tijd, maar dat is irrelevant. Het waren natuurlijk de jaren zestig en zeventig. Wel is het zo dat onze eerste directeur, Louis van Tienen, een hekel aan het woord 'welzijn' had en daarom niet voor de naam 'Welzijnsplanbureau' heeft gekozen. Daar ben ik hem heel dankbaar voor, want het begrip 'welzijn' is zo gekleurd geraakt en zo impopulair geworden, dat we met die naam misschien niet meer zouden hebben bestaan, terwijl de thema's waar het om gaat, nog steeds even actueel zijn." Genoemde directeur dr. A.J.M. van Tienen gaf leiding aan het Sociaal en Cultureel Planbureau van 1974 tot 1978. Hij werd opgevolgd door prof. drs. A.J. van der Staay, die maar liefst twintig jaar directeur van het SCP was. In 1998 werd Van der Staay door Paul Schnabel opgevolgd. Theoretisch socioloogPaul Schnabel (Bergen op Zoom, 1948) behaalde in 1967 zijn diploma Gymnasium a aan het Onze Lieve Vrouwe Lyceum in Breda en studeerde vervolgens sociologie aan de Universiteit Utrecht. Na zijn doctoraalexamen studeerde hij van 1973 tot 1975 theoretische sociologie aan de Universität Bielefeld. Van 1973 tot 1977 was hij onderzoekscoördinator van de Vereniging Stimezo Nederland en in 1977 werd hij benoemd tot hoofd onderzoek van het Nederlands Centrum Geestelijke Volksgezondheid (nu Trimbos-instituut). Deze functie bekleedde hij tot en met 1991. Hij promoveerde in 1982 aan de Erasmus Universiteit Rotterdam bij prof. dr. C. Trimbos op het proefschrift 'Tussen stigma en charisma'. In 1986 volgde een benoeming tot hoogleraar geestelijke gezondheidszorg en geestelijke volksgezondheid bij de vakgroep Klinische Psychologie en Gezondheidspsychologie van de Universiteit Utrecht. Van 1991 tot 1996 was hij decaan van de Netherlands School of Public Health, een samenwerkingsverband op het gebied van de sociale geneeskunde tussen de universiteiten van Utrecht, Amsterdam en Rotterdam. In 1998 werd hij benoemd tot directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau en in 2002, voor één dag in de week, tot universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht. Paul Schnabel heeft vele raadslidmaatschappen, bestuurslidmaatschappen en redacteurschappen bekleed en is columnist van NRC-Handelsblad (sinds 1984) en het Financieele Dagblad (sinds 2000). Etalage opgepoetst"Toen ik directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau werd, trof ik een instituut aan waar in feite alles op orde was, financieel, personeel, het werkprogramma liep goed én het instituut had destijds een uitstekende adjunct-directeur, Theo Roes, die op 1 januari 1975 bij het SCP was komen werken en pas per 1 januari 2006 met pensioen is gegaan. Het was inhoudelijk een degelijk instituut, er werd goed en zorgvuldig onderzoek gedaan en het had een goede empirische reputatie opgebouwd. Wel werd tijdens mijn sollicitatieprocedure, waarbij alleen mensen van buiten het instituut waren betrokken, aangegeven dat het Sociaal en Cultureel Planbureau nogal in de schaduw van het Centraal Planbureau stond en dat het daarom wat in het zonnetje moest worden gezet, beter zichtbaar moest worden en een meer gelijkwaardige positie zou moeten kunnen innemen. Dat is eigenlijk mijn belangrijkste taak geweest. We zijn dichter tegen de actualiteit aan gaan zitten en hebben ook vernieuwende thema's ingevoerd. We brengen nu meer verschillende soorten publicaties uit en treden vaker naar buiten, bijvoorbeeld door lezingen en interviews te geven. Kortom, ik trof een degelijke winkel aan met een ietwat verstofte etalage. Daarom hebben we het een en ander wat opgepoetst, leuker in het licht geplaatst en we hebben ook nog wat van het assortiment buiten voor de deur gezet." Of Paul Schnabel en zijn medewerkers erin zijn geslaagd de werkzaamheden van het Sociaal en Cultureel Planbureau beter over het voetlicht te brengen, laat hij aan de beoordeling door anderen over. Gelet echter op indicatoren als de hoeveelheid aandacht van serieuze media bij nieuwe publicaties, het aantal keren dat de website wordt bezocht en ook de frequentie van geciteerd worden in de Kamers, zowel door de oppositiepartijen als de regeringspartijen, "is het duidelijk dat men het interessant vindt wat wij doen," aldus Schnabel. "Al die media-aandacht is voor onderzoekers natuurlijk een ongekende weelde en daar zijn we dan ook heel blij mee. We doen het daar niet voor, maar het zegt iets over het gewicht dat aan ons werk wordt toegekend. We hebben geen macht, maar op een aantal terreinen wel gezag en via de media dragen we bij aan de informatievoorziening en opinievorming van de Nederlandse burger." Hoe het met Nederland gaatDe publicaties van het Sociaal en Cultureel Planbureau bestrijken een zeer breed terrein. Het instituut is formeel aan het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gerelateerd en het werkprogramma van het SCP wordt dan ook door minister Hans Hoogervorst formeel vastgesteld, maar daaraan voorafgaand worden ook alle andere ministers, uitgezonderd die van Defensie en van Ontwikkelingssamenwerking, geconsulteerd. Schnabel: "Het werkprogramma bouwen wij geheel in samenspraak met ambtenaren van de departementen op. Wij houden rekening met hun wensen, ideeën en verlangens en in een aantal gevallen ook met het geld dat beschikbaar wordt gesteld. We hebben een grote mate van vrijheid, zeker in de uitvoering van ons werk, maar ook wel in de thematische keuze. Het zou echter heel onverstandig zijn om onze omgeving te negeren en niet te bedienen op de onderwerpen die hoog op de ministeriële en departementale agenda staan." Het Sociaal en Cultureel Planbureau brengt een aantal publicaties jaarlijks of met een andere regelmaat uit, waaronder het Sociaal en Cultureel Rapport (verplicht bij het Koninklijk Besluit) en daarnaast rapportages als de Rapportage Etnische Minderheden, de Armoedemonitor, de Rapportage Ouderen, de Rapportage Quartaire sector en de Rapportage Sport. Overige onderzoeken en publicaties betreffen sociaal-wetenschappelijke actualiteiten die niet al te specifiek zijn, niet psychologisch van aard zijn en evenmin al op de agenda van de andere planbureaus staan, maar die wel tot de specialisaties, interessegebieden en deskundigheden van de medewerkers van het instituut behoren. Zo zijn voor 2006 publicaties voorzien over onder meer het leven van mensen met langdurige lichamelijke beperkingen, het beleid rondom het voortijdig schoolverlaten, een typering van de professionals in het onderwijs, een indicatiestelling voor zorg op afroep, de achtergronden van de kostenontwikkelingen in de gezondheidszorg voor verstandelijk gehandicapten, de doelgroepen van digitaal toegankelijke archieven, de godsdienstige veranderingen in Nederland, de Europeanisering van het maatschappelijke middenveld, de woonvraag van verstandelijk gehandicapten, subjectieve aspecten van mobiliteit, homoseksualiteit binnen de krijgsmacht, onbenutte inkomensregelingen en nog vele, vele onderwerpen meer. Paul Schnabel: "Wij laten zien hoe het in Nederland gaat, hoe het met het beleid gaat in de gezondheidszorg, in het onderwijs, in de cultuur, in de woningbouw enzovoort. Wij laten zien wat mensen willen, wat mensen problematisch vinden en hoe het met bepaalde groepen in de samenleving gaat: met de ouderen, met etnische minderheden, met jongeren en met gehandicapten, dus typisch de groepen die altijd beleidsobjecten zijn. Hun leefsituatie laten zien en hun behoeften, wensen en kritiek in kaart brengen, dat is in feite onze taak geworden." Geen bloemetjesjurken meerVanuit deze inhoudelijke vogelvlucht is de link met pensionering gemakkelijk gelegd. Horen pensioenen en pensioenstelsels voornamelijk tot het terrein van het Centraal Planbureau, de gepensioneerden en de kwaliteit van hun leven zijn studieonderwerpen van vooral het Sociaal en Cultureel Planbureau. Is ook de jongere en zijn betrokkenheid bij zijn latere pensioen een onderwerp van onderzoek? "Nee," zegt Schnabel stellig. "Ik kan je nu al vertellen dat zo'n onderzoek zal aantonen dat het pensioen jongeren maar zeer beperkt interesseert. Dat begint pas tegen hun dertigste te spelen, vooral als er gezinsvorming plaatstvindt, dan begint men pas over later na te denken. Bovendien zou meer betrokkenheid nog wel eens averechts kunnen uitpakken. Uit veel van ons onderzoek blijkt immers dat er in Nederland naar verhouding beter voor ouderen dan voor jongeren wordt gezorgd. Sommige jongeren beginnen dat nu ook in de gaten te krijgen en gaan zich daarop organiseren!" De studies van het Sociaal en Cultureel Planbureau op dit terrein richten zich bijvoorbeeld op het vrijwilligerswerk en de mantelzorg in Nederland. "Ouderen spelen daar een heel grote rol in," aldus Paul Schnabel, "niet alleen omdat zij mantelzorg krijgen, maar deze voor een belangrijk deel ook bieden. Vrijwilligerswerk draait voor een belangrijk deel op 'jongere ouderen', dus in de leeftijd tot ongeveer vijfenzeventig jaar. Veel van die ouderen zitten er financieel goed bij, zijn relatief hoog opgeleid, zijn mobiel en maatschappelijk actief. Dit is echt een andere generatie dan de 'bloemetjesjurken' van tien, vijftien jaar geleden. Niet het leeftijdsverschil, maar wel het cohortverschil is enorm groot. Het zijn andere mensen, met een andere achtergrond." Bijzonder in de wereld"De oudedagsvoorziening is in het buitenland anders georganiseerd dan in Nederland en we kunnen wel zeggen: slechter georganiseerd. Dat heeft te maken met de keuzes die in het verleden ook in technische zin zijn gemaakt, met name voor wat betreft de kapitaalsopbouw. Nederland is altijd een spaarzaam land geweest. Een verschil met andere Europese landen was altijd wel, dat in Nederland het eigen huis een uitzondering was. In veel landen is het eigen huis of een bedrijfje het echte kapitaal voor wanneer je met pensioen gaat. Is het dan een familiehuis, dan komen de kinderen daar inwonen en regelen oma en opa hun huishouden. In Nederland kennen wij dat niet of nauwelijks. Inwoning was in Nederland altijd gedwongen, men wilde dat eigenlijk niet. In Zuid-Europa is dat toch altijd anders geweest en dat soort effecten merk je nog steeds. Ik herinner me bijvoorbeeld een vergelijkende studiedag over de zorg voor ouderen in Frankrijk en in Nederland. Aan het einde van die dag begreep ik het verschil: in Nederland zijn er alleen jonge bedelaars en in Frankrijk zijn er ook oude bedelaars. In Nederland zouden we het niet accepteren als ouderen op straat hun hand zouden moeten ophouden! Ik denk dat we daar allemaal zeer boos over zouden worden. De AOW heeft daarom een enorme invloed op onze samenleving gehad. De structurele opbouw van pensioenen in Nederland heeft ertoe geleid dat veel ouderen een vrij hoge levensstandaard kunnen hebben of in ieder geval hun levensstandaard kunnen handhaven. Dat zie je in het autobezit, het huizenbezit en ook in de financiële zorg voor hun kinderen, want die is veel groter dan andersom. Ook dat is heel bijzonder in de wereld, dat zoveel ouderen, dus niet alleen de rijken, hun kinderen financieel kunnen steunen. Ten opzichte van vijftig jaar geleden is dit een enorme verandering in onze samenleving, die vrij ongemerkt heeft plaatsgevonden." OnafhankelijkHet bestaansrecht van het Sociaal en Cultureel Planbureau lijkt momenteel nauwelijks ter discussie te staan. Af en toe wil een minister, wanneer een studieuitkomst of een advies niet met zijn beleid overeenstemt, nog wel eens een zure opmerking maken, in de zin van 'waar bemoeien zij zich mee', maar over het algemeen is zo'n houding niet aan de orde. Paul Schnabel: "Het kabinet heeft een paar jaar geleden uitgesproken dat het zeer aan de onafhankelijkheid van de planbureaus hecht, ook wel wetend dat we anders 'his masters voice' zouden worden. Wat wij zeggen wordt ook door journalisten, de oppositie en de wetenschappelijke wereld geaccepteerd, juist omdat we niet als verlengstuk van een departement of van kabinetsbeleid worden beschouwd. We zijn onafhankelijk en dus kan de minister niet naar de Kamer worden geroepen om verantwoording af te leggen over wat wij schrijven of zeggen. De Kamer kan hen daar natuurlijk wel inhoudelijk en beleidsmatig op aanspreken en dat gebeurt ook." Ook de suggestie dat het onderzoek door het Sociaal en Cultureel Planbureau evengoed door universitaire vakgroepen sociologie zou kunnen worden gedaan, verwerpt hij. "Wij werken multidisciplinair, dus niet alleen met sociologen, maar ook met politicologen, bestuurskundigen, economen, econometristen enzovoort. Daar komt bij dat sociologie op de Nederlandse universiteiten een klein vak is geworden. Veel universiteiten hebben niet eens een instituut voor sociologie meer. Bovendien ontwikkelen de universiteiten zich steeds sterker in de richting van zuiver wetenschappelijk onderzoek. De resultaten daarvan moeten in internationale, met name Amerikaanse en Engelse tijdschriften een plek vinden en dus mag dat onderzoek niet te Nederlands zijn. Wij zijn in eerste instantie wel op Nederland gericht en wij redeneren vanuit de Nederlandse situatie. Daarnaast is nog een sterk punt van dit instituut, dat wij traditioneel op het snijpunt van wetenschap en beleid werken. Wij maken deel uit van 'Den Haag' en hebben contact met iedereen hier. Wij zijn dan ook aan de beleidskant heel goed thuis, terwijl het op een universitair onderzoeksinstituut niet meer vanzelfsprekend is dat men die kennis ook in huis heeft. Die combinatie van wetenschap en beleid geeft ons een bijzondere voorsprong." Verschenen in: ABP Wereld (2006) Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl |