|
||
|
A.H. van Luyn, hoofd afdeling Verzekeringswezen, ministerie van Financiën (1999)
Vertrouwd, degelijk en open: het ultieme doel van toezichtDe Verzekeringskamer is de toezichthouder in de branche, maar het Ministerie van Financiën geeft met wetten en regelingen concreet vorm aan het toetsingskader. Drs. A.H. van Luyn is hoofd van de afdeling Verzekeringswezen van het Ministerie van Financiën. Tijdens de Algemene Ledenvergadering van de FOV in mei besprak Van Luyn de thema's integriteit, solvabiliteit en transparantie vanuit de optiek van het ministerie. Wat betekenen deze begrippen specifiek voor de onderlinge verzekeringswereld? Kan de consument de aanbieder vertrouwen (integriteit), zal de verzekeraar zijn verplichtingen kunnen nakomen (solvabiliteit) en weet de consument voldoende over het product en de aanbieder (transparantie): dat zijn de vragen die in het kader van het toezicht moeten worden beantwoord. Wat de integriteit betreft, om daarmee te beginnen, is de bestuurderstoetsing actueel. Anderhalf jaar geleden al werd hierover een nota naar de Tweede Kamer gezonden, onder meer naar aanleiding van de gebeurtenissen rond de beurs. "Vertrouwen begint bij mensen," aldus Van Luyn. "Een consument wil er vanuit kunnen gaan dat de bestuurders van financiële instellingen een onbesproken reputatie hebben én verstand van zaken!" Volgens Van Luyn wordt het toezicht op dit gebied behoorlijk aangescherpt. De vragenlijst van de Verzekeringskamer die aan potentiële bestuurders wordt voorgelegd, is al enige tijd uitgebreid en onlangs geactualiseerd. Daarnaast kan de Verzekeringskamer voor de toetsing van beleidsbepalende personen over informatie uit de politieregisters beschikken. Ook zijn de drie toezichthouders, de Verzekeringskamer, De Nederlandsche Bank en de Stichting Toezicht Effectenverkeer, bezig met het opzetten van een gezamenlijke databank. Tot slot wordt de wetgeving aangepast om het voor de Verzekeringskamer mogelijk te maken effectiever op te treden. Bestuurders van onderlingenVan Luyn: "Vanuit dit perspectief van modernisering van het toezichtsinstrumentarium, wordt ook gekeken naar de bestuurderstoetsing bij onderlinge verzekeraars. Het is wenselijk om ook voor de kleinere onderlingen een bestuurderstoetsing in te voeren, niet alleen vanuit de bredere optiek rond integriteit en het bieden van waarborgen voor consumenten, maar ook om te voorkomen dat er een soort vluchtroute overblijft om via een onderlinge toch in het verzekeringsbedrijf werkzaam te kunnen zijn. De Verzekeringskamer moet wanneer dat nodig is ook bestuurders bij kleine onderlingen kunnen weigeren." Over het invoeren van zo'n bestuurderstoetsing heeft inmiddels overleg tussen het ministerie, de Verzekeringskamer en de FOV plaatsgevonden. De gedachten gaan overigens wel uit naar een op deze maatschappijen toegespitste, dus lichtere, toetsing. Van Luyn: "Uiteraard moet worden voorkomen dat een zware administratieve last wordt opgelegd of dat de vele deskundige bestuurders van de kleinste onderlingen, die zich vaak belangeloos inzetten, ontmoedigd worden. Bij het toetsen van de deskundigheid van bestuurders is het dan ook van belang dat de Verzekeringskamer rekening houdt met de aard en omvang van de onderlinge maatschappij. Ook zal een zodanige vorm moeten worden gevonden dat de toetsing primair aangrijpt bij de aanstelling van nieuwe bestuurders en bij de oprichting van een nieuwe onderlinge. In goed overleg zou aan de praktijk van zo'n bestuurderstoetsing een evenwichtige invulling moeten worden gegeven. Het moet geen kanon zijn waarmee op een vlieg wordt geschoten, maar ook geen vliegenmepper om roofdieren mee af te weren!" MinimumgarantiefondsOp het gebied van de solvabiliteit, het tweede item, is het minimumgarantiefonds van belang. Dit is zeker zo voor de kleinere verzekeraars, omdat het minimumgarantiefonds voor hen tevens de vereiste solvabiliteitsnorm is. De bedragen voor het minimumgarantiefonds zijn in een relatief ver verleden vastgesteld en vervolgens nooit aangepast, zelfs niet voor inflatie. Van Luyn: "Het ziet er naar uit dat tenminste de aanpassing aan de inflatie zal worden doorgevoerd, hetgeen al tot een verveelvoudiging van de vereiste bedragen leidt. Ook zal het onderscheid in hoogte van de bedragen tussen de diverse branches worden teruggebracht. Per saldo zal het minimumgarantiefonds voor Nederlandse verzekeraars toch al gauw met een factor drie worden verhoogd." Volgens Van Luyn is wel een relativering op zijn plaats. Hij zegt: "In reële termen wordt niets anders gedaan dan de relatief steeds lager wordende eis weer terugbrengen op het niveau dat oorspronkelijk was bedoeld. Ook weet ik dat juist bij de onderlinge verzekeraars vaak een veelvoud van de vereiste solvabiliteit aanwezig is. Toch betekent een verhoging van het minimumgarantiefonds voor menig kleinere verzekeraar een substantiële aanpassing." Zullen er nu ook voor de kleinste onderlingen solvabiliteitseisen gaan gelden? Van Luyn: "Zonder volledig op alle ontwikkelingen vooruit te willen lopen, denk ik dat het niet zover zal komen. Voor deze maatschappijen geldt immers dat zij meestal plaatselijk werkzaam zijn. Ook is er een dusdanig nauwe band met de leden dat deze als het ware op de gang van zaken zelf toezicht houden. En bij sommige onderlingen is bovendien statutair vastgelegd dat de leden ook bijdragen in eventuele tekorten, zodat in moeilijke tijden degenen met schade toch kunnen worden geholpen. In het verleden rechtvaardigden deze elementen het om af te zien van solvabiliteitseisen voor de kleinste onderlingen en nu zijn ze nog steeds valide. We zien daarom geen aanleiding om op dit punt het beleid te wijzigen." TransparantieHet derde thema in het kader van toezichthouding is de transparantie: de aanwezigheid van goede informatie over producten en aanbieders. Actueel in dit verband zijn de ministeriële Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1998 die per 1 januari 1999 van kracht is, de beleidsregels van de Verzekeringskamer die op 1 augustus 1999 in werking treden en de Code rendement en risico van het Verbond van Verzekeraars waarvan beide modules per 1 juni 1999 volledig van kracht zijn. Het voornemen bestaat om verplicht te stellen dat aan de consument duidelijk wordt gemaakt of de aanbieder onder toezicht staat. Van Luyn vindt het voor de hand liggen dat als er bij kleinere onderlingen sprake is van een verlicht toezichtsregiem, van dat regiem en eventueel de reden ervoor ook expliciet melding wordt gemaakt. Het tweede voornemen hangt samen met de positie van de consument bij een onderlinge verzekeraar. In het algemeen hebben de leden veel mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de gang van zaken bij een onderlinge, hetgeen vaak ook statutair is vastgelegd. Van Luyn: "Uiteraard is het primair aan de onderlingen zelf om de kenmerken van hun rechtsvorm over het voetlicht te brengen. Wel kan een aantal van de rechten en plichten voor de leden worden beschouwd als essentiële kenmerken van de aanbieder. We bekijken daarom of ook op dit vlak het verschaffen van informatie aan consumenten verplicht gesteld zou moeten worden." Van Luyn tot slot: "Het is goed dat ons beleid in samenspraak met de Verzekeringskamer en de FOV kan worden vormgegeven. Uiteindelijk is het doel immers de consument ten dienste te zijn. Voor de onderlingen gold dit doel al in het verre verleden. Ik hoop en verwacht dat dit doel centraal blijft staan waar we het toezicht aan de gewijzigde omstandigheden laten meeveranderen. Want zoals Guiseppe di Lampedusa in de jaren vijftig schreef: als we de dingen willen laten zoals ze zijn, dan moeten er dingen veranderen!" Verschenen in: de Onderlinge, 1999 Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl |