H. Géron, beleidsmedewerker Arbeidsmilieu, ministerie van SZW (1999)

Ministeries buigen zich over het puingranulaat

Eind 1999 heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, een voorstel aan de Tweede Kamer gezonden voor een restconcentratienorm voor asbest in puingranulaat (evenals in bodem en grond). De definitieve vaststelling van deze norm behoeft nog een lange weg, maar zal uiteindelijk niet ver af komen te liggen van de 'zeer arbo- en publieksveilige norm' die uit TNO-onderzoek is gebleken, namelijk 1 gram asbest per 100 kilo puingranulaat.

Nog steeds zit er structureel asbest in bouw- en sloopafval, zo blijkt uit onderzoek, en komt er dus ook asbest in puingranulaat terecht, zij het doorgaans in lage concentraties. Ook na zorgvuldige asbestverwijdering door gecertificeerde asbestverwijderings-bedrijven kan asbest onopgemerkt in het granulaat aanwezig zijn. Afvalsorteerbedrijven en puinbreekbedrijven die granulaat produceren (maar asbestslopers nog niet), hanteren daarom zogenoemde asbestzorgvuldigheidsmodules, waarin zij onderling verklaren zich aan de regelgeving te houden. Daarmee wordt beoogd het risico op de aanwezigheid van asbest in het eindproduct puingranulaat zo laag mogelijk te laten zijn. Hergebruik van asbesthoudende producten is verboden ('nulnorm'), dus ook van asbesthoudend puingranulaat, ongeacht het gehalte. Het niet toestaan van het gebruik van puingranulaat (en grond) met een zeer laag asbestgehalte roept maatschappelijk nogal wat weerstanden op, omdat het om zeer grote hoeveelheden materiaal gaat.

Nieuwe saneringsmethodieken

Volgens Henri Géron, beleidsmedewerker bij de afdeling Arbeidsmilieu van de directie Arbeidsomstandigheden van het Ministerie van SZW, heeft de nu voorgestelde restconcentratienorm nog een lange weg te gaan. "Als de Tweede Kamer akkoord gaat," zegt hij, "dan zal eerst de desbetreffende arbo- en milieuregelgeving moeten worden aangepast. Doorgaans neemt dit zeker een periode van ongeveer een jaar in beslag. Vervolgens moet deze regelgeving bij de Europese Commissie worden genotificeerd. We zullen bezien in hoeverre op deze toekomstige regelgeving kan worden geanticipeerd." Géron benadrukt dat niet tot dan hoeft te worden gewacht met nieuwe ontwikkelingen in dit kader. Hij zegt: "Inmiddels wordt geëxperimenteerd met nieuwe zuiverings- en saneringsmethodieken. Daarbij zijn blootstellingsmetingen naar asbest in de omgevingslucht uitgevoerd. Zo heeft bijvoorbeeld de gemeente Oosterhout haar met asbest verontreinigde grond gereinigd. Na verwijdering van de asbest kon deze niet meer worden aangetoond. Ook bij de werkzaamheden zelf kon geen asbest in de lucht worden aangetoond. Dit impliceert een voor werknemers niet aantoonbaar risico. Proefmetingen op andere locaties geven eenzelfde beeld. De kleinere hoeveelheid uitgezeefd asbesthoudend materiaal werd gestort, hetgeen natuurlijk duidelijk goedkoper is dan de afvoer in z'n totaliteit naar de stort brengen."

Hele keten belangrijk

Ewout Dönszelmann, beleidscoördinator bij de directie Stoffen, Veiligheid, Straling van het Ministerie van VROM, benadrukt dat het probleem met het puingranulaat niet in de eerste plaats op zichzelf, maar in een breed verband moet worden gezien. Hij zegt: "Het asbest is ergens aanwezig en uiteindelijk wordt het gestort of verwerkt, maar daartussen zitten natuurlijk verschillende stappen die even belangrijk zijn. Bij de wijziging van het Asbestverwijderingsbesluit die in voorbereiding is, krijgen we ook van veel kanten te horen: let op de hele keten! Want als het verwijderen gewoon goed gebeurt, heb je later geen problemen meer met het bouw- en sloopafval en dus ook niet met het puingranulaat." Volgens Dönszelmann is de nu voorgestelde restconcentratienorm voor puingranulaat een hele praktische, "die vanuit een zorgvuldig verwijderingsproces haalbaar is en die ook geen risico voor het gebruik van het puingranulaat oplevert. Wij beschouwen het puingranulaat dat beneden de norm zit als asbestvrij. Maar om die norm te kunnen bereiken, moet er echt nog wel wat gebeuren."

Inventarisatieplicht

Dönszelmann stelt in dit verband ook de inventarisatieplicht in niet-sloopsituaties aan de orde. Deze zal de desbetreffende bewindslieden nog moeten passeren. De gedachte is dat er een inventarisatieplicht komt voor gebouwen met een grote kans op de aanwezigheid van asbest. Dönszelmann: "Met zo'n inventarisatieplicht weet je voor die gebouwen of en waar er asbest zit. Die kennis kun je later gebruiken, als er op een gegeven moment verbouwd of gesloopt gaat worden. Dan is het verantwoord om veranderingen aan het gebouw aan te brengen. Wij richten ons erop dat beginpunt zo goed mogelijk te hebben, zodat je later in de keten, dus ook in het puingranulaat, geen of nauwelijks asbest meer tegenkomt." Bezien wordt nog in welke regelgeving de inventarisatieplicht wordt ingekaderd. Dit zou de Woningwet kunnen zijn, waardoor de uitvoering ervan een taak van de gemeenten zou worden. De uiteindelijk verantwoordelijkheid echter, zo stelt Dönszelmann, moet in de eerste plaats bij de gebouweigenaren worden gelegd. "Zij moeten de instelling hebben om hun gebouw goed te laten inventariseren en om asbest goed te laten verwijderen, voordat er verbouwd of gesloopt gaat worden. Daar moet volgens mij de grote omslag zitten!"

De ministeries van SZW en VROM zullen over de voorgestelde restconcentratienorm en de wijziging van het Asbestverwijderingsbesluit nog de nodige voorlichting verstrekken, met name via een Arbo-informatieblad van SZW en een geactualiseerde versie van de 'Circulaire streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering' van VROM.

Verschenen in: Special Magazine van Revue Arts, 1999

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl