|
||
|
P.J.M. Iping, beleidsmedewerker directie Arbeidsomstandigheden, ministerie van SZW (1999)
Funderingsbranche loopt voorop met arboconvenantIn 2000 zal, op basis van de in de branche overeengekomen intentieverklaring daartoe, een arboconvenant voor de funderingsbranche worden opgesteld. In dit arboconvenant zullen afspraken worden gemaakt over geluid op het werk, de stabiliteit van de ondergrond en de begaanbaarheid van de bouwput. De totstandkoming van het convenant wordt begeleid door P.J.M. Iping, coördinerend beleidsmedewerker bij de Directie Arbeidsomstandigheden van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. We vroegen Peter Iping naar de achtergronden van het arboconvenant en naar de stand van zaken bij de totstandkoming ervan. Eind 1997 stuurde de toenmalige staatssecretaris De Grave een brief over schadelijk geluid op het werk naar de Tweede Kamer. Hij constateerde daarin dat het met de naleving van de wettelijke geluidsregels niet al te best was gesteld en dat het kennelijk niet genoeg was om regels uit te vaardigen. Een van de middelen die De Grave suggereerde om tot verbetering te komen, was het sluiten van convenanten, later arboconvenanten, waarin sociale partners in branches met hoge risico's in gezamenlijk overleg afspraken over arbeidsomstandigheden maken. Probleembewustzijn"We gaan dus niet alleen nieuwe regels stellen," zegt Iping, "integendeel. Die convenanten komen eigenlijk voort uit een gegroeid inzicht in een andere positie van de overheid in de maatschappij. Vroeger was de overheid de baas van de samenleving. Aan de regels die werden opgesteld, had iedere burger zich te houden. Natuurlijk is dat nog steeds zo, maar de overheid is tot inzicht gekomen dat regels waarvoor draagvlak in de vorm van een zeker probleembewustzijn ontbreekt, niet veel effect hebben. Dan kun je wel 'een blik arbeidsinspecteurs opentrekken', maar je kunt niet de illusie hebben dat je alleen door handhaving van de regelgeving een verbetering van de situatie kunt bereiken. Wie denkt een belangrijk probleem bij de kop te hebben en echt iets wil veranderen, zal met andere partijen moeten gaan praten, in de eerste plaats over wat die partijen van het probleem vinden en in de tweede plaats of ze bereid zijn om in goed overleg tot goede afspraken te komen." Als eerste gemeldKort na het verschijnen van de brief van De Grave over geluid, was het de NVAF die bij het departement aan de bel trok en zich geïnteresseerd toonde in het sluiten van een convenant voor de funderingsbranche. "De funderingsbranche meldde zich het allereerste," aldus Iping. "Natuurlijk hoefde er niet lang te worden gepraat om ons ervan te overtuigen dat geluid in de funderingsbranche een belangrijk probleem is. Alleen was destijds onze hele gedachtenvorming over convenanten nog niet echt uitgekristalliseerd. We wisten dat het anders moest dan vroeger, maar hoe precies anders, dat wisten we niet. Uiteindelijk zijn alle gedachten daarover in een nota neergelegd, de nota 'Arboconvenanten nieuwe stijl', die in januari 1999 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Er is dus geruime tijd overheen gegaan voordat een en ander in een stroomversnelling kwam, maar nu zijn we zover dat we echt aan het werk kunnen en het traject zijn ingegaan naar een arboconvenant." Brede overeenstemmingInmiddels is door de partijen rond de tafel, dat wil zeggen het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Arbeidsinspectie, de NVAF, de Stichting Arbouw, de FNV Bouw- en Houtbond, de Hout- en Bouwbond CNV en Het Zwarte Corps, afgesproken dat niet alleen een convenant over geluid zal worden nagestreefd, maar ook over de stabiliteit van de ondergrond en de begaanbaarheid van de bouwput. "Er is een brede mate van overeenstemming over de wenselijkheid om tot zo'n convenant voor de funderingsbranche te komen," aldus Peter Iping. "Alle partijen hebben de wens om helderheid te krijgen over datgene wat voor de branche op het terrein van arbeidsomstandigheden van belang is. Wanneer in tijden van arbeidskrapte ook nog eens mensen door ziekte of arbeidsongeschiktheid gaan uitvallen, wordt het belang van maatregelen natuurlijk heel helder. Iedereen is doordrongen van de wenselijkheid om door verbetering van arbeidsomstandigheden tot inperking van ziekteverzuim en WAO-instroom te komen. En natuurlijk heeft dat ook alles met het imago van de bedrijfstak te maken." Een convenant als dat voor de funderingsbranche kan overigens niet eenzijdig door uitsluitend direct betrokkenen worden overeengekomen. Met name in de bouw moeten ook andere partijen in de keten van het convenant op de hoogte zijn en het ook willen naleven. Het arboconvenant voor de funderingsbranche wordt daarom binnen het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onder een bredere paraplu van convenanten voor de bouw gerangschikt. RedelijkerwijsbeginselPeter Iping legt uit dat arboconvenanten in feite een nadere invulling van bestaande regels geven. Hij illustreert dat aan de hand van de regelgeving voor schadelijk geluid. Schadelijk geluid moet worden voorkomen, zo staat in de wet, dus moet ervoor worden gezorgd dat het geluid de schadegrens niet overschrijdt, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. "En daar zit 'm de kneep," zegt Iping. "Hoe moet dat 'redelijkerwijs' worden geïnterpreteerd? In algemene termen is daarover bepaald dat de stand van de techniek moet worden gevolgd. Maar wat is nu de stand van de techniek? In de funderingsbranche zijn in principe verschillende technieken beschikbaar waarmee minder lawaai wordt gemaakt, zoals heistellingen met een geluidwerende mantel eromheen of de schroefpalen die in bepaalde geluids- of trillingsgevoelige omgevingen worden toegepast, maar daar zit natuurlijk ook een kostenelement aan vast. Om nu te kijken wat redelijkerwijs kan worden gevergd, moeten daarom veel factoren in overweging worden genomen. De bedoeling is nu dat we in het kader van het arboconvenant dat redelijkerwijsbeginsel voor geluid gaan invullen en gaan vaststellen wat in de gegeven omstandigheden de stand van de techniek is. Daarbij wil het departement dan ook nog best die stand van de techniek een duwtje in de rug geven, bijvoorbeeld door een ontwikkelingssusbsidie beschikbaar te stellen om veelbelovende technieken die een bijdrage aan vermindering van geluidsoverlast kunnen leveren, verder te ontwikkelen." Richtingbepalend voor handhavingBij het opstellen van een arboconvenant komen de partijen eerst een intentieverklaring overeen, waarin de onderwerpen van het convenant en de probleemstellingen worden afgesproken en waarin ook wordt vastgelegd dat de partijen bereid zijn een bijdrage te zullen leveren, ook in financiële zin. Na deze intentieverklaring start vervolgens een onderzoeksfase, waarin bestaande mogelijkheden en nieuwe ontwikkelingen worden verkend, 'de stand van de techniek' als het ware wordt gedefinieerd en waarin op grond van de onderzoeksbevindingen wordt vastgesteld welke concrete afspraken kunnen worden gemaakt. Deze afspraken - over precieze doelstellingen, realisatietermijnen en investeringen - worden vastgelegd in het arboconvenant, dat de status heeft van een contract. Omdat in de funderingsbranche al veel van het noodzakelijke onderzoek in opdracht van de NVAF met name door de Stichting Arbouw is uitgevoerd, zal waarschijnlijk al in 2000 een arboconvenant voor de funderingsbranche tot stand kunnen komen. Tijdens en na de overeengekomen looptijd van het convenant, bijvoorbeeld drie of vier jaar, wordt regelmatig beoordeeld of de branche bij de realisatie van de gestelde doelen op koers blijft liggen. Peter Iping tot slot: "Met de afspraken in het convenant is het voor iedereen helder waar hij zich aan heeft te houden. Dat betekent dus ook dat je zwakke broeders in de bedrijfstak op hun arbeidsomstandighedenbeleid kunt aanspreken. Je bent immers met elkaar overeengekomen welke middelen haalbaar en realiseerbaar zijn om een verbetering van de arbeidsomstandigheden te bereiken. De overheid vindt vervolgens dat men zich daaraan heeft te houden. Het kan dus zo zijn dat voor de Arbeidsinspectie, onze sterke arm, de bepalingen in het arboconvenant richtingbepalend worden voor het handhavingsbeleid op de Arbowet." Verschenen in: Special Magazine van Revue Arts, 1999 Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl |