|
||
|
L.H.J. Verheijen, dijkgraaf van waterschap Aa en Maas (2005)
"Het waterschap heeft sturingsknoppen, maar andere besturen hebben die ook!"Lambert Verheijen is sinds 1 januari 2005 de dijkgraaf van waterschap Aa en Maas. Verheijen noemt de vernieuwing van de rwzi in Dinther een belangrijke stap, maar weet ook dat de weg die moet worden afgelegd, nog lang is. Echt schoon water kan alleen het resultaat zijn van de inzet van veel partijen - en ook nog eens in de juiste rolverdeling. De innovatie van de rwzi's in het gebied van waterschap Aa en Maas is erop gericht aan de huidige Nederlandse normen voor lozingen op oppervlaktewater te voldoen. De verwachting is dat de Europese normen, in de aangekondigde Europese Kaderrichtlijn Water, strenger zullen zijn. Betekent dit dat de zuiveringsinstallaties al over enkele jaren opnieuw moeten worden aangepast? "Dat is nog de vraag," zegt Lambert Verheijen. "Natuurlijk kunnen problemen ook via generieke wetgeving worden opgelost, bijvoorbeeld met betrekking tot het gebruik van meststoffen in de landbouw. Daarnaast kunnen we ook meer brongerichte maatregelen nemen. Het probleem met wasmiddelen bijvoorbeeld hebben we destijds niet via de zuivering opgelost, maar bij de bron, door minder fosfaten te gebruiken. Deze discussies over generieke wetgeving en maatregelen bij de bron zullen we tussen 2005 en 2010 voeren. Pas tussen 2010 en 2015 zullen nieuwe investeringen in de rwzi's aan de orde kunnen zijn." RolverdelingDe verwachte Europese normen zullen ongetwijfdeld ook van het waterschap extra inspanningen vragen, "maar dan wel vanuit de juiste rolverdeling," benadrukt Lambert Verheijen. "Wij hebben sturingsknoppen, maar andere besturen hebben die ook. Afspraken maken met bedrijven en landbouw is de eerste verantwoordelijkheid van de ministeries van VROM en Landbouw. Gaat het om voorlichting aan consumenten, dan ligt ook daar een verantwoordelijkheid voor de rijksoverheid." Verheijen stelt in dit verband dat bedrijven al veel in brongerichte maatregelen hebben geïnvesteerd. "Kijk je naar wat er kan gebeuren in het generieke en het specifieke beleid," zegt hij, "dan kom je op een soort tachtig-twintig-regel uit. In de generieke milieusituatie kan veel meer winst worden geboekt dan met specifieke 'end of pipe'-oplossingen." Volgens Verheijen kunnen ook gemeenten hun rol in het geheel beter oppakken dan zij nu vaak doen. Daarbij gaat het om bijvoorbeeld de sanering van riooloverstorten en de gescheiden afvoer van regenwater, "maar vooral ook het gebruik van bestrijdingsmiddelen door gemeenten is een knellend probleem," zegt Verheijen. "In de landbouw zijn belangrijke reducties bereikt, maar voor het openbaar groen is er geen enkele regelstelling waarmee het gebruik van bestrijdingsmiddelen wordt gereguleerd of gereduceerd. Deze middelen zijn op zich toegelaten, maar worden in zulke grote hoeveelheden gebruikt, dat ze wel degelijk problemen opleveren." Gebiedsgerichte aanpakHóe straks de Europese lozingsnormen zullen worden gehaald, is dus nog lang geen uitgemaakte zaak. Duidelijk is al wel dat niemand zich aan zijn verantwoordelijkheid zal kunnen onttrekken. Echt schoon water kan alleen het resultaat zijn van de inzet van consumenten, producenten, landbouwers, gemeenten, provincies, rijksoverheden en natuurlijk ook de waterschappen. Lambert Verheijen ziet voor het waterschap vooral een taak in de gebiedsgerichte aanpak weggelegd. Hij zegt: "In zo'n aanpak, die heel sterk op de lokale situatie is gericht, kunnen wij wel degelijk ook rechtstreeks afspraken met boeren, burgers en bedrijven maken. Waar bijvoorbeeld koeien grazen, moet de waterkwaliteit gewoon goed zijn, want we moeten natuurlijk geen discussies krijgen over de melkproducten die de boeren met hun koeien leveren. Maar ook rondom natuurgebieden, bijvoorbeeld veen, blauwgrasland of een beek, wordt een bepaalde waterkwaliteit gevraagd. Bij zulke specifieke, gebiedsgerichte activiteiten heeft het waterschap een eigen kerntaak. Het gaat daarbij om de inrichting van het gebied, het plaatsen van stuwen, hermeandering, vistrappen en nog andere specifieke kerntaken van het waterschap. Daar zullen we onze rol nemen, daar staan we voor, want dat is onze kracht." In dit verband noemt Verheijen ook als voorbeeld de aansluiting op de riolering van panden in het buitengebied. Rond 2000 waren er in heel Noord-Brabant nog zo'n 13.000 panden in het buitengebied niet op de riolering aangesloten. Deze situatie is in Oost-Brabant in de afgelopen jaren voortvarend aangepakt, door de provincie, de gemeenten in de regio en de twee waterschappen Aa en Maas en De Dommel. Dankzij subsidies van provincie en waterschappen, de inspanningen van de gemeenten en de eigen bijdragen van de betrokkenen konden enkele duizenden panden in het buitengebied op de riolering worden aangesloten. Wanneer iedereen zijn verantwoordelijkheid voor schoon water neemt, zo leggen we Verheijen tot slot voor, zal dan van het waterschap toch nog een extra inspanning 'end of pipe', dus bij de zuivering, worden verlangd? "In principe kunnen we met waterzuivering zo ver gaan," zegt hij, "dat we het water tot drinkwaterkwaliteit kunnen opwaarderen. Dat kost dan ook evenredig meer dan wat we nu hebben neergezet en waarmee we aan de huidige normen kunnen voldoen. We kunnen dus nog veel verder gaan, maar met de zuiveringsinstallaties die we nu hebben, mogen we al heel blij zijn!" Verschenen in: Special Magazine van Revue Magazines (2005) Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl |