|
||
|
J.W.M. Stappers, algemeen directeur van MediRisk (1997)
Vloedgolf van claims blijft uitEen jaar geleden, op 16 september 1996, gaf minister Borst van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het startsein voor de Geschillencommissie Ziekenhuizen, een geschillencommissie die onder de vlag vaart van de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken. De Geschillencommissie Ziekenhuizen werd ingesteld bij wijze van experiment voor een periode van drie jaar. Aan het experiment doet ongeveer de helft van alle algemene ziekenhuizen mee: allemaal ziekenhuizen die een aansprakelijkheidsverzekering bij MediRisk hebben. Heeft deze verzekeraar de toewijzing van schadeclaims nu in handen van een consumentenorganisatie gelegd? Rijst de schade de pan uit? Een gesprek hierover met J.W.M. Stappers, coördinator beleid en organisatie van MediRisk. De Onderlinge Waarborgmaatschappij voor Instellingen in de Gezondheidszorg MediRisk B.A. werd in 1992 opgericht nadat was gebleken dat het voor ziekenhuizen steeds moeilijker werd om aansprakelijkheidsrisico's te verzekeren. Een aantal verzekeraars had zich al uit de markt teruggetrokken, andere maatschappijen moesten hogere premies gaan berekenen om op een commerciële basis te kunnen blijven werken. Veertien ziekenhuizen sloegen daarop de handen ineen en richtten de onderlinge MediRisk op. Het management en de bedrijfsvoering ervan werden uitbesteed aan VVAA, het verzekeringsbedrijf van de Nederlandse Vereniging van Artsen. Momenteel hebben achtenveertig ziekenhuizen (met in totaal zo'n zestig instellingen, dat wil zeggen ziekenhuizen en verpleeghuizen op verschillende locaties) zich bij MediRisk aangesloten. Daarmee is de maatschappij marktleider in dit specifieke segment (Nederland telt 108 algemene ziekenhuizen). AarzelingenKort na de oprichting van MediRisk werd de maatschappij benaderd door de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) en de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) over een eventuele medewerking aan een experiment met een geschillencommissie voor de gezondheidszorg. Beide organisaties waren voor deelname aan zo'n experiment. Een geschillencommissie zou echter alleen tot stand kunnen komen als ook de verzekeraars van de ziekenhuizen de uitspraken van de commissie over schadeclaims als bindend zouden accepteren. Vanzelfsprekend voelde de verzekeringsbranche daar weinig voor, maar MediRisk nam de zaak in beraad en gaf groen licht. "Dat wil niet zeggen dat we er zonder enige reserve zijn ingestapt," zegt Stappers, "maar als het hele brede veld van VWS, KNMG, NVZ en Consumentenbond zo'n experiment wil, dan zal er dat op een gegeven moment ook wel komen en kun je er als verzekeraar beter vanaf de start bij betrokken zijn. Want dan kun je mensen persoonlijk leren kennen, invloed uitoefenen, bijsturen en nuanceren. Andere verzekeraars hebben op dat moment geen ja gezegd en die aarzeling kan ik goed begrijpen, want als verzekeraar heb je natuurlijk allemaal de angst dat de autonomie in de schadebehandeling wordt aangetast." Voorwaarden en voordelenAan het experiment zijn dusdanige voorwaarden gesteld dat het voor MediRisk mogelijk werd om eraan mee te werken. Zo is het werkterrein van de commissie beperkt tot geschillen over schadeclaims (en werd de commissie niet ook een soort beroepsinstantie voor klachten over ziekenhuizen). Verder werd overeengekomen dat er geen rechtstreekse lijn naar de geschillencommissie loopt, maar dat patiënten hun schadeclaims altijd eerst aan het ziekenhuis of aan MediRisk moeten voorleggen. Daarnaast werd de hoogte van de schadeclaims gelimiteerd tot 7.500 gulden en tot slot werd afgesproken dat de duur van het experiment weliswaar drie jaar is, maar dat na één jaar al een evaluatie zal plaatsvinden. "Natuurlijk hadden wij ook onze aarzelingen bij de hele opzet," aldus Stappers, "maar zagen daarnaast de voordelen van zo'n geschillencommissie wel in. Je kunt patiënten nu een alternatief voor een rechtszaak bieden: een procedure die minder tijdrovend is en minder juridische kosten met zich meebrengt. Daarnaast komt het vanuit PR-oogpunt plezieriger over. De ziekenhuizen en MediRisk stellen zich communicatief op en laten geschilpunten niet tot een confrontatie bij de rechter komen. Gelet op deze voordelen hebben wij ons bereid verklaard om proeftuin te zijn met een aantal van onze ziekenhuizen, die zich daarvoor vrijwillig hebben kunnen aanmelden." Vloedgolf van claims?Het was de bedoeling om het experiment te starten met twaalf MediRisk-ziekenhuizen. De belangstelling bij de ziekenhuisbesturen, maar ook bij de medische staven, was echter veel groter. Uiteindelijk zijn vierendertig ziekenhuizen met het experiment gaan meedoen. De Geschillencommissie Ziekenhuizen trad in werking op 1 oktober 1996. De commissie bestaat uit vijf leden: een voorzitter aangezocht door de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken, twee leden voorgedragen door de Consumentenbond en twee leden voorgedragen door KNMG en NVZ. De voorzitter en leden zijn benoemd door de Stichting en zijn onafhankelijk. Ze hebben tot taak geschillen op onpartijdige wijze te beoordelen. De commissie behandelt alleen geschillen over claims tot 7.500 gulden, gericht tegen één van de vierendertig ziekenhuizen, in zaken die spelen vanaf het moment dat het desbetreffende ziekenhuis tot MediRisk is toegetreden. Pessimisten voorspelden dat de commissie, en in het verlengde daarvan MediRisk, een vloedgolf van oude zaken over zich heen zou krijgen. Stappers: "Vooraf was dat natuurlijk koffiedik kijken. Het aantal schaden tot het afgesproken bedrag in onze boeken waarover met de patiënt een geschil is geweest, was echter heel gering. Die prognose van een vloedgolf heb ik daarom nooit gedeeld." Minder dan verwachtNiet alleen de vloedgolf van oude zaken bleef uit, maar ook het geprognosticeerde aantal geschillen van honderd zaken per jaar (het aantal waarop het Ministerie van VWS de subsidie heeft afgestemd), lijkt lang niet gehaald te worden. In totaal zijn nu zesentwintig geschillen over claims doorgezet tot bij de commissie. De commissie heeft tot nu toe vier zittingen gehad, die geleid hebben tot achttien uitspraken. Zeven claims werden geheel of gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij varieerden de toegekende vergoedingen tussen 750 en 3500 gulden. Vier claims werden ongegrond verklaard, drie niet ontvankelijk, één keer werd een schikking getroffen, twee keer werd een tussenadvies gegeven en bij één geschil bleek de commissie onbevoegd (omdat uiteindelijk werd vastgesteld dat de zaak zich afspeelde voordat het ziekenhuis tot MediRisk was toegetreden). Deze afgehandelde zaken gingen onder meer over een klapvoet na het plaatsen van een heupprothese, een littekenbreukcorrectie na een darmoperatie, tandschade ontstaan na intubatie bij narcose, correctie van een overbloezende huidplooi met als gevolg een verlengd litteken en het door het ziekenhuis zonder toestemming vernietigen van bezittingen van een overledene. In geen van deze zaken was het nodig om een externe deskundige in te schakelen. De commissie kon de zaken afdoen op basis van de dossiers en het horen van de betrokken partijen tijdens de zittingen. Angst niet terechtHoe kan het achterblijven van het aantal geschillen worden verklaard? Volgens Stappers ligt de oorzaak niet in een gebrekkige voorlichting over de Geschillencommissie Ziekenhuizen. In de pers en op televisie is er ruime aandacht aan gegeven. Daarnaast heeft de Stichting Geschillencommissies in de deelnemende ziekenhuizen folders verspreid en in veel gevallen wordt ook in de patiëntenbrochures en de klachtenfolders van de ziekenhuizen op het bestaan van de Geschillencommissie gewezen. Het geringe aantal geschillen is volgens Stappers eerder te danken aan de manier waarop in de ziekenhuizen klachten worden voorkomen en de wijze waarop, nadat er toch klachten en claims zijn ontstaan, de ziekenhuizen en MediRisk daarmee omgaan. Hij wijst daarbij op de klachtenprocedures in de ziekenhuizen, het preventiebeleid van MediRisk, het riskmanagement van de maatschappij door middel van audits op risicovolle afdelingen als de Eerste Hulp en de operatieafdelingen en niet in de laatste plaats de gedegen afweging door de maatschappij als na een gegronde claim een uitkering moet worden vastgesteld. "In de regel doen wij dat goed," zo zegt Stappers tot slot, "want we hebben maar heel weinig geschillen. En in een enkel geval zal de Geschillencommissie best eens een andere afweging maken dan wij hadden gedaan, maar dat geeft niet. Als wij ons werk goed blijven doen, met goede medisch adviseurs, goede juristen en in goed overleg met de ziekenhuizen, dan hoeven we nergens bang voor te zijn. Ik denk dan ook dat het juist is dat we met dit experiment zijn gestart en dat de angst van sommige partijen in het veld, ook van sommige verzekeraars, niet terecht is geweest. Zo'n Geschillencommissie is absoluut geen bedreigend verschijnsel dat we met z'n allen moeten afhouden. Het is een maatschappelijke ontwikkeling waar we ons niet aan moeten willen onttrekken en waar we gewoon realistisch mee om moeten gaan. In het belang van iedereen." Verschenen in: Welwezen (1997) Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl
|