|
||
|
P. Struycken, schilder (1989)
Architect van zijn onbegrensde kleurruimtePeter Struycken is heerser over de kleurruimte. Hij kan er de maan en de sterren in opnemen en die zo de kleuren geven die hem bevallen. Maar nog is Struycken niet tevreden. Want hij zoekt de kleurruimte die even onvoorspelbaar is als de wereld om ons heen. PerSe had een fascinerende ontmoeting, in een donkere kamer, met een man in het grijs. De kleurruimte van Peter Struycken is een driedimensionale oneindigheid. Het is een lust haar te verbeelden. Ze strekt zich uit langs drie assen die naar links en rechts, naar boven en onder, naar voor en achter geen einde kennen. De positie van elk punt in de ruimte is bepaald door de afstanden tot de drie assen. Met een computer definieert Struycken voor elk punt een kleur en een kleurverandering. Elk punt, tot in zeg maar de puntenstelsels op miljarden lichtjaren afstand, geeft hij eigen, bijzondere kleuren. Met de kleurentelevisie maakt Struycken elk gebied in de ruimte zichtbaar. Zo heerst hij over een geweldig heelal, dat massief is gevuld met voortdurend veranderende kleuren. Peter Struycken (in 1939 in Den Haag geboren) volgde zijn opleiding aan de afdeling schilderkunst van de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag. Van 1964 tot 1976 was hij docent aan de Academie voor Beeldende Kunsten en Kunstnijverheid in Arnhem. In die jaren ontwikkelde Struycken zich tot 'omgevingskunstenaar' bij uitstek. Hij formuleerde zijn artistieke opdracht als het 'onderzoek naar vorm en kleur in onderlinge relatie, zowel twee- als driedimensionaal en in relatie tot de architectuur.' Deze taakstelling leverde inmiddels meer dan vijftig monumentale werken op, alle uitgevoerd in architectonische en stedenbouwkundige situaties. Enkele voorbeelden: een stalen hek bij een belastinggebouw, een wand van een metrotunnel, een geluidwerende muur tussen een bedrijf en een woonwijk, de bestrating van een verkeersplein, een tegelplint van meer dan anderhalve kilometer lang en een plafond van een muziektheater met constant veranderende lichtpatronen. Zijn kleurruimte nu, ontwikkelde Struycken om het kleurgebruik in juist zulke monumentale werken te kunnen concretiseren. KleurkubusKleuren laten zich op talloze manieren ten opzichte van elkaar ordenen. Met of zonder wit en zwart in de ordening. Op een lijn naast elkaar geplaatst, of in een cirkel, met ook tegenover elkaar geplaatste kleuren. In een piramide een halve bol, een cilinder of een kubus, met bijvoorbeeld de kleuren in het grondvlak weergegeven en loodrecht daarop de helderheid van wit naar zwart. Lichtkleuren (kleuren die ontstaan door de menging van rood, groen en blauw licht) vragen om weer een andere ordening dan pigmentkleuren (kleuren die ontstaan door de menging van rode, gele en blauwe verf). Bijzonder is de kleursystematisering in een voor drukkers ontwikkelde kleurkubus. Deze kubus bevat in de acht uiterste hoeken respectievelijk het wit, het zwart, de drie primaire kleuren (rood, geel en blauw) en de drie secundaire kleuren (oranje, groen en violet). Door de randen van de kubus in tienen te delen, ontstaan duizend dobbelsteentjes met stuk voor stuk een bijzondere mengkleur. Ruimtelijk kleurgebruikDeze kleurkubus was de kiem voor Struyckens fantastische kleurruimte. De kubus is immers een uitzonderlijk geschikt model om juist ruimtelijk kleurgebruik vaste voet te geven. Een kubus heeft zelf een architectonisch karakter en biedt een driedimensionale kleurruimte, waarin driedimensionale objecten ter kleuring kunnen worden 'ondergedompeld.' Voor de bedrijfsruimte van een verfindustrie bijvoorbeeld, projecteerde Struycken de plattegrond daarvan diagonaal in de kubus, waardoor voor elke plaats in de ruimte kwam vast te staan welke kleur die moest krijgen. De kleuren werden gerealiseerd met behulp van losse panelen tegen de wanden. Op vergelijkbare wijze ontwierp Struycken de kleurstructuren voor het auditorium van het museum Kröller-Müller. KleurentelevisieIn het midden van de zeventiger jaren kreeg Struycken het knap benauwd in deze kleurkubus. De kubus is immers een eindige ruimte. Bovendien zijn de kleuren in de kubus altijd hetzelfde, komen ze er allemaal maar één keer in voor, hebben ze er een vaste plaats en verlopen de kleurnuances keurig volgens een vastgestelde regelmaat. Struycken besloot daarom de architect te worden van zijn eigen kleurruimte, waarin een bijna volledige anarchie zou moeten heersen, om van daaruit zijn werk te maken. In dezelfde periode vond hij de geschikte bouwinstrumenten voor zijn constructie: de computer en de kleurentelevisie. Vooral met het gebruik van de kleurentelevisie sloeg Struycken een andere weg in: zijn kleurruimte zou geen pigmentkleuren bevatten, maar lichtkleuren. GolfkarakterDe kleurruimte van Struycken is zoals gezegd driedimensionaal. 'Dat komt toevallig goed uit met die drie basiskleuren', zegt hij, 'zouden er vier basiskleuren zijn, dan zou ik in een vierdimensionale ruimte werken.' De ruimte is bovendien onbegrensd, zowel op macro- als op microniveau. Struycken: 'Ik kan kleuren berekenen die kilometers uit elkaar liggen, maar ik kan met evenveel gemak tienduizend kleuren op één centimeter opvragen.' Op het denkbeeldige assenstelsel van de ruimte is een schaalverdeling aangebracht. Zo kan hij voor elk punt in de ruimte berekenen welke intensiteiten van het rood, blauw en groen op dat punt de mengkleur bepalen, en de computer laat hij sinusvormige golven berekenen, welke onder verschillende hoeken en met verschillende voortplantingssnelheden door de ruimte lopen. Eindige structuurStruycken: 'Het principe van de oneindige ruimte heeft voor mij iets heel aantrekkelijks. In de praktijk zijn er natuurlijk grenzen. Met, ik noem maar wat, zestien cijfers achter de komma houdt op een gegeven moment de rekencapaciteit van de computer op. Maar dat doet niets af aan het feit, dat ik in een, in principe, niet bij voorbaat begrensde ruimte werk.' Struycken licht toe dat hij een groot aantal procesvormen heeft uitgeprobeerd om zijn oneindige ruimte van kleuren te voorzien. 'Het bleek dat kleurenintensiteitswaarden van alle typen processen die niet gebaseerd zijn op een sinusfunctie, gedoemd zijn om vroeg of laat naar min of plus oneindig te gaan. Parabolen en hyperbolen bijvoorbeeld, geven maar werkruimte in een klein stukje, daarbuiten vliegen de intensiteitswaarden naar plus of min oneindig. Je kunt, en dat heb ik dan ook wel gedaan, gaan kijken naar wat zich in het gebiedje afspeelt, maar dat is niet zo elegant. Je werkt dan eigenlijk toch weer binnen een eindige structuur.' Het ontwerpen van een bruikbare kleurruimte, dat wil zeggen het kiezen van een geschikte golvenmodulatie, is een moeizaam en langdurig karwei. Een half jaar of een jaar werk is volgens Struycken niet uitzonderlijk. 'Dus ik heb heel veel, duizenden en duizenden beelden gezien, voordat ik visueel vat op een kleurruimte krijg. Dat ik denk, oh, die eigenschap van het beeld, die is afhankelijk van die golfkarakteristiek. En ja hoor, als ik aan dat golfaspect iets ga doen, als ik de golven groter ga maken of verkleinen, dan zie ik in het beeld plotseling bepaalde veranderingen optreden, waardoor ik ga inzien, uiteindelijk op visuele basis, wat oorzaak en gevolg is. Dat is al gauw vrij ingewikkeld en daarom doe ik er heel lang over, voordat ik daar inderdaad het gevoel voor heb.' Geen tombolaZijn kennismaking met een nieuwe kleurruimte kan op twee manieren verlopen. Hij kan de ruimte statisch maken en zelf door de ruimte reizen, door op zijn kleurenmonitor steeds verschillende doorsneden ervan op te vragen. Struycken: 'Graag zou ik hiervoor een computerprogramma ontwikkelen. Iedere gebruiker zou met joystick en toetsenbord zijn eigen reis door een kleurruimte kunnen maken!' Hij kan echter ook een vast punt innemen, de golven moduleren en zo steeds verschillende kleurruimten vanuit het ingenomen standpunt bekijken. Struycken geeft de voorkeur aan de tweede werkwijze. Hij zegt: 'Ik vat de kleurruimte niet op als een soort tombola, waarin je je stort, het leukste plekje opzoekt en vervolgens verder snort tot je ergens anders een smakelijk plekje ziet. Dat is niet bevredigend. Het is veel interessanter om aan de structuur als geheel te werken, om werkelijk te bereiken dat in die ruimte een karakter tot stand komt. Bovendien is het noodzakelijk om te weten waardoor de ruimte is bepaald om verdere stappen te kunnen zetten naar een volgend werk.' Struycken voegt eraan toe: 'In de praktijk zou het ook veel te veel tijd kosten om, bijvoorbeeld voor een werk van zeven meter, veertig beelden te berekenen, daarvan foto's te nemen, die aan elkaar te monteren en dan pas te beslissen of het werk je wel of niet bevalt. Daarom ga ik op één punt in de ruimte zitten, ik neem een voldoende groot deel van de ruimte op m'n monitor en werk net zo lang aan de modulatie van de golven tot ik op die plaats een karakter tegenkom dat me bevalt. Ligt de modulatie eenmaal vast in het computerprogramma, dan is in feite de structuur van het kleurkarakter daarmee op een logische manier bepaald. Ik weet dan zeker, dat dat kleurkarakter overal in de ruimte aanwezig is en ik bereken vervolgens zoveel aan elkaar grenzende beelden als nodig zijn om een representatief beeld van dat karakter te geven.' OnvoorspelbaarWanneer heeft een kleurruimte een geslaagd karakter? Struycken: 'Ik probeer iedere keer weer opnieuw om een zo groot mogelijke onvoorspelbaarheid in de ruimte te bewerkstelligen. Hoe meer onvoorspelbaar de kleurruimte is, des te mooier die is. De ideale ruimte is zo complex, dat ik voortdurend iets anders zou tegenkomen en geen constanten in die ruimte zou kunnen ontdekken. Dat is eigenlijk waarmee ik bezig ben. Maar het blijkt voorlopig nog zo ontzettend moeilijk om daarin telkens een stapje vooruit te zetten. In mijn huidige werk kun je nog gemakkelijk bepaalde constanten aanwijzen. Die constanten verhogen de voorspelbaarheid en verlagen dus de complexiteit. Daarom zijn die constanten iets wat ik er zeker uit wil halen. Daarom zeg ik bij ieder werk opnieuw: 'nou, ik zie geen mogelijkheid meer om dat karakter verder te wijzigen, ik weet niet welke maatregelen ik moet nemen om dat zich herhalende effect teniet te doen, maar 't is ten opzichte van een vorige staat al een voldoende grote stap, ik accepteer dat voor dit moment en leg dat dan maar vast in de vorm waarin het nu is.' Maar als iets klaar is, zie ik direct de tekortkomingen en weet ik in principe ook in welke richting het verder moet gaan om naar een voor mijzelf bevredigend beeld te komen.' Onmogelijke opgaveStruycken vreest dat hij nooit de architect zal zijn van de volledig onvoorspelbare kleurruimte. Hij zegt: 'In dat opzicht ben ik ook romantisch kunstenaar, die zich een in principe onmogelijke opgave heeft gesteld. Ik denk dus niet dat ik in mijn leven ook maar werkelijk één jota opschiet. Denkend aan die complexiteit, is het zo ongelooflijk marginaal wat je in een leven kunt bereiken. Want die complexiteit zou kunnen gaan concurreren met de werkelijkheid zoals we die om ons heen kennen. De werkelijke diversiteit in kleuren is zo gigantisch; voordat je dat op een logisch gedefinieerde manier voor elkaar hebt, dat kun je niet in je eentje. Ik zou met een team van mensen makkelijk aan zo'n probleem bezig kunnen zijn, iedere dag, zoveel jaar als je maar te leven hebt. Want de complexiteit van de alledaagse omgeving, iets complexer kun je je niet voorstellen. Dan houdt het op. Daarmee vergeleken is dit soort dingen kinderspel. Maar heel prettig, leuk, boeiend, fantastisch om mee bezig te zijn.' 'Je zou kunnen zeggen: waarom maak je het jezelf zo moeilijk, als je toch beschikt over iedere willekeurige kleurruimte, die in principe oneindig groot is en geen begin en geen eind in de tijd heeft. Waarom zou je je dan zorgen maken? Maar de zorg zit hem erin dat de kleurruimte, ondanks de hele grote differentiatie daarin, als geheel toch een bepaald voorspelbaar karakter vertoont. En dat is onverdraaglijk.' ObjectenWie met Struycken door zijn kleurruimte vaart, vergeet gemakkelijk dat hij te maken heeft met, in eerste aanleg, een artistiek middel en niet met een eindproduct. Uiteindelijk maakt Struycken zijn ruimten om er architectuur, tekeningen of foto's in te stoppen en deze op die manier te kleuren. Het principe is simpel: de computer berekent de x-, y- en z-coördinaten van het oppervlak van het object en op de monitor verschijnt het object in de kleuren van de kleurruimte. Struycken benadrukt dat het object nooit invloed heeft op de kleurruimte, maar dat andersom de definities van de kleurruimte wel bepalend kunnen zijn voor de vorm van het object. Bijvoorbeeld als hij, met behulp van bollen, kleuren in de lege ruimte materialiseert, zoals op de geluidwerende muur in Utrecht of in de hal van een kantoor in Den Haag. De selectie van welke bollen wel zullen worden gerealiseerd en welke niet, vindt dan plaats op grond van de toegestane grens van kleurintensiteiten die in de ruimte aan de orde zijn. Je kunt bijvoorbeeld stellen dat kleurintensiteiten boven die grens niet mogen meedoen en dus vervallen. Struycken: 'Schroef je die grens op, dan komen er steeds minder bolletjes, zo eenvoudig ligt het. Zo kun je ook werken met hele praktische punten, als de hoeveelheid elementen die je in een bepaalde situatie kunt aanbrengen. Het maakt wel verschil of je achtduizend of vierduizend bolletjes ophangt. Als er maar geld is voor zesduizend, dan stel je daar je grens op in. Natuurlijk moet je dan wel beoordelen of het karakter van de kleurruimte voldoende zichtbaar blijft. Want met bijvoorbeeld vijf bolletjes kun je nooit van z'n leven een representatief beeld van een complexe structuur geven. Het is op zichzelf een hele toer om uit te zoeken tot waar je kunt gaan, zonder dat de structuur teveel aan herkenbaarheid inboet.' FilmStruycken is al sinds jaar en dag bezig om een film te maken van de in de tijd veranderende kleurruimte. 'Een langdurige zaak' zegt hij. 'Je moet immers vijfentwintig beelden per seconde maken om een bewegend beeld te suggereren. Een minuut film kost al gauw een jaar werk. Het is technisch ongelofelijk lastig en moeizaam, ik heb daar ook verschrikkelijk veel tegenslag bij gehad. Maar het is natuurlijk vreselijk leuk om te doen.' Daarnaast experimenteert hij veelvuldig met gekleurde lichtbronnen. Struycken: 'Denk eens in dat tl-verlichting niet meer voortdurend dezelfde lichtkleur geeft, maar een in de tijd veranderende. Het gaat dan niet om lichtveranderingen die spectaculair en afleidend zijn, maar veranderingen die, net als daglicht, meestal geleidelijk zijn en onmerkbaar verlopen. Maar ze zullen naar verwachting, net als daglicht, een bijzonder aangename lichtervaring opleveren. Wat er voor nodig is zijn driekleurige lichtbronnen, rood, groen en blauw, waarvan iedere kleur een instelbare cyclus doorloopt tussen een instelbaar minimum en maximum. Het grootste, technische probleem is, dat het uittredend licht uit de lichtbron goed gemengd moet zijn. Anders blijven de drie kleuren, althans in de buurt van de lamp, monochroom.' 'Nog mooier zou het zijn', besluit Struycken, 'als je de objecten, dus de kleurdragers, zou kunnen oplossen. Waardoor ze dus op een gegeven moment transparant en immaterieel zouden worden. Als dat op den duur mogelijk zou zijn, dat je kleur aan een niet-materiële drager kunt knopen... Dan zou je zo maar in de ruimte een kleur kunnen laten ontstaan. Dat zou heerlijk zijn, daar teken ik voor!' Verschenen in: PerSe, 1989 Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl |