L.H.J. Verheijen, gedeputeerde van de provincie Noord-Brabant (2001)

Afvalverwijdering nu een zaak van nationaal belang

In 2000 werd besloten om de verantwoordelijkheid voor de sturing van de afvalverwijdering in Nederland bij de provincies en gemeenten weg te halen en om deze bij de minister van VROM te leggen. Lambert Verheijen, gedeputeerde namens de PvdA voor milieu, natuur en landschap van de provincie Noord-Brabant, verwacht van deze ingreep geen grote consequenties voor de afvalverbrandingsinstallatie in Roosendaal.

Een belangrijk gevolg van de verandering is wel dat voortaan elke vier jaar een Landelijk Afvalbeheersplan (LAP) zal worden vastgesteld. Dit LAP, waarin het beleid voor de gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen wordt geïntegreerd, bestaat uit drie delen: een algemeen beleidskader, een reeks sectorplannen voor de verschillende afvalstromen en verwijderingswijzen en tot slot capaciteitsplannen voor verbranden en storten. Momenteel werken het ministerie van VROM en het Afval Overleg Orgaan samen aan de voorbereidingen voor het eerste LAP. Dit bevat het beleid voor de verwijdering van afvalstoffen tot 2005, met een doorkijk tot 2011. Bij alle planonderdelen zijn niet alleen rijk, provincies en gemeenten betrokken, maar ook het bedrijfsleven en de milieubeweging. De planning is om in het voorjaar van 2001 de inspraakprocedure op het ontwerp-Landelijk Afvalbeheersplan te houden, waarna het eerste LAP medio 2001 zou kunnen worden vastgesteld. Lambert Verheijen: "Op het moment dat het Landelijk Afvalbeheersplan wordt vastgesteld, houdt het provinciaal afvalstoffenbeleid op te bestaan. De minister wordt verantwoordelijk voor het LAP. Ook zal de Tweede Kamer daar een oordeel over moeten geven en niet meer de provincie en de staten. Wij werken overigens wel mee aan het schrijven van het LAP, wij zijn immers als regio zuid in het Afval Overleg Orgaan vertegenwoordigd, en we blijven ook de vergunningverlener. Ten aanzien van de vergunning voor WATCO zoals die nu in behandeling is, hebben we natuurlijk advies aan het Afval Overleg Orgaan gevraagd, want ook die procedure blijft gewoon in stand. Daar is overigens een positief advies op gekomen, dus wat dat betreft verwacht ik in het kader van het LAP geen wijzigingen ten opzichte van wat we nu hebben."

Bijstoken in centrales

In het Landelijk Afvalbeheersplan zal ook de positie van de afvalverbrandingsinstallaties in Nederland worden bepaald. Die positie staat niet op zich en is min of meer afhankelijk van de positie die de elektriciteitsproducenten in Nederland krijgen toebedeeld. De emissies van de elektriciteitsbedrijven bestaan immers voornamelijk uit het milieuschadelijke CO2. Deze zijn het gevolg van de opwekking van elektriciteit op basis van fossiele brandstoffen zoals kolen en aardgas. Deze emissies kunnen vooral worden teruggedrongen door de verbetering van het rendement bij de opwekking van stroom en door de inzet van duurzame energie, maar ook door de overgang naar koolstofarme brandstoffen. Ook afval is zo'n koolstofarme brandstof. Lambert Verheijen: "De discussie in Nederland gaat er daarom over of we de capaciteit van de afvalverbrandingsinstallaties moeten vergroten, door nieuwbouw of uitbreiding van de bestaande installaties, of dat we afval gaan bijstoken in kolengestookte centrales, waar dan dus minder kolen hoeven te worden gestookt. Die discussie is op dit moment actueel en ligt nog helemaal open. Daar zijn nog geen bestuurlijke standpunten over ingenomen." Elektriciteitscentrales die afval gaan verbranden en afvalverbrandingsinstallaties die elektriciteit gaan produceren, gaan wel heel erg op elkaar lijken, maar er blijft verschil. Verheijen: "De afvalverbrandingsinstallatie in Roosendaal heeft met andere richtlijnen qua emissies te maken dan de kolengestookte centrales waarin men wil gaan bijstoken. Voor afvalverbrandingsinstallaties zijn de eisen veel zwaarder."

In de omgeving

De eisen die aan afvalverbrandingsinstallaties worden gesteld zijn juist daarom zo zwaar, omdat deze instellingen een zekere symbiose met hun omgeving moeten vinden. Is WATCO Afvalverwerking Roosendaal daar in de afgelopen vijfentwintig jaar in geslaagd? "De relatie met de omgeving is verbeterd en WATCO heeft daar positief aan bijgedragen," zegt Lambert Verheijen. "Toch zou ik het nog geen symbiose willen noemen, dat vind ik nog wat te ver weg. Vanuit de omgeving zijn er immers bezwaren rondom de uitbreidingsaanvraag gekomen en zo lang er bezwaren leven, kun je niet zeggen dat je in een symbiose bent." Verheijen benadrukt wel, dat de bezwaren tegen de uitbreiding vanuit de ruimtelijke ordening voortkomen en niet tegen de milieuvergunning of de techniek van verbranding zijn gericht. "Men vindt dat er zo dicht bij een woonwijk geen bedrijventerrein met een afvalverbrandingsinstallatie moet zijn. Dit is geen onderdeel van de vergunningverlening, maar in laatste instantie zal de minister van VROM wel een verklaring van geen bezwaar rondom de vergunning moeten afgeven en dat is nog niet gebeurd."

Nog strenger?

Tot slot: kunnen de eisen die aan afvalverbranding worden gesteld nog strenger zijn dan nu het geval is? Lambert Verheijen: "In algemene zin verwacht ik dat eerlijk gezegd niet. De eisen die in Nederland in de afgelopen tien jaar zijn ontwikkeld, behoren tot de strengste die in de wereld worden gehandhaafd. Er is nu een verbrandingsrichtlijn vanuit Europa in de maak, maar ik heb niet de indruk dat die nog eens een aanscherping ten opzichte van de Nederlandse richtlijn gaat betekenen." De investering in een nieuwe peperdure installatie is dus wat dat betreft niet riskant? "Nee, ik schat in dat de nieuwe installatie ook binnen het Europese beleid goed houdbaar blijft."

Verschenen in: Special Magazine van Revue Arts, 2000

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl