J.G. Wesselink, directeur van de Stichting Aanpak Voertuigcriminaliteit (1997)

Nieuwe aanpak voertuigcriminaliteit

De Stichting Aanpak Voertuigcriminaliteit is nagenoeg een feit, het daaraan verbonden programmabureau is zo goed als operationeel. Bij de bestrijding van voertuigcriminaliteit zal met nog meer commitment dan voorheen daadkrachtig invulling worden gegeven aan de publiek-private samenwerking tussen enerzijds de Ministeries van Binnenlandse Zaken, Verkeer & Waterstaat en Justitie, het Openbaar Ministerie en Politie en anderzijds het Verbond van Verzekeraars, BOVAG, RAI en ANWB. De Stichting Aanpak Voertuigcriminaliteit streeft naar een optimale afstemming en coördinatie van alle projecten die op de aanpak van voertuigcriminaliteit zijn gericht. Op die manier moet eind 1999 het aantal gestolen gekentekende voertuigen tot 17.000 zijn teruggebracht (50% van het aantal in 1995). Het werkplan van de stichting wordt uitgevoerd door een programmabureau onder leiding van programmamanager Guus Wesselink.

De Stichting Aanpak Voertuigcriminaliteit is een initiatief van de Stuurgroep Autocriminaliteit, een van de stuurgroepen van het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing. De betrokken partijen in de publiek-private samenwerking zijn zowel in de Stuurgroep als in het bestuur van de Stichting Aanpak Voertuigcriminaliteit vertegenwoordigd. L.M.D.J. Degreef is voorzitter van beide instellingen. De stichting is opgericht om de beleidsplannen van de Stuurgroep Autocriminaliteit concreet tot uitvoering te brengen. Daarmee wordt dan tevens de wens vervuld van het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing om alle activiteiten die de criminaliteit moeten terugdringen, in aan elkaar gelieerde stichtingen onder te brengen.

Steviger opgepakt

Het werkplan van de Stichting Aanpak Voertuigcriminaliteit wordt uitgevoerd door het programmabureau van de stichting. Dit programmabureau is gevestigd in Amsterdam, bij RDC Datacentrum BV, en wordt geleid door programmamanager Guus Wesselink, tot voor kort directeur van de Stichting VAR. Aan het programmabureau zijn verder projectcoördinatoren (voorlopig twee) en een administratieve kracht verbonden. Wesselink: "In de nieuwe structuur willen we de voertuigcriminaliteit - en dat is dus breder dan autocriminaliteit: ook boten, werktuigen, motoren, bromfietsen en fietsen vallen eronder - nog straffer, zakelijker en meer gecoördineerd gaan aanpakken. Daarbij bouwen we voort op een beweging die in de afgelopen jaren is ingezet en die nu steviger wordt opgepakt. Door de gezamenlijke verbondenheid van de verschillende partijen in de stichting, zal geen enkele partij zich afzijdig willen houden in de gezamenlijk vastgestelde aanpak. Dat is een enorm groot winstpunt van de nieuwe structuur."

Flexibel programma

Het programmabureau van de Stichting Aanpak Voertuigcriminaliteit gaat sturing geven en ondersteuning bieden aan een reeks van projecten. Dit zijn zowel projecten die al in gang zijn gezet als nog te starten activiteiten, het zijn zowel projecten die in de tijd zijn begrensd als activiteiten van, vooralsnog, onbepaalde duur. "Op het moment dat we de samenwerkingsprocedures met elkaar hebben geregeld kunnen we elk relevant onderwerp aanpakken," zegt Wesselink. "Aan het programma kunnen steeds activiteiten en projecten worden toegevoegd die bij de doelstelling passen. De programma-aanpak is daardoor flexibel en het programmabureau kan zo tal van ontwikkelingen voor de toekomst faciliteren."

Meerwaarde

Wesselink voorziet dat het programmabureau op verschillende gebieden een meerwaarde voor de projecten zal hebben. "We zijn leverancier van coördinatie en trekpaard voor de gezamenlijke werkgroepen," zo zegt hij. "Wij zorgen ervoor dat de projecten soepeler kunnen verlopen en op een stevigere sturing dan in het verleden mogen rekenen. Belangrijk is ook het 'being there': het programmabureau is een concreet aanspreekpunt voor alle zaken op het gebied van voertuigcriminaliteit. Bovendien kan vanuit het projectbureau, in samenspraak met de voorzitter van de stichting, contact worden gelegd met de partners in de stichting, op het hoogste niveau in deze organisaties, om blijvende aandacht te vragen voor beleidsonderwerpen die op voertuigcriminaliteit betrekking hebben. Gelukkig is wat dat betreft de laatste jaren ook aan de publieke kant van de publiek-private samenwerking motivatie ontstaan om de voertuigcriminaliteit harder aan te pakken. De politie schenkt meer aandacht aan het onderwerp en stelt meer opsporingscapaciteit ter beschikking dan in het verleden. Gestolen auto's zijn immers meer dan vermist blik: ze vormen vaak het spoor naar zware criminaliteit."

Speerpunten

In het geheel van projecten onder de hoede van het programmabureau zijn vier deelprogramma's onderscheiden: preventie en techniek, handel, internationaal en stroomlijning (zie de kadertekst). Ondersteunende programma's zijn er op het gebied van communicatie en cijfermatige monitoring. In de deelprogramma's zijn inmiddels speerpunten vastgesteld. In het deelprogramma preventie en techniek wordt ernaar gestreefd het hele Nederlandse wagenpark zo spoedig mogelijk, gelet op het grote succes ervan, te voorzien van een startonderbreker. Daarnaast zal aan de regulering van het gebruik van 'tracking and tracing'-apparatuur worden gewerkt, "want dat is snel aan het opkomen," aldus Wesselink. "Als we niet snel iets regelen, dan haalt de markt ons in en wordt het een grote wanorde." In het tweede deelprogramma, handel, is het een speerpunt om de herkeuring van auto's zodanig in te richten, dat gestolen auto's of omgekatte auto's worden opgemerkt en bij de plaatselijke politie worden gemeld.

Goede uitgangspunten

"Internationaal," zo vervolgt Wesselink, "willen we meer grip krijgen op de situatie in landen als Hongarije en Polen. Hongarije is al ver en gaat hoogstwaarschijnlijk het Nederlandse model op dit gebied overnemen. Polen moet nog 'ontgonnen' worden, maar de eerste stappen zijn daar nu gezet. Daarnaast willen we zo snel mogelijk de deelname van Nederland voor elkaar krijgen aan de Interpol-databank van gestolen voertuigen." Nog andere speerpunten voor het programmabureau zijn het invullen van de communicatiefunctie en het definitief opzetten van de cijfermatige monitoring. Over dit laatste onderwerp zegt Wesselink: "We hebben in de afgelopen periode een 'tuning' tot stand gebracht tussen de cijfers van RDW, dus het kentekenregister, en van VAR. Daar zitten nu geen dubbeltellingen meer tussen. Nu moeten deze cijfers nog op één lijn worden gebracht met de cijfers van CRI en CBS. Daar geven we hoge prioriteit aan, omdat het belangrijk is om de goede uitgangspunten te hebben."

Doordouwen

Voor de projecten van het programmabureau zijn gekwantificeerde doelstellingen vastgesteld. Het totaalresultaat moet zijn dat eind 1999 het aantal gestolen kentekende voertuigen tot 17.000 is teruggebracht. Dit zal dan een afname betekenen van 50% ten opzichte van het eerste meetjaar, 1995, toen nog bijna 35.000 auto's werden gestolen. In 1996 werd dit aantal met bijna 18% tot 31.200 voertuigen teruggebracht. Een tweede doelstelling is om minimaal 50% van de gestolen auto's terug te vinden. Nu is het percentage niet teruggevonden auto's nog bijna 67%. Hierover zegt Guus Wesselink tot slot: "Dit percentage terugschroeven wordt steeds lastiger. Een paar jaar geleden kon nog gemakkelijker even een auto worden 'geleend' voor joy-riding naar het volgende dorp en die auto werd daar dan de volgende dag teruggevonden. We hebben het idee dat veel van auto's die nu nog wegblijven in de professionele hoek moeten worden gezocht. Dat zijn dan auto's die in de handel verdwijnen of voor overvallen worden gebruikt en daarna in het Amsterdam-Rijnkanaal worden gedumpt. De daling zit er dus wel in, maar de eerste klappen zijn altijd het gemakkelijkste. Nu moeten we doordouwen en doorgaan naar die vijftig procent!"

Kadertekst: Vier deelprogramma's in de aanpak van voertuigcriminaliteit

Het werkprogramma van de Stichting Aanpak Voertuigcriminaliteit bestaat uit vier deelprogramma's. Deelprogramma 1 omvat de projecten die op preventie en techniek zijn gericht. Het gaat hierbij om het in voertuigen inbouwen van technische voorzieningen die diefstal voorkomen en opsporing bevorderen. Deelprogramma 2 betreft de handel en is gericht op de bestrijding van het omkatten, kitten, strippen, helen en witten van voertuigen. In deelprogramma 3 zijn de projecten geclusterd die op de internationale aanpak van voertuigcriminaliteit zijn gericht. Het doel daarvan is met name het bemoeilijken van de export van gestolen voertuigen en het verhogen van het terugvindpercentage door internationale afspraken te maken over informatie-uitwisseling en versoepeling van procedures. Deelprogramma 4 tot slot betreft de stroomlijning van het signalerings-, opsporings- en afhandelingsproces. Een goed voorbeeld daarvan is de proef van politie en VAR om elke vermiste auto die door de politie wordt teruggevonden bij VAR te melden, waarna VAR de eigenaar informeert, voor de terugbezorging van de auto zorgt en het proces verder afwikkelt. De vier deelprogramma's in het werkplan worden nog aangevuld met twee ondersteunende disciplines. Deze betreffen de communicatie over de projecten en de cijfermatige verslaggeving over ontwikkelingen en resultaten.

Verschenen in: VAR Info (1997)

Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl