|
||
|
R.D. Crommelin, oud-directeur van Delta Lloyd (2002)
"Letsel en fraude is nog een braakliggend terrein"Met horizontale fraude, dat wil zeggen fraude tussen burgers onderling en tussen burgers en bedrijven, is in Nederland jaarlijks 2 à 2,5 miljard euro gemoeid. Ongeveer een vijfde daarvan betreft verzekeringsfraude. Een gesprek hierover met mr. R.D. Crommelin, voorzitter van de commissie preventie en criminaliteitsbeheersing van het Verbond van Verzekeraars. Crommelin ziet goede resultaten van fraudebestrijding, maar vindt dat er met name in de zorgsector nog te weinig gebeurt. Tijdens de twee kabinetten Kok zijn er op het gebied van fraudebestrijding behoorlijke stappen gezet. Winnie Sorgdrager, minister van Justitie in Paars I, gaf er naast de bestrijding van drugs- en zedenmisdrijven topprioriteit aan. In dat kader gaf ze procureur-generaal Steenhuis de opdracht om met name de horizontale fraude aan te pakken. Steenhuis vormde daartoe een stuurgroep 'financiële recherche', waarvoor, en dat was uniek destijds, ook banken en verzekeringsmaatschappijen werden uitgenodigd. Namens de verzekeraars nam Crommelin, toen nog directeur van Delta Lloyd, in deze stuurgroep zitting. Vanuit de stuurgroep werd zowel publiek als privaat aan een organisatie voor een adequate aanpak gebouwd. Bij politie en justitie werd tijdens Paars II maar liefst 57 miljoen gulden per jaar in fraudebestrijding geïnvesteerd, waarmee onder meer 145 financiële rechercheurs werden opgeleid, en werd daarnaast specifieke kennis bij elkaar gebracht en structureel ingebed in één groep arrondissementen (zoals de kennis ten aanzien van verzekeringsfraude, namens de oostelijke arrondissementen, in Zutphen). Gelijktijdig werden aan de private kant, in het bijzonder door de verzekeraars, een fraudeprotocol opgesteld, een fraudeloket ingericht en fraudecoördinatoren benoemd. Informatie-uitwisselingCrommelin wil best toegeven dat nog lang niet alles goed verloopt. Aan justitiezijde mankeert het bijvoorbeeld nogal eens aan een daadkrachtige opvolging na de aangifte van fraude. Verzekeraars melden het wel, maar horen er vervolgens niets meer over. Een groot manco is daarnaast dat er nog geen duidelijkheid is over de informatie-uitwisseling van publieke naar private zijde. Dit is de reden waarom de verzekeraars het zogenoemde handhavingsarrangement tussen het Openbaar Ministerie en de verzekeringsbranche nog niet hebben ondertekend. Justitie en politie eisen wel allerlei gegevens van verzekeraars op, maar zijn nog steeds zeer terughoudend in de informatievoorziening de andere kant op. Crommelin: "De publieke apparaten zijn daar over het algemeen huiverig voor, maar verzekeraars willen relevante informatie zo snel mogelijk hebben. De potentiële fraudeur is immers hun klant - en dat is een verschil met banken die meestal niet weten door wie ze worden getild. Verzekeraars weten dat vaak wel of hebben daar een vermoeden van en op dat moment moet de fraudeur zo snel mogelijk worden tegengehouden. En dat kan zeker als bij politie en justitie meer bekend is. Die uitwisseling moet snel gaan, want ondertussen dringt die man bij zijn verzekeraar op betaling aan en beschuldigt hij hem ervan de zaak te traineren. Als de verzekeraar bijvoorbeeld het vermoeden van brandstichting heeft en de technische recherche van de politie heeft dat vermoeden ook, dan moet die informatie zo snel mogelijk worden uitgewisseld, anders staat de verzekeraar met lege handen en moet hij uitkeren. Dat soort informatie, daar gaat het over, maar daar wordt aan publieke zijde nog onduidelijk of moeilijk over gedaan. We bespreken dat nu met het College Bescherming Persoonsgegevens. In ieder geval wil ik dat handhavingsarrangement graag getekend hebben, want dan kan ik de verzekeringsindustrie voorhouden: denk erom, we hebben het fraudeprotocol en het handhavingsarrangement, dus aan de bak!" SchoorvoetendDeze laatste aansporing is volgens Crommelin zeker niet overbodig. Het is immers niet gepast om de publieke kant verwijten te maken, terwijl de zaken aan de private kant nog onvoldoende op orde zijn. "Het gaat steeds beter," zegt Crommelin, "laat ik dat vooropstellen. Het aantal meldingen loopt op. Maar het is een 'frappez toujours'." Weliswaar heeft de hele Nederlandse markt, wellicht op een enkele buitenlandse maatschappij na, het fraudeprotocol ondertekend, maar in het nakomen van de afspraken in het protocol over het melden van fraude en over het intern organiseren van fraudebestrijding, is de ene maatschappij doortastender dan de andere. "Ik laat nog even in het midden hoe we dat zullen doen," aldus Crommelin, "maar we zullen de maatschappijen daar rechtstreeks op gaan aanspreken. Ik vind het een verplichting van de maatschappijen dat ze zich meer inspannen. Ik beschouw het als de laatste kans voor verzekeraars om structureel iets aan het fraudeprobleem te kunnen doen. Als verzekeraars dit laten lopen, en helaas ziet het daar soms naar uit, dan hebben ze absoluut een kans gemist." Volgens Crommelin zijn er verschillende redenen waarom sommige verzekeraars slechts schoorvoetend werk van fraudebestrijding maken. Andere zaken kunnen prioriteit vragen, het administratieve proces moet erop worden ingericht, medewerkers moeten worden opgeleid en ook kan het buitengewoon hinderlijk zijn in de commerciële relatie met het intermediair. Crommelin: "Gelukkig zijn er ook maatschappijen die de relatie beëindigen zodra zij tegen een intermediair aanlopen dat fraudeert. Maar het is nog geen 'algemeines Fressen'. Op dit moment is het daarom het belangrijkste om de discipline bij verzekeraars goed op de rit te krijgen. Ze zullen kritisch op hun producten moeten zijn en verder: discipline en nog eens discipline." Braakliggend terreinWat de discipline bij de fraudebestrijding door verzekeraars betreft, heeft Crommelin nog de meeste hoofdbrekens over de zorgsector. "Ons fraudeverhaal is vooralsnog een typisch schadeverzekeraarsprobleem," zo zegt hij. "In die sfeer pakken we dat aan. Ook aan de levenkant wordt gefraudeerd en dat proberen we ook wel boven water te krijgen. Maar aan de zorgkant wordt zo mogelijk nog veel meer gefraudeerd en daar doen we eigenlijk veel te weinig aan. De hele letselproblematiek, dat wil zeggen aan de aansprakelijkheidskant via met name de autoverzekering, rechtstreeks via de ziekteverzuim- of arbeidsongeschiktheids-verzekering of via het arbeidsongeschiktheidsdeel in een levensverzekering, is een problematiek in het geheel van fraudebestrijding die naar mijn idee te weinig aandacht krijgt. Letsel en fraude is eigenlijk nog een braakliggend terrein en daar moet nog heel veel gebeuren. Niet voor niets is een van de voorbeelden in het kader van het net gestarte meldpunt 'Meld misdaad anoniem' de buurman die in de WAO loopt en zijn dak staat te vertimmeren. Dat lijkt onaardig, maar daar gaat het niet om. Het gaat erom dat verzekeraars hun schadepenningen rechtvaardig verdelen. Zo simpel is het." Adequate fraudebestrijding vraagt om een rechtstreekse communicatie met vermoedelijke fraudeurs, men moet elkaar recht in de ogen kunnen kijken, maar in letselzaken is dat vaak niet mogelijk. Crommelin: "Er is een contract tussen verzekeraar en verzekerde, maar zodra er iets aan de hand is, zit er een belangenbehartiger aan tafel die de schaderegelaar belet om met de verzekerde te praten. Waarom is dat nodig?!" Veruit vooropOndanks de manco's die er nog zijn, is er in de afgelopen jaren ten aanzien van fraudebestrijding toch al het nodige bereikt. De autocriminaliteit bijvoorbeeld, en alle frauduleuze handelingen ten aanzien van autoverzekeringen in dat kader, is dankzij tal van activiteiten in publiek-privaat-samenwerkingsverband redelijk in de hand gehouden. Daarnaast doen de fraudecoördinatoren bij de verzekeringsmaatschappijen goed werk. In een volgend PIV-bulletin zal daar in een interview met een aantal fraudecoördinatoren verder op worden ingegaan. Crommelin kan als voorzitter van 'Crime Control Committee', een commissie van de Europese verzekeraarskoepel Comité Européen des Assurances, de stand van zaken in Nederland goed met die in het buitenland vergelijken. "We hebben het in dit land redelijk gekanaliseerd," zo zegt hij. "In de sfeer van criminaliteitsbeheersing loopt Nederland samen met Engeland en Finland veruit voorop in Europa. Hoe dichter je bij de Middellandse Zee komt, hoe minder het wordt. Wij proberen de verzekeraars in die landen ervan te overtuigen dat ze dit soort dingen in publiekprivate samenwerking moeten oplossen, maar vaak is de gang naar de publieke partner een hele moeilijke. Een Italiaan die met de politie moet samenwerken, dat kan niet. Toch zal het moeten. Daarnaast probeer ik het Europees ambtelijk apparaat zover te krijgen dat zij de aangesloten landen warm maken om vanuit overheidszijde private partners te gaan zoeken voor de aanpak van criminaliteit. We hebben het in twee jaar voor elkaar gekregen, en daar ben ik best trots op, dat de Commissaris voor Justitie en Binnenlandse Zaken op dit punt in georganiseerd verband een samenwerking met verzekeraars in Europa wil aangaan, waarbij het Nederlandse model vanuit Brussel in Europa zal worden neergelegd." "Verzekeringsmaatschappijen moeten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid kennen," zegt Crommelin tot slot. "En de samenleving moet weten dat verzekeraars het fenomeen fraude willen aanpakken en dus kritischer zullen zijn op uitkeringen. Fraude is stelen van je maatje, want het komt uit de grote pot waar een ander zijn geld ingooit. Natuurlijk gaat het mij vooral ook om de kardinale fraudeurs, die miljoenen en miljoenen opstrijken. Dat is gewoon te gek voor woorden en dat moet afgelopen zijn. Dat doen we niet meer!" Verschenen in: PIV-Bulletin, 2002 Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl |