|
||
|
G.K. van Wijngaarden, neuroloog (2001)
Invaliditeitsbepaling bij het post-whiplashsyndroom: een kwestie van gezond verstand gebruikenEnkele maanden geleden is de nieuwe druk van de zogenoemde AMA-richtlijnen verschenen. Dit zijn de richtlijnen van de 'American Medical Association' voor de bepaling van invaliditeit bij neurologische en andere lichamelijke aandoeningen, waaronder whiplash. Momenteel worden in het licht van deze nieuwe druk ook de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie (NVN), die van de AMA zijn afgeleid, opnieuw bekeken. Dat de 'dissidenten' ten aanzien van deze richtlijnen zich nu zullen herbezinnen, is de opzet noch de verwachting. De neuroloog dr. G.K. van Wijngaarden in Amstelveen, frequent expert in whiplashzaken, behoort niet tot de genoemde dissidenten. Hij hanteert zonder reserves de richtlijnen van zijn beroepsgroep en heeft niet veel waardering voor het standpunt van de Werkgroep Artsen-Advocaten, die - zonder enige wetenschappelijke onderbouwing - afstand van deze richtlijnen hebben genomen. Hij zegt: "Deze artsen, onder wie twee neurologen, staan op hun achterste benen over de richtlijnen, maar die twee neurologen waren niet eens aanwezig op de vergadering van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie, waar die richtlijnen op de agenda stonden en er nog een supplement op de richtlijnen is aangenomen. Wanneer een groep belangenbehartigers van slachtoffers het niet met de richtlijnen eens is, omdat ze graag willen dat hun cliënten meer genoegdoening krijgen, dan is dat voor ons nog geen reden om daarvan af te stappen. Ze moeten dan eerst maar eens met wetenschappelijke argumenten komen." Invaliditeit bepalenDe diagnose 'post-whiplashsyndroom' (of niet) is wat dr. Van Wijngaarden betreft zelden aan twijfel onderhevig. De patiënt heeft pijn in de nek en beweegt daardoor zijn nek niet goed, maar vertoont verder geen objectiveerbare afwijkingen. Deze conclusie moet enerzijds op onderzoek van de patiënt worden gebaseerd, "maar ook," aldus Van Wijngaarden, "en eigenlijk vind ik dat nog wel belangrijker, op de bevindingen door de behandelende artsen. Wat is er in de loop van de tijd gebeurd? Wanneer heeft de desbetreffende persoon klachten gekregen? Hoe vaak is hij daarmee bij zijn arts geweest? Dat zijn allemaal vragen waarmee je toch iets meer kunt objectiveren dan alleen maar aangeven dat de patiënt pijn heeft." Deze medische historie telt voor Van Wijngaarden vaak zwaarder dan het verhaal van de patiënt zelf. "Mensen komen voor een claim en hebben vaak de neiging hun beperkingen aan te dikken," zegt hij. "Ik merk dat mensen in precies dezelfde bewoordingen hun klachten brengen. Ze hebben bijvoorbeeld allemaal een zo erge geheugenstoornis, dat ze regelmatig hun sleutels in de koelkast leggen. Dat hoor ik voortdurend!" Wordt niettemin het post-whiplashsyndroom inderdaad vastgesteld, dan volgt uit de NVN-whiplash-richtlijn dat de invaliditeit, zonder te letten op de consequenties voor het arbeidsvermogen, maximaal 5 procent van de gehele mens bedraagt. "Dat is niet zo vreselijk veel," aldus Van Wijngaarden, "maar goed, er is dan ook niets aantoonbaar. Wel leidt dat nogal eens tot conflicten met belangenbehartigers die erop uit zijn hun cliënten zo veel mogelijk genoegdoening te geven. Wanneer wij dan constateren dat het pijnsyndroom niet voldoet aan de richtlijnen van de vereniging, dan wordt de invaliditeit in ieder geval geen vijf procent en misschien zelfs wel nul procent. Dat geeft dan soms aanleiding tot hele vervelende discussies van de kant van advocaten en tot gerechtelijke procedures waarin opnieuw een of meer deskundigen worden benoemd die zich erover moeten uitspreken. Als regel is dat dan geen eenvoudige zaak." Wetenschappelijk onderzoekVerwacht Van Wijngaarden dat wetenschappelijk nog een bijdrage zal kunnen worden geleverd aan een meer eenduidige, dat wil zeggen minder discutabele vaststelling van de invaliditeit bij een post-whiplashsyndroom? "Het punt is," zo zegt hij, "wat is wetenschappelijk? Ten aanzien van de beperkingen door whiplash is er geen echte wetenschappelijke literatuur, maar moet men zich gewoon door het gezonde verstand laten leiden. Iemand die vreselijke pijn in zijn nek heeft, moet je geen werk laten doen waarbij hij de hele dag zijn hoofd moet bewegen. Omdat het geen echte wetenschap is, hebben we die beperkingen ook niet in de richtlijnen opgenomen. Men moet gewoon van geval tot geval beoordelen, uitgaande van zijn eigen ervaring en kennis van dit beeld, wat iemand nog wel kan en wat niet meer." Medisch en sociologisch onderzoek naar het post-whiplashsyndroom wordt momenteel nauwelijks meer gedaan. In Bern houdt de groep rond Sturzenegger en de neuropsycholoog Radanov zich nog met de materie bezig ("maar wat ik daarvan heb gelezen, is voor mij nog nooit nieuw geweest," zegt Van Wijngaarden) en onlangs verscheen nog een artikel van de onderzoekers Schrader en Ferrari ("maar dat was meer een samenvatting van alles wat al eens is gezegd."). Schrader was overigens degene die aan het licht bracht dat in landen waar geen verzekering op dit gebied bestaat, het post-whiplashsyndroom vrijwel niet voorkomt. Hij beschouwde dat als een belangrijk argument om aan te nemen dat het post-whiplashsyndroom door psychosociale factoren wordt bepaald "en het is best mogelijk dat hij daar gelijk in heeft," aldus Van Wijngaarden. Behandelende sectorVolgens Van Wijngaarden is het post-whiplashsyndroom zonder twijfel een mode-aandoening, zonder daarmee overigens het bestaan van het letsel te willen ontkennen. "Mensen die pijn hebben en de hele dag in een verkrampte houding zitten, zijn absoluut invalide. Ze zijn echter niet invalide door de verwonding als zodanig - want waarom zouden die uitgerekte bandjes niet genezen? - maar ze zijn invalide door de reactie op die verwonding. Het zou al heel erg helpen als in de behandelende sector niet meer zo snel de ontzettende suggestie wordt gegeven in de zin van: u hebt iets vreselijks. Ik vind dat zeer verderfelijk. Dat begint al bij de politie. Als iemand van achteren wordt aangereden, dan zegt de politie: u moet onmiddellijk naar uw huisarts gaan, want u kunt uw leven lang last houden van het letsel dat u hebt. Er worden zelfs formulieren uitgedeeld waarin staat dat men dat moet doen. Dat is natuurlijk heel slecht. De huisarts zegt vervolgens onveranderlijk dat de patiënt rust moet houden - iets waarvan je je ook afvraagt waarop het is gebaseerd. Die mensen houden dan meteen met werken op en gaan op een bed liggen. Van de fysiotherapeut krijgen ze een halskraag, waardoor ze ook nog eens het zichtbare stempel van ziekte opgedrukt krijgen. Zo gaat dat van kwaad tot erger. Ik denk dus dat al die mensen die op deze wijze worden behandeld, gewoon mede door de behandeling in deze invaliditeit worden gedrongen." Lijstjes"Het komt natuurlijk heel vaak voor dat schades zonder een expertise worden geregeld," aldus dr. Van Wijngaarden tot slot. "Als dat met goedvinden van de partijen kan gebeuren, dan is dat natuurlijk voor iedereen het prettigste. Ook voor de cliënt, want het is natuurlijk voor de cliënt niet leuk om bij de deskundige te moeten komen en om weer een onderzoek te moeten ondergaan. Bovendien zijn niet alle deskundigen even aardig en - laten we het daar ook over eens zijn - niet even deskundig. Advocaten hebben natuurlijk de neiging om deskundigen aan te bevelen van wie ze weten dat die gemakkelijk met de patiënt meepraten en niet tot een hard oordeel komen. Ze weten gewoon wie dat zijn, iedereen heeft zo zijn eigen lijstjes. Maar die zijn natuurlijk alleen maar gebaseerd op misschien een enkele ervaring met een bepaalde deskundige en verder nergens op dan alleen maar achterklap." Verschenen in: PIV-Bulletin, 2001 Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl |