|
||
|
E. Wever, hoogleraar Toegepaste Geografie Universiteit Utrecht (1998)
Ruimtelijke ontwikkeling richting Europese marktHet is de verwachting dat het tweede paarse kabinet behoorlijk wat geld zal reserveren voor de uitbreiding en vernieuwing van de infrastructuur in Nederland. De vraag is echter welke regio's daar het meest van zullen kunnen profiteren. Zal dat het westen en midden van het land zijn, om daar de fileproblemen op te lossen en om de bereikbaarheid van de bedrijven te kunnen blijven garanderen? Of is dat juist het noorden, oosten en zuiden van het land om daar de economische groei te bevorderen? Volgens prof. dr. E. Wever, hoogleraar Toegepaste Geografie aan de Universiteit Utrecht, is deze vraagstelling tekenend voor de clichématige en bevooroordeelde benadering van de ruimtelijke ontwikkeling in Nederland. Wever plaatst allereerst vraagtekens bij de vraagstelling zelf, door te benadrukken dat er geen een-op-een-relatie bestaat tussen economische groei en de aanleg van infrastructuur. Hij zegt: "Natuurlijk zijn we in Nederland zo verstandig om bedrijventerreinen in de buurt van verkeerswegen aan te leggen. Maar je kunt niet zeggen dat de economie explosief gaat groeien als er ergens infrastructuur wordt aangelegd. Je mag daar geen overdreven verwachtingen van hebben. Bovendien geldt hierbij de wet van de afnemende meeropbrengsten. Waar geen bereikbaarheid is, kun je met iedere nieuwe weg een geweldige impuls aan de economie geven. Waar de bereikbaarheid al redelijk is, zal de meerwaarde van elke uitbreiding van de infrastructuur relatief beperkt zijn. Wel blijft een absolute basiseis voor economische groei dat aan een minimumbereikbaarheid wordt voldaan." De vraag hierbij is wel: waar groeit de economie of waar moet die gaan groeien? Als je de overheidsnota's, de brochures van werkgeversorganisaties en de folders van de Kamers van Koophandel mag geloven, heeft elke regio de nodige economische potenties. Allerwege wordt hoog van de toren geblazen als het gaat om de centrale ligging van de regio in Nederland of zelfs in Europa, het woon- en leefmilieu, de goede onderwijsvoorzieningen etcetera. Maar waar gaat het nu werkelijk goed en waar gaat het slecht? Zit het westen nog steeds in de plus en het oosten in de min? "Welnee," zegt Wever, "dat beeld is eigenlijk al tientallen jaren achterhaald!" Structurele ontwikkelingWever onderbouwt zijn stelling door op tal van ontwikkelingen te wijzen. Bijvoorbeeld de toename van het bruto regionaal product in de jaren 1988-1995: die toename was het hoogst (meer dan 5,9%) in zuidelijk Friesland, de IJsselmeerpolders, de provincie Utrecht, het zuidwesten van Gelderland en het noordoosten van Noord-Brabant. Een geringe toename (minder dan 4,1%) was er daarentegen onder meer rond Den Haag, het westen van Zuid-Holland en het midden van Noord-Holland. "Je kunt dus niet simpel redeneren dat het in de Randstad wel hosanna zal zijn en bijvoorbeeld in Friesland allemaal kommer en kwel," aldus Wever. "Dat zijn wel veelgehoorde verhalen, maar zo zit de wereld niet in elkaar." Wever voegt eraan toe dat de geschetste ontwikkeling niet iets van de laatste jaren is, maar eerder structureel. Ook de ontwikkeling van het bruto regionaal product in de jaren 1981-1988 laat zien, dat deze onder meer rond Den Haag en in grote delen van Noord-Holland onder het gemiddelde ligt. "Eigenlijk scoren het zuiden en het oosten van Nederland al sinds 1970 duidelijk beter dan het westen," aldus Wever. "We zien dus een structurele ontwikkeling waarbij de economie zich geleidelijk aan naar het oosten en zuiden verplaatst." Winnaars en verliezersDe economische verschuiving in kwestie blijkt overigens niet alleen uit de toe- of afname van het bruto regionaal product. Parallel daaraan is er natuurlijk een ontwikkeling van het arbeidsvolume, waarbij mutaties in de dienstensector wat meer verschuivingen laten zien en mutaties in de industriële sector wat minder. Kijkt men naar de cijfers uit de periode 1988-1994, dan horen tot de winnaars wat het arbeidsvolume betreft: Flevoland, het zuidwesten van Gelderland, Utrecht, het zuidwesten van Friesland, het noorden van Overijssel en de Achterhoek. Tot de verliezers horen, alle met een afgenomen arbeidsvolume: het Gooi en de Vechtstreek, de IJmond, het oosten van Zuid-Holland, de omgeving van Den Haag en de regio Haarlem. Vergelijkbaar is de ontwikkeling in de vestigingsvoorkeur van Nederlandse ondernemers en de daadwerkelijke bedrijfsverplaatsingen. In 1983 hadden de ondernemers nog een sterke voorkeur voor vestiging in of rond de provincie Utrecht, maar in de tien jaar daarna is die voorkeur verschoven naar plaatsen als Heerenveen, Enschede, Breda, Tilburg, Maastricht en Heerlen. Juiste verhoudingenWevers constateringen zijn ongetwijfeld heel aardig, maar de opdrachtenportefeuilles en de omzetcijfers van aannemers liegen niet. Als de economische groei zich veel meer in het oosten en zuiden ontwikkelt, dan is het toch onbegrijpelijk dat de Randstad in staat is om de belangrijkste infrastructuurbestedingen steeds daar te realiseren? "Je moet natuurlijk wel alles in de juiste verhoudingen zien," zegt Wever. "Om te beginnen is het natuurlijk zo dat waar weinig is, snel een relatief hogere groei kan worden gerealiseerd. Het zou natuurlijk flauwe kul zijn om te zeggen dat de Randstad niets meer voorstelt in de Nederlandse economie. Toch is het zo dat als de provincies Noord- en Zuid-Holland hetzelfde aandeel in de nationale economie zouden willen hebben als dertig jaar geleden, dat ze dan twee keer de hele economie van de provincie Zeeland binnen hun grenzen zouden moeten accommoderen. En dat is natuurlijk niet zo weinig." Over de grenzenWever verwacht dat de verplaatsing van economische activiteiten naar het oosten en zuiden van het land, nog wel een tijd zal voortduren. Hij noemt drie factoren die die ontwikkeling kunnen beïnvloeden: de bereikbaarheid, de beschikbare ruimte en in steeds sterkere mate de locatie van de markt. Wever: "Die markt zal zich in de toekomst niet ten westen van Nederland bevinden en ook niet ten noorden ervan. Die ligt ten oosten en ten zuiden van Nederland. Daarom denk ik dat die ontwikkeling absoluut zal doorgaan." Betekent dit dat de economische activiteit ten langen leste weleens over de grenzen heen zou kunnen worden verplaatst? "Ik ben bang van wel," zegt Wever. "Wij zijn allemaal opgegroeid met het idee dat Nederland zo hartstikke gunstig ligt. Dat is volstrekte onzin. Het feit dat wij in Nederland zoveel Europese distributiecentra hebben, komt doordat wij veel kennis van logistiek hebben en niet zozeer doordat wij zo gunstig liggen, want Noordrijn-Westfalen en België liggen zeker zo goed. Als je ervan uitgaat dat het proces van Europese eenwording doorgaat, dan zullen het oosten en zuiden in de toekomst niet alleen met de Randstad moeten concurreren, maar mogelijkerwijs nog veel meer met het gebied aan de andere kant van de grens. Dus moet je er juist voor zorgen dat de infrastructuur in die grensgebieden goed is, want dan heb je het niet meer over de bereikbaarheid binnen Nederland, maar over de bereikbaarheid binnen Europa. Dat is een opgave die je ook in Den Haag kunt verkopen, want het belang van de B.V. Nederland is daar rechtstreeks mee gemoeid!" Verschenen in: Grond-water-wegenbouw, 1998 Peter van Steen, tekstschrijver, info@petervansteen.nl |